Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2015:14

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
EJ 2015/179
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, privaatrechtelijk dienstverband met overheid, loonvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/273

Uitspraak

Beschikking van 18 november 2015

Zaaknummer: EJ 2015/179

Beschikkingnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Beschikking

in de zaak van

[DE WERKNEMER],

verzoekster,

wonende te Sint Maarten,

procederende in persoon,

tegen

de openbare rechtspersoon

HET LAND SINT MAARTEN,

verweerder,

wonende te Sint Maarten,

gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.

Verzoekster wordt aangeduid als “[de werknemer]”. Verweerder wordt aangeduid als “het Land”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties d.d. 2 september 2015,

  • -

    het verweerschrift met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2015 in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.2.

Hierna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1. [

de werknemer] heeft krachtens een arbeidsovereenkomst een dienstbetrekking met het Land gehad, ingaande 1 oktober 2011. Het Land heeft deze, tussentijds verlengde, arbeidsovereenkomst tegen 1 augustus 2014 opgezegd.

2.2.

Dit Gerecht heeft bij beschikking d.d. 21 januari 2015 de opzegging kennelijk onredelijk geoordeeld en aan [de werknemer] een schadevergoeding naar billijkheid van Nafl 25.000,00 toegekend. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.

2.3.

In artikel 3 van de meest recente arbeidsovereenkomst is bepaald in lid 1 dat titel 7A van Boek 7A BW Sint Maarten van toepassing is. In lid 2 is vermeld dat onder andere de Landsverordening Materieel Arbeidsrecht (LMA) van toepassing is, met uitzondering van een aantal artikelen. Verder is onder andere de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst ambtenaren van toepassing verklaard.

2.4.

Artikel 4 lid 1:

“Werknemer heeft recht op vakantie overeenkomstig hoofdstuk II van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst ambtenaren.”

2.5.

Ook is blijkens de arbeidsovereenkomst het Employee Handbook van toepassing. Daarin is vermeld;

“Expired vacation days will not be compensated in money unless:

  1. expiration is caused by a department head refusing or revoking vacation two years in a row;

  2. an employee is approaching his retirement day, and is not allowed to take up his remaining vacation days;

  3. an employee dies. (…).”

2.6.

Ondanks sommaties heeft het Land aan [de werknemer] niet genoten vakantiedagen niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1. [

[de werknemer] verzoekt het Gerecht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, het Land te veroordelen aan haar uit te betalen de door haar opgebouwde niet genoten 35,5 vakantiedagen, verhoogd met de wettelijke rente en onder verbeurte van een dwangsom, uit te betalen, met proceskostenveroordeling.

3.2.

Het Land verzoekt het Gerecht om de verzoeken van [de werknemer] af te wijzen, althans haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten, zulks bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zo ver zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Het Land stelt dat [de werknemer] geen recht heeft op uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen, waarvan de opbouw en het aantal overigens niet wordt betwist. Daartoe voert zij aan dat het Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten een dergelijk recht niet kent en dat uit de hiervoor onder 2.3. aangehaalde regelgeving, alsmede het Handbook, evenmin volgt dat zij een dergelijke aanspraak zou hebben. [de werknemer] betwist dit gemotiveerd.

4.2.

In het Burgerlijk Wetboek is geen regeling gegeven betreffende vakantiedagen. Daarvoor geldt de Landsverordening houdende bepalingen inzake verplichte vakantieregeling. Het Land stelt dat deze Landsverordening niet van toepassing is verklaard in de arbeidsovereenkomst. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.3.

In de definitie van werkgever krachtens deze Landsverordening is onder andere het volgende vermeld: “Sint Maarten wordt niet als werkgever in de zin van dit artikel beschouwd ten aanzien van die arbeiders, die zij anders dan op burgerrechtelijke overeenkomst in dienst heeft.” Kortom: op ambtenaren is deze Landsverordening niet van toepassing maar dus wel op werknemers die het Land op grond van een privaatrechtelijke rechtsverhouding in dienst heeft. In artikel 16 lid 1 is bepaald: “De vakantieregeling in een arbeidsovereenkomst of arbeidsreglement mag slechts ten voordele van de arbeider van het in deze landsverordening bepaalde afwijken.” Lid 2: “Als niet overeengekomen wordt beschouwd iedere voorwaarde, welke erop gericht is de aanspraak op vakantie geheel of gedeeltelijk afhankelijk te doen zijn van verlenging of wijziging van de arbeidsovereenkomst dan wel het aangaan van een andere arbeidsovereenkomst.” Dus: deze Landsverordening is dwingendrechtelijk van aard en het Gerecht dient deze dan ook ambtshalve toe te passen, ongeacht wat er in de arbeidsovereenkomst anders is vermeld. In artikel 10 lid 1 van deze Landsverordening is bepaald: “De werkgever betaalt de arbeider voor niet genoten vakantie, waarop bij het eindigen van de dienstbetrekking aanspraak bestaat, een bedrag gelijk aan zijn in geld uitgedrukt, ten tijde van dat eindigen geldend loon over het aantal dagen van de niet genoten vakantie.” Gevolg: [de werknemer] heeft recht op de opgebouwde nog niet genoten vakantiedagen. De argumenten van het Land, gebaseerd op de LMA, de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst ambtenaren en het Handbook behoeven dus geen bespreking.

4.4.

Het Land voert voorts aan dat de uitbetaling van de vakantiedagen reeds is verdisconteerd in de schadevergoeding die aan [de werknemer] is toegekend in de beschikking d.d. 21 januari 2015. Dit wordt door [de werknemer] gemotiveerd bestreden. Deze betwisting is terecht zo is het Gerecht gebleken. Als primair verzoek heeft [de werknemer] het Gerecht verzoekt het dienstverband te herstellen, hetgeen is afgewezen. Haar subsidiaire verzoek in die procedure luidt als volgt: “SUBSIDIAIR gedaagde – bij wijze van schadeloosstelling naar billijkheid ex artikel 1615r BW- te veroordelen tot betaling aan eiseres van gederfd inkomen (salaris) c.a. en vakantiedagen gelijk het geval indien de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze beëindigd zou worden bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door eiseres”. Zij vordert dus niet de onderhavige vakantiedagen maar [de werknemer] vordert vakantiedagen als loonbestanddeel, onderdeel uitmakende van haar vermeende toekomstige schade. Het Gerecht heeft over de onderhavige vakantiedagen geen beslissing genomen maar uitsluitend een schadevergoeding naar billijkheid vastgesteld, zoals door [de werknemer] verzocht, zie r.o. 2.8. van de beschikking d.d. 21 januari 2015.

4.5.

Aldus kunnen de vakantiedagen aan [de werknemer] worden toegewezen alsmede de wettelijke rente daarover, nu daartegen geen verweer is ingebracht. Voor toewijzing van de dwangsommen is geen plaats omdat dat niet mogelijk is bij een veroordeling strekkende tot betaling van een geldbedrag.

4.6.

Als in het ongelijk gestelde partij wordt het Land in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

veroordeelt het Land om aan [de werknemer] te betalen het geldelijk netto equivalent van 35,33 vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 augustus 2014 tot de dag van algehele betaling,

veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [de werknemer] begroot op Nafl 50,00 aan griffierecht, Nafl 249,50 aan explootkosten en Nafl 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.