Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2014:6

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
KG 2014/90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslag op goederen bestemd voor openbare dienst, tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, mogelijkheid om nakoming af te dwingen behoort tot de fundamenten van een rechtsstaat, recht op een eerlijk proces ter vaststelling van burgerlijke rechten en plichten, (artikel 6, eerste lid, EVRM)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG van Sint Maarten

Zaaknummer: KG 2014/90

Datum: 4 juli 2014

Vonnisnr: VONNIS IN KORT GEDING

In de zaak van:

1 De openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,

zetelende te Philipsburg, Sint Maarten en

2. De naamloze vennootschap POSTAL SERVICES SINT MAARTEN N.V.

gevestigd te Sint Maarten,

eisers in kort geding,

gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en A.A. Kraaijeveld,

tegen

[gedaagde],

wonende te Sint Maarten,

gedaagde in kort geding,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als het Land, PSS (eisers) en [gedaagde] (gedaagde).

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de onderhavige procedure blijkt uit het verzoekschrift (met producties) van 26 juni 2014 en de aanvullende producties van eisers van 2 juli 2014. Deze stukken waren voorafgaand aan de zitting door de gemachtigde van eisers ingescand en per e-mail aan [gedaagde] toegezonden.

Op 2 juli 2014 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek in kort geding plaatsgevonden, waarbij verschenen zijn het Land bij mr. Kraaijeveld alsmede PSS bij [betrokkene 1 en betrokkene 2], met mr. Kraaijeveld. [Gedaagde] is in persoon verschenen. Partijen hebben de zaak bepleit (eisers door hun gemachtigde voornoemd) aan de hand van hun overgelegde pleitaantekeningen. Op heden is vonnis bepaald.

2 De feiten

Bij de navolgende beoordeling zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

  1. Op 8 oktober 2010 is PSS opgericht. In de oprichtingsakte is [gedaagde] tot bestuurder benoemd. [Gedaagde] heeft met ingang van 1 februari 2013 ontslag genomen.

  2. Bij vonnis van dit Gerecht van 3 juni 2014 (A.R. 2013/74, nummer 113, hierna: het vonnis) zijn eisers onder meer hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van NAf 403.528,02, welk bedrag ziet op de in dit vonnis gebruikelijk en redelijke geoordeelde beloning (waaronder emolumenten) voor de door [gedaagde] verrichte arbeid als bestuurder van PSS, minus de reeds aan hem betaalde voorschotten, alsmede tot betaling enkele andere posten, met een totaal beloop van ruim NAf 430.000,--.

  3. Tegen het vonnis hebben eisers bij akte van 25 juni 2014 hoger beroep ingesteld. Voorts is bij akte van dezelfde datum door eisers een verzoekschrift ingediend, primair tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis op de voet van artikel 272 Rv, subsidiair tot zekerheidsstelling ex artikel 57 Rv. Op zowel het hoger beroep als laatstgenoemd verzoekschrift is nog niet beslist.

  4. [Gedaagde] heeft het vonnis aan eisers doen betekenen op 18 juni 2014. Betaling van hetgeen waartoe eisers waren veroordeeld is uitgebleven. Vervolgens heeft [gedaagde] executoriaal derdenbeslag doen leggen, op 24 juni 2014 ten laste van het Land en op 26 juni ten laste van PSS, in beide gevallen onder de Winward Islands Bank Ltd., (WIB) blijkens de exploiten ‘op alle voor zodanig beslag vatbare vorderingen, gelden, geldswaarden en/of roerende zaken, die geen registergoederen zijn’ die de WIB onder zich heeft en/of uit reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks van eisers zal verkrijgen.

3 Het geschil in kort geding

3.1

Eisers verzoeken (samengevat) het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. te schorsen de tenuitvoerlegging bij voorraad van het door dit Gerecht op 3 juni 2014 tussen partijen gewezen vonnis in de zaak met nummer AR 74/2013 (hierna: het vonnis) te schorsen hangende hoger beroep;

II. op te heffen de op grond het vonnis gelegde executoriale (derden)beslagen, waaronder in elk geval de executoriale derdenbeslagen gelegd door [gedaagde] ten laste van het land en ten laste van PSS onder de Windward Islands Bank Ltd. (WIB) op 24 juni 2014 (hierna: het beslag);

III. kosten rechtens;

Subsidiair:

I. te bepalen dat [gedaagde] gehouden is tot zekerheidsstelling;

II. kosten rechtens.

3.2 [

Gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3

Op de standpunten van partijen en hetgeen over en weer is aangevoerd zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

In de aard van de vordering ligt de spoedeisendheid besloten.

Schorsing tenuitvoerlegging?

4.2

Ten aanzien van de gevraagde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis stelt het Gerecht vast, dat een nagenoeg gelijkluidend verzoek blijkens de stukken van eisers reeds is ingediend op 25 juni 2014 bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof), alwaar op dezelfde datum tevens hoger beroep is ingesteld door eisers tegen het vonnis. Het Hof zal een beslissing geven op het schorsingsverzoek. Daarmee ontvalt het belang van eisers bij een afzonderlijke beslissing van dit Gerecht op dit punt. Het onder I primair verzochte zal dan ook worden afgewezen.

Opheffing van beslag op grond van artikel 436 Rv?

4.3

Ten aanzien van de gevraagde opheffing van het beslag stelt het Gerecht vast, dat op 24 juni 2014 door [gedaagde] executoriaal beslag is doen leggen – kort gezegd – tegoeden/bankrekeningen van het Land onder de WIB en op 26 juni 2014 op tegoeden van PSS onder de WIB.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het beslag is gelegd op goederen die daarvoor niet vatbaar zijn, te weten goederen bestemd voor openbare dienst.

Ingevolge artikel 436 Rv mag geen beslag worden gelegd op goederen, die bestemd zijn voor de openbare dienst. Bij goederen bestemd voor openbare dienst moet het gaan om goederen, zonder welke de openbare dienst niet goed kan functioneren. Dat kunnen ook gelden of banktegoeden zijn. [Gedaagde] heeft gewezen op het feit dat PSS een naamloze vennootschap betreft. Bepalend voor de het antwoord op de vraag of goederen al dan niet bestemd zijn voor openbare dienst is echter niet of de goederen toebehoren aan een overheidsinstantie. Enerzijds omdat niet alle goederen bestemd zullen zijn voor de openbare dienst, anderzijds omdat ook niet-publiekrechtelijke rechtspersonen een publieke taak kunnen uitoefenen. Niet is in geschil dat PSS als privaatrechtelijke rechtspersoon op basis van een concessie taken uitvoert waartoe het land zich heeft verplicht door haar lidmaatschap (samen met Curaçao en Aruba) van de Wereldpostunie en dat daarmee PSS, zoals eisers onweersproken betogen, een publieke taak uitoefent.

4.4

Naar eisers hebben gesteld en door [gedaagde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken, worden (tenminste enkele) van de beslagen WIB bankrekeningen van het Land benut voor onder meer betaling van uitkeringen, salarissen, subsidies en onderhoud van openbare voorzieningen. Ook PSS gebruikt (tenminste enkele) beslagen bankrekeningen voor haar gewone betalingsverkeer. Dergelijke betalingen zijn een essentieel onderdeel te achten van de publieke taken die eisers hebben te vervullen en de betreffende betaalrekeningen behoren daarmee tot de openbare dienst. Het Gerecht overweegt evenwel nader als volgt.

4.5 [

Gedaagde] heeft in brede zin aangevoerd dat eisers voldoende banktegoeden beschikken om zonder belemmering door het beslag de publieke taken uit te voeren en de nodige betalingen te verrichten. In dat kader is aan eisers de vraag voorgelegd of alle beslagen bankrekeningen inderdaad betaalrekeningen betreffen, of dat er bijvoorbeeld ook sprake is van reserves en/of spaarrekeningen. De gemachtigde van eisers gaf te kennen dat er onder het beslag mogelijk ook sprake is van rekeningen met tegoeden die niet direct voor het gewone betalingsverkeer worden aangewend, maar dat hij niet over nadere gegevens daaromtrent beschikt. Daarbij werd zijdens eisers aangevoerd dat ook reserves (uiteindelijk) bestemd zijn voor de openbare dienst. [Gedaagde] heeft er op gewezen dat sinds de beslagen zijn gelegd niet is gebleken van enige acute betalingsproblematiek aan de zijde van eisers.

4.6

Anders dan eisers voorstaan, kan naar het oordeel van het Gerecht niet zonder meer worden aangenomen dat ook rekeningen met reserves, die niet voor het gewone betalingsverkeer worden gebruikt, niet kunnen worden beslagen zonder de uitoefening van de publieke taak te belemmeren. Het Gerecht stelt vast dat eisers hebben nagelaten om te specificeren welke rekeningen door het beslag worden getroffen, althans om aan te geven welke rekeningen in elk geval voor het gewone betalingsverkeer worden benut. Evenmin is een begin van een onderbouwing gegeven van de betalingsmoeilijkheden die zich toch sedert 24 respectievelijk 26 juni 2014, in elk geval meer dan een week hebben voorgedaan met het beslag op -naar gesteld - al deze banktegoeden. Gesteld noch gebleken is bijvoorbeeld dat de grote en urgente post van salarisbetalingen, welke in deze week plaats dienden te vinden, niet konden worden verricht als gevolg van het beslag.

In het bepaalde in artikel 436 Rv ziet het Gerecht gelet op voorgaande onvoldoende grond gelegen tot de verzochte opheffing van het (gehele) beslag zonder bedoelde onderbouwingen, die in het licht van het verweer van [gedaagde] van eisers (tenminste summierlijk) konden worden gevergd.

4.7

Voorts overweegt het Gerecht als volgt. Onderdeel van het debat van partijen op dit punt betreft de vraag (onder verwijzing over en weer naar Rechtbank Leeuwarden, 27 mei 2009, LJN ECLI:NL:RBLEE:2009:BI5222) of aan het Land reeds daarom geen beroep toekomt op het bepaalde in artikel 436 Rv omdat er aan de zijde van het Land sprake is van kennelijke betalingsonwil, zodanig dat deze als onrechtmatig jegens [gedaagde] dient te worden aangemerkt. Daarbij is onder meer in geschil of er rauwelijks beslag is gelegd, zoals eisers betogen, dan wel dat [gedaagde] in meerdere pogingen om eisers tot betaling te bewegen of een regeling te treffen telkens bot heeft gevangen. Aan dit laatste geschilpunt gaat het Gerecht evenwel voorbij, nu zijdens eisers is erkend dat de wil bestaat om te betalen voor zover zij bij onherroepelijk vonnis daartoe zullen worden veroordeeld. Daaruit volgt dat eisers in dit stadium inderdaad nog niet willen betalen, hetgeen zich laat rijmen met het schorsingsverzoek en met het hierna nog te bespreken beroep van eisers op restitutierisico aan de zijde van [gedaagde]. Toch brengt dit het Gerecht op zichzelf niet tot het oordeel dat aan eisers geen beroep op artikel 436 Rv toekomt. Partijen zijn ten gronde verdeeld over de toegewezen vorderingen van [gedaagde]. Tegen het vonnis is door het Land hoger beroep ingesteld, waarop nog zal worden beslist, evenals op het verzoek om een voorlopige voorziening betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in het vonnis. Gelet op dit alles kan in dit stadium niet reeds hierom worden gesproken van kennelijke betalingsonwil in vorenvermelde zin.

4.8

Een geheel ander aspect dat zich hier doet gevoelen en dat, gelet op het betoog van [gedaagde] zoals ter zitting toegelicht over de door hem ervaren onmogelijkheid om eisers tot betaling te bewegen, beoordeling behoeft, is de vraag of eisers überhaupt enige verhaalsmogelijkheid bieden en hoe zich dat verhoudt met hun beroep op artikel 436 Rv. In dat kader acht het Gerecht het volgende van belang.

4.9

Het wettelijk uitgangspunt is dat de schuldeiser recht er recht op heeft dat de hem toekomende prestatie daadwerkelijk wordt verricht. De schuldenaar moet deze prestatie dus kunnen afdwingen. Het afdwingen van de verschuldigde prestatie kan onder meer plaatsvinden door verhaalsexecutie. Ter voorbereiding van dat verhaal (de tenuitvoerlegging van het vonnis) dient het onderhavige beslag.

Vooropgesteld zij dat de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak een integraal onderdeel vormt van het fundamentele recht op een eerlijk proces ter vaststelling van burgerlijke rechten en plichten, zoals dat door artikel 6, eerste lid, van het ook hier te lande geldende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 04-11-1950 (EVRM), wordt beschermd. De mogelijkheid om nakoming af te dwingen behoort tot de fundamenten van een rechtsstaat (zie onder meer EHRM 19 maart 1997, NJ 1998, 434 en Gerechtshof Den Bosch, 11 juli 1995, NJ 1996, 78). Aan eisers kan worden toegegeven dat de betreffende jurisprudentie vooral ziet op situaties waarin een onherroepelijk vonnis is gewezen, hetgeen hier niet het geval is.

4.10

Daarbij moet voor de situatie hier te lande evenwel het volgende worden in aanmerking worden genomen, zoals ter zitting is besproken. Behalve het bepaalde in artikel 436 Rv is thans geldend recht artikel 436a Rv, ingevolge waarvan onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen die toebehoren aan de overheid worden geacht bestemd te zijn voor de openbare dienst. Desgevraagd is zijdens eisers aangegeven dat alle vermogensbestanddelen van het Land en ook van PSS in hun visie tot de openbare dienst bestemd zijn en dat daarmee verhaal op enig goed van de overheid (dan wel niet-publiekrechtelijke rechtspersonen met een publieke taak) feitelijk onmogelijk is. Naar het oordeel van het Gerecht komt daarmee de betekenis van het feit dat het vonnis niet onherroepelijk is voor de thans te verrichten beoordeling in een ander licht te staan, gelet ook op het navolgende.

4.11

Onweersproken gebleven is de stelling van [gedaagde], dat hij thans in persoon procedeert omdat hij van inkomen is verstoken en in een financiële situatie is komen te verkeren waarin hij zich geen advocaat meer kan veroorloven, terwijl het hoger beroep tegen het vonnis nog moet worden behandeld. Eisers hebben geen zekerheid gesteld noch een voorschot betaald op de bedragen waartoe zij bij het vonnis zijn veroordeeld aan [gedaagde] te betalen.

4.12

Gelet op voorgaande overwegingen komt het Gerecht tot het oordeel dat de door het EVRM geborgde rechten in dit geval zodanig dreigen te worden uitgehold, dat het recht op vaststelling (ook in hoger beroep) en verhaal van de civielrechtelijke aanspraken van een burger, [gedaagde], op eisers, derhalve op de (semi)overheid, illusoir zou kunnen worden, want slechts over te hoge drempels bereikbaar. Het Gerecht komt dan ook tot het oordeel dat het beroep van eisers op het bepaalde in artikel 436 Rv in dit geval dient te falen, omdat een onverkort beroep op hierop, gelet op de in gedrang komende rechten van [gedaagde] die door het EVRM worden beschermd, in dit geval misbruik van bevoegdheid aan de zijde van eisers oplevert.

4.13

Slotsom van al het voorgaande is dat het beslag niet op grond van het bepaalde in artikel 436 Rv zal worden opgeheven.

Opheffing beslag wegens misbruik van bevoegdheid aan de zijde van[gedaagde]?

4.14

Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde] misbruik maakt van zijn bevoegdheid door het vonnis op deze wijze, met het leggen van het beslag met het oog op verhaalsexecutie, ten uitvoer te leggen. Van misbruik van bevoegdheid om een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te executeren is immers slechts sprake als de executant, [gedaagde], geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat kan het geval zijn indien:

- het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of

- indien de executie op grond van feiten die nadien zijn voorgevallen of aan het licht gekomen klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde, PSS, een noodtoestand zal doen ontstaan waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Naar het oordeel van het Gerecht kunnen de gronden die eisers naar voren brengen met betrekking tot het vonnis niet leiden tot het oordeel dat dit vonnis klaarblijkelijk berust op een misslag van feitelijke of juridische aard.

4.15

In het vonnis zijn eisers onder meer hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van NAf 403.528,02, welk bedrag ziet op de in dit vonnis gebruikelijk en redelijke geoordeelde beloning (waaronder emolumenten) voor de door [gedaagde] verrichte arbeid als bestuurder van PSS, minus de reeds aan hem betaalde voorschotten.

De kern van het betoog van eisers, dat zich tegen de betreffende overwegingen richt, is dat het vonnis geen stand kan houden nu daarin ten onrechte niet is uitgegaan van het beloningspakket van [gedaagde], dat volgens eisers was ‘uitonderhandeld’ en door de Raad van Commissarissen en aandeelhoudersvergadering bevestigd of bekrachtigd. Voorts richten eisers zich tegen de in het vonnis overwogen aanknopingspunten ter bepaling van een gebruikelijk of redelijk loon voor [gedaagde]. [Gedaagde] bestrijdt deze standpunten en voert aan dat in het vonnis is reeds gemotiveerd een oordeel en beslissing op deze punten is gegeven.

4.16

Naar het oordeel van het Gerecht betreft het thans door eisers aangevoerde geen standpunten of argumenten die niet reeds gemotiveerd zijn betrokken in de overwegingen van het vonnis. Het niet zonneklaar dat de argumenten van eisers, welke voorwerp zullen zijn van beoordeling in hoger beroep, hout snijden en dat het vonnis geen stand zal houden. Evenmin spring als evident uit het door eisers aangevoerde naar voren dat voor zover er het vonnis al misslagen zou bevatten, deze niet kunnen worden hersteld in hoger beroep, bijvoorbeeld door nadere bewijslevering met hetzelfde eindresultaat.

4.17

Voorts voeren eisers aan dat het beslag leidt tot een noodtoestand bij PSS. Daartoe zijn bescheiden overgelegd die zien op de financiële situatie van PSS. Naar het oordeel van het Gerecht zijn dit, zoals [gedaagde] aanvoert, evenwel geen nieuwe feiten, nu niet gebleken is dat deze financiële situatie na het vonnis is ontstaan of aan het licht is gekomen. De overgelegde stukken wijzen veeleer op het tegendeel.

4.18

Op grond van voorgaande is het Gerecht van oordeel dat van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [gedaagde] niet is gebleken. De gevraagde opheffing van het beslag kan dan ook niet op deze grond worden toegewezen.

Conclusie ten aanzien van de gevraagde opheffing

4.19

De gevraagde opheffing van het beslag zal, nu de daartoe aangevoerde gronden niet worden gevolgd, worden afgewezen.

Zekerheidsstelling door[gedaagde]?

4.20

Het Gerecht ziet evenmin aanleiding voor het treffen van een voorziening die ertoe strekt dat [gedaagde] zekerheid moet stellen. Op zichzelf is denkbaar dat zwaarwegende belangen van eisers ( in elk geval van PSS, gelet op haar onweersproken slechte financiële situatie) bestaan bij zekerheid met het oog op restitutierisico. Uit de stellingen van eisers zelf volgt echter de verwachting dat [gedaagde] met de te innen gelden zijn hypotheekschulden zal aflossen. De woning van [gedaagde], waarop deze hypotheken zijn gevestigd, zal - bij ontstentenis van aanknopingspunten voor het tegendeel in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht - vervolgens voldoende te achten verhaal bieden indien de stellingen eisers worden gevolgd. Dat een executoriale verkoop van een woning te veel tijd en geld zal kosten, zoals eisers betogen, volgt het Gerecht niet. Ook dit onderdeel van het gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

Proceskosten

4.21

In het gegeven dat eisers in het ongelijk zijn gesteld ziet het Gerecht aanleiding om eisers te veroordelen in de proceskosten, die evenwel – nu [gedaagde] in persoon procedeert – worden begroot op nihil.

5 Beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding,

5.1

wijst af het gevorderde af en

5.5

veroordeelt eisers in de proceskosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] gerezen, thans begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, op 4 juli 2014, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier, mw. J.F.M. Becker.