Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2014:5

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
KG 2014/38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Sint Maartense zaak – civiel kort geding

Verbod uitlatingen/rectificatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: KG 2014/38

Datum: 29 april 2014

Vonnis No.: VONNIS IN KORT GEDING

In de zaak van:

1 de rechtspersoon naar vreemd recht[eiseres sub 1]

gevestigd te Nevis,

2. [ [eiser sub 2]

wonende in de Verenigde Staten,

3. [ [eiseres sub 2]

wonende in de Verenigde Staten,

-eisers-,

gemachtigde: mr. M.D. van den Brink

tegen

[gedaagde]

wonende te Sint Maarten,

-gedaagde-,

gemachtigde: mr. Ch. de Jong

Eisers worden hierna ook gezamenlijk aangeduid als ‘[eisers].’ en afzonderlijk als ‘[eiseres sub 1]’, ‘[eiser sub 2]’ en ‘[eiseres sub 3]’. Gedaagde zal hierna ook worden aangeduid als ‘[gedaagde]’.

1.Het verloop van het kort geding

Het verloop van het kort geding blijkt uit:

  • -

    het inleidende verzoekschrift van 5 maart 2014 met producties van[eisers].;

  • -

    de brieven overlegging producties van beide partijen van 10 april 2014.

Op 11 april 2014 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden, waarbij [eisers], samen met hun gemachtigde voornoemd en vergezeld van de heer Simon Hopewell, hun Engelse raadsman en mevrouw Daniella Engelhard, die hen bijstond met onder meer vertalingen van het besprokene. [Gedaagde] is bij zijn gemachtigde voornoemd en mr. Janssen verschenen. De gemachtigden van partijen hebben de zaak bepleit en daarbij pleitaantekeningen in het geding gebracht, waarbij mr. De Jong een aanvullende pagina heeft overgelegd als behorende bij productie 8 van [gedaagde]. Op heden is (nader) vonnis bepaald.

2 Het geschil in kort geding

2.1 [

Eisers] vorderen - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat het Gerecht:

I [Gedaagde] te verbieden om uitlatingen te verspreiden met de suggestie dat [eisers] zich schuldig maken aan fraude, corruptie of oplichting, op straffe van een dwangsom;

II [Gedaagde] te bevelen om zijn gedane uitlatingen te rectificeren, op straffe van een dwangsom;

III [Gedaagde] te bevelen om alle interne stukken van [eiseres sub 1 ]waarover hij beschikt aan [eiseres sub 1] terug te geven, op straffe van een dwangsom;

IV [Gedaagde] te verbieden om interne stukken van [eiseres sub 1] te verspreiden, op straffe van een dwangsom;

V kosten rechtens.

2.2 [

Eisers] leggen - kort gezegd - aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op onder meer op 7 juni 2012, 13 januari 2014 en 12 februari 2014 e-mailberichten heeft gezonden aan derden, onder wie zakenrelaties en klanten van [eiseres sub 1] en (bij laatstgenoemde berichten) aan politici, overheidsinstellingen en journalisten in verschillende landen. In deze e-mailberichten heeft [gedaagde] een zevental ernstige doch ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van [eisers] geuit en er blijk van gegeven dat hij over interne stukken van [eiseres sub 1] beschikt, waar hij op onrechtmatige wijze van gebruik maakt. De beschuldigingen zijn hoe dan ook onrechtmatig jegens [eiseres sub 1]. Inperking van de vrijheid van meningsuiting is geboden ter bescherming van de eer en goede naam van [eisers]. [Gedaagde] is een hetze begonnen naar aanleiding van een zakelijk geschil, waarbij [eiseres sub 1]het bedrijf waarvan [gedaagde] bestuurder is [vennootschap], in rechte heeft betrokken. Er is geen rechtens te respecteren belang voor het uiten van de beschuldigingen, die ongefundeerd en onnodig grievend zijn gedaan, terwijl het [gedaagde] vrijstond klachten aan toezichthouders voor te leggen maar hij daarentegen kiest voor het verspreidingen van de beschuldigingen, met het risico om grote schade te berokkenen voor [eisers], aldus – steeds – [eisers].

2.3 [

Gedaagde] betwist de vordering gemotiveerd waarop hierna, waar nodig, zal worden ingegaan.

3 De feiten

  1. [Eiseres sub 1] is een (her)verzekeraar, die in onder meer het Caribische gebied verzekeringen verkoopt betreffende onroerend goed alsmede de maritieme-en luchtvaartsectoren. [Eiser sub 2] en [eiseres sub 3] zijn gehuwd en vormen met [betrokkene 1] het bestuur van [eiseres sub 1]. [Gedaagde] vormt samen met [betrokkene 2], voormalig bestuurder van [eiseres sub 1], het bestuur van [vennootschap].

  2. Op 15 september 2010 is tussen [eiseres sub 1] en [vennootschap] een overeenkomst gesloten waarbij laatstgenoemde als Managing General Agent zou fungeren voor [eiseres sub 1]. Deze samenwerking is beëindigd door [eiseres sub 1] op 7 juni 2011, waarna [eiseres sub 1] in Nevis een gerechtelijke procedure heeft geëntameerd tegen [vennootschap] in Nevis op 28 september 2011. In deze procedure, waarin [eiseres sub 1] van [vennootschap] schadevergoeding wegens fraude vordert ten belopen van ongeveer US$ 500.000, is nog geen vonnis gewezen.

  3. Op 7 juni 2012 is door een afzender onder de naam Victims Demanding Justice, zonder vermelding van het eigen e-mailadres, een e-mailbericht gestuurd aan [betrokkene 3] , een klant van [eiseres sub 1] met als opschrift ‘PRESS RELEASE – INSURANCE FRAUD –[eiseres sub 1] ’, met 11 bijlagen. In dit bericht zijn diverse uitlatingen over [eisers]. opgenomen. Gelijke berichten werden op 15 mei 2012 en 20 mei 2012 aan andere klanten van [eiseres sub 1] gezonden. In opdracht van [eiseres sub 1] is door Cyber Crimes Investigation Services LLC een digitaal forensisch onderzoek verricht, dat heeft geleid tot de door genoemd bureau verwoorde conclusie dat ‘base upon our investigative and forensic reviews we have reason to believe that [gedaagde] is a prime suspect in the authorship and sending of the defamatory e-mails and content.’

  4. Eiseres sub 1 heeft op 25 juni 2012 een brief doen sturen aan [vennootschap] en [betrokkene 2], met de sommatie om geen onrechtmatige uitlatingen meer te doen.

  5. Op 13 januari 2014 is dooreen afzender onder de naam Victims Demanding Justice een e-mailbericht gestuurd vanaf het e-mailadres [e-maildres] : het e-maildres van [gedaagde], aan een groot aantal ontvangers, waaronder klanten en zakenrelaties van [eiseres sub 1] alsmede overheidsinstellingen en journalisten in verschillende landen, met als opschrift: ‘[eiseres sub 1] – OFFSHORE INSURANCE COMPANY , OPERATING ILLEGALY FROM STAFFORD, TEXAS, UNDER THE NOSES OF ALL LAW ENFORMCEMENT, DEFRAUDING PEOPLE WORDLWIDE’. Ook in dit bericht zijn diverse uitlatingen over [eisers]. opgenomen.

  6. Op 7 februari 2014 schrijft de Texas Department of Insurance, afdeling Consumer Protection (hierna: TDI), een brief via e-mail aan ‘[naam]’ op het e-mailadres van [gedaagde], waarin de ontvangst van correspondentie wordt bevestigd en de geadresseerde wordt aangeraden om zich te wenden tot de Financial Services Regulatory Commission te Nevis, omdat TDi zich niet bezighoudt met verzekeringsactiviteiten buiten Texas.

  7. Per e-mailbericht van 12 februari 2014 antwoordt Victims Demanding Justice op de brief van TDi vanaf het e-mailadres van [gedaagde], welk antwoord per e-mail wordt doorgestuurd aan een lange lijst van ontvangers, waaronder klanten en zakenrelaties van [eiseres sub 1] alsmede overheidsinstellingen en journalisten in verschillende landen, met een aangehecht ‘rapport’ onder het opschrift: ‘[Eiseres sub 1] – DEPOSIT (SURETY/GARANTEE/SECURITY) BONDS AND PROPERTY SCANDAL’ met bijlagen, waarin uitlatingen over [eisers] worden gedaan.

4 De beoordeling

4.1

Het Gerecht overweegt en oordeelt voorshands als volgt.

4.2

In de aard van de vordering ligt de spoedeisendheid besloten.

4.3

De uitlatingen in de hierboven onder 3 c, e en genoemde e-mailberichten (hierna: de e-mailberichten) is een zevental beschuldigingen aan het adres van [eiseres sub 1] verwoord. Partijen zijn het eens over het aantal, de aard en de inhoud van deze beschuldigingen. Het betreft (samengevat) de volgende aantijgingen:

1. [Eiseres sub 1] is een organisatie van oplichters, die aan haar klanten onjuiste mededelingen doet over haar financiële situatie en haar vermogen op substantiële uitkeringen te doen. Zij onderbouwt deze misleidende mededelingen met frauduleus opgestelde documenten.

2. Er wordt wereldwijd onderzoek gedaan naar de handel en wandel van [eiseres sub 1], behalve in Nevis en Texas (als gevolg van vriendjespolitiek en desinteresse van de toezichthouders).

3. [Eiseres sub 1] weigert stelselmatig uitkeringen aan haar verzekerden, voert procedures om onder betalingsverplichtingen uit te komen en beroept zich daarbij op fraude, door haar klanten gepleegd.

4. [Eiser sub 2] is de feitelijk bestuurder van [eiseres sub 1], [eiseres sub 3] is slechts zijn stroman.

5. [Eiseres sub 1] opereert zonder vergunning in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk.

6. [Eisers] hebben diverse tegenstrijdige belangen waardoor de belangen van de klanten van [eiseres sub 1] worden geschaad ten gunste van [eiseres sub 1].

7. [Eiseres sub 1]is niet in staat om een credit rating te krijgen.

4.4

Het eerste voorliggende geschilpunt is de vraag of [gedaagde] de afzender is van de e-mailberichten. [Eisers] stellen dat dit het geval is. [Gedaagde] betwist dat hijzelf de afzender is, maar erkent dat de e-mailberichten zijn verzonden door een organisatie waarvan hij deel uitmaakt: een project onder de naam Victims for Justice. [Gedaagde] omschrijft dit als een internationale groep van klokkenluiders met als doel het aan de kaak stellen van misstanden, gepleegd jegens derden.

4.5

Het Gerecht gaat, gelet op de onderbouwing die door [eisers] is gegeven, voorbij aan de betwisting van [gedaagde]. Vast staat immers dat de laatste berichten vanaf zijn e-mailadres zijn gestuurd en dat een daartoe gespecialiseerd onderzoeksbureau ten aanzien van het eerste bericht heeft geconcludeerd dat [gedaagde] de eerste ‘verdachte’ is betreffende het verzenden en de inhoud. Daartegenover stelt [gedaagde] slechts dat hij niet van welke perso(o)n(en) de e-mailberichten afkomstig zijn. Volgens [gedaagde] hebben mogelijk anderen, die deel uitmaken van Victims for Justice, met gebruikmaking van het e-mailadres van [gedaagde] de betreffende berichten hebben verzonden. Indien inderdaad (een) ander(en) van zijn e-mailadres kunnen gebruikmaken had het op de weg van [gedaagde] gelegen om daarover nadere informatie te verschaffen, nu slechts uit zijn eigen summiere en weersproken toelichting volgt dat niet alleen hij maar ook (vele) andere personen onder de naam Victims for Justice opereren. Aangezien deze geboden uitleg is uitgebleven, acht het Gerecht zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. Bij de verdere overwegingen zal dan ook tot uitgangspunt worden genomen dat de e-mailberichten door [gedaagde] zijn verzonden.

4.6

Bij de beoordeling van de vraag of het gevorderde kan worden toegewezen gelden de volgende uitgangspunten. Een verbod en rectificatie, zoals in casu gevorderd, vormen een beperking op het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting dat eenieder, derhalve ook aan [gedaagde], op grond van artikel 10, lid 1, van het ook in Sint Maarten van kracht zijnde Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM) toekomt. De vrijheid van meningsuiting betreft niet alleen de inhoud van meningen, maar ook de vorm waarin zij worden geuit en strekt zich in beginsel ook uit tot uitingen die kwetsend, schokkend of verontrustend (kunnen) zijn. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.

4.7

Bij de beantwoording van de vraag of dit zich hier voordoet staan twee, ieder voor zich hoogwaardige en maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers of rechtspersonen, zoals [eisers]. , om niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen die afbreuk doen aan hun integriteit, geloofwaardigheid, eer en goede naam, en aan de andere kant het belang dat burgers, zoals [gedaagde], zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en/of waarschuwend moeten kunnen uitlaten ter signalering of voorlichting van het publiek omtrent misstanden die de samenleving raken. Het Gerecht verstaat duidt in dit geval het ter kennis van het publiek/in brede kring brengen door het ongevraagd toegestuurde e-mailberichten onder een groot aantal (publieke) personen, waaronder klanten, zakenrelaties, journalisten en diverse instanties als het zich in het openbaar uitlaten.

Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de geuite verdenkingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, de ernst van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak willen stellen, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen, de aard van het medium waarin de uitlatingen zijn gedaan en het gedrag en de positie van de benadeelde.

4.8

In de rechtspraak is verder onderscheid gemaakt tussen feitelijke verklaringen en waardeoordelen. In zijn uitspraak van 11 juli 2006 heeft het Europese Hof van de rechten van de mens ((EHRM) overwogen dat feitelijke verklaringen die de persoonlijke levenssfeer van een ander in negatieve zin raken van een voldoende feitelijke grondslag moeten worden voorzien, om het onrechtmatige karakter daaraan te ontnemen, terwijl dat bij waardeoordelen niet geldt, zij het dat een waardeoordeel excessief kan worden bevonden indien daarvoor een onvoldoende feitelijke basis is (EHRM, 2 november 2006).

4.9 [

Gedaagde] heeft geen (gemotiveerd) verweer gevoerd terzake van het gestelde ongefundeerdheid van de beschuldigingen, hierboven 4.3 aangeduid met de nummers 4 ([eiser sub 2] is de feitelijk bestuurder van [eiseres sub 1], [eiseres sub 3] is slechts zijn stroman); 6 [Eisers] hebben diverse tegenstrijdige belangen waardoor de belangen van de klanten van [eiseres sub 1] worden geschaad ten gunste van [eiseres sub 1] en 7 ([Eiseres sub 1] is niet in staat om een credit rating te krijgen). Het Gerecht zal er in dit kader hierna dan ook van uitgaan dat deze drie publiek geuite beschuldigingen van feitelijke aard niet (voldoende) worden gesteund door het beschikbare feitenmateriaal.

4.10 [

Gedaagde] betoogt evenwel dat de overige vier beschuldigingen, hierboven onder 4.3 aangeduid met de nummers 1, 2, 3 en 5 reëel en met feiten onderbouwd zijn. Toegespitst per beschuldiging overweegt het Gerecht op basis van het over en weer gestelde allereerst als volgt.

Beschuldiging 1

4.11 [

Eisers] stellen dat [eiseres sub 1] alle vergunningen heeft om haar bedrijf uit te voeren, voldoet aan alle kapitaal- en toezichtvereisten , dat haar jaarrekeningen en actuariële rapporten telkens onvoorwaardelijk zijn goedgekeurd en dat zij een juiste voorstelling van zaken over haar vermogen geeft. Volgens [gedaagde] is voldoende door feitenmateriaal gesteund dat [eiseres sub 1] een organisatie is van oplichters en die onjuiste mededelingen over haar vermogen. [Gedaagde] onderbouwt dit verweer door te stellen dat klanten herhaaldelijk om informatie hebben verzocht met betrekking tot de dekking van haar financiele verplichtingen, maar dat de gepubliceerde verslagen niet recent, incompleet of anderszins niet acceptabel waren voor deze klanten. Vooruitlopend op hetgeen in een bodemprocedure zal worden geoordeeld biedt het verweer van [gedaagde] dat in de onderhavige procedure naar voren is gebracht toegespitst op deze beschuldiging thans onvoldoende aanknopingspunten voor de verwachting dat deze beschuldiging voldoende gefundeerd zal worden geacht, zij het dat in hetgeen [gedaagde] overigens naar voren is gebracht nog aanleiding is voor de nadere overwegingen onder 4.17.

Beschuldiging 2

4.13

De vraag of er ten tijde van het uiten van deze beschuldiging ergens ter wereld strafrechtelijk onderzoek werd gedaan naar [eiseres sub 1] laat zich vooralsnog niet met zekerheid beantwoorden. Het Gerecht leidt uit de stukken af dat meerder instanties in verschillende landen door [gedaagde] zijn benaderd met informatie en acht het aannemelijk dat een aantal van deze (enige) instanties opsporingsbevoegdheid hebben. Dat er dus sprake zal zijn van enige dossiervorming, waarop in enige mate onderzoek wordt verricht, is dus voldoende waarschijnlijk. In zoverre kan in dit kader van de gegrondheid van deze beschuldiging worden uitgegaan, waarmee overigens nog niets is gezegd over de uitkomst van die onderzoeken.

Beschuldiging 3

4.12

Volgens [eiseres sub 1] is er geen feitelijke basis voor de beschuldiging dat [eiseres sub 1] stelselmatig uitkeringen aan haar verzekerden weigert, procedures voert om onder betalingsverplichtingen uit te komen en zich daarbij op fraude beroept, door haar klanten gepleegd. Voor [eiseres sub 1] ligt daarbij het accent op het stelselmatige aspect, omdat – samengevat – iedere verzekeraar wel eens uitkeringen weigert en daarover procedeert, bijvoorbeeld in geval van fraude, en dat bij [eiseres sub 1] geen sprake is van afwijkende percentages ten opzichte van de gemiddelden in de verzekeringsbranche. [Gedaagde] acht voldoende feitelijk onderbouwd dat [eiseres sub 1] uitkeringen aan haar verzekerden weigert, en haalt daartoe drie voorbeelden aan (van de volgens [gedaagde] vele mogelijke voorbeelden). Partijen zijn in geschil over vrijwel alle aspecten van de aangehaalde voorbeelden, welke geschilpunten zich niet lenen voor een uitvoerige beoordeling in dit kader. Hoe dan ook stelt het Gerecht vast dat thans slechts door [gedaagde] slechts drie voorbeelden zijn gegeven van het weigeren van uitkeringen, hetgeen in het licht van hetgeen [eisers] onderbouwd hebben gesteld over hun gemiddelden ten opzichte van branchegenoten, ontoereikend moet worden geacht ter staving van de feitelijke beschuldiging dat er stelselmatig door [eiseres sub 1] een uitkeringen worden geweigerd waartoe zij is gehouden, zij het dat in hetgeen [gedaagde] overigens naar voren is gebracht nog aanleiding is voor de nadere overwegingen onder 4.17.

Beschuldiging 5

4.14

Vast staat dat [eiseres sub 1] slechts in Nevis een vergunning heeft voor het exploiteren van het verzekeringsbedrijf. Volgens [eisers] opereert [eiseres sub 1] niet in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk, heeft [eiseres sub 1] daar geen kantoren en behoeft [eiseres sub 1] daartoe dus ook geen vergunning. Dat er weleens post wordt bezorgd aan [eisers sub 2 en 3] op hun privé-adres in Texas of dat verzekeraars in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk weleens doorverwijzen naar [eiseres sub 1] doet daaraan niet af. [Gedaagde] verweert zich in dit kort geding door te zeggen dat voldoende is aangetoond dat er geen vergunning is voor het exploiteren van het verzekeringsbedrijf, anders dan vanuit Nevis. Daarmee is echter geen feitelijke onderbouwing voor de beschuldiging, als verwoord in de e-mailberichten, geboden.

Ten aanzien van het onder I gevorderde

4.15 [

Gedaagde] heeft zich als klokkenluider gepresenteerd, die samen met vele anderen in internationaal verband misstanden aan de kaak stelt ter bescherming van gedupeerde derden of ter waarschuwing van derden. Of zijn beweegreden inderdaad strekt tot bescherming van derden is in geschil: volgens [eisers] betreffen de uitlatingen van [gedaagde] niets anders dan een hetze naar aanleiding van een door [eiseres sub 1] aangespannen geding tegen [vennootschap]. Het Gerecht constateert dat zowel de organisatie waarvan [gedaagde] stelt deel uit te maken als de activiteiten daarvan in nevelen zijn gehuld. Wie die andere leden van de groep zijn en welke andere misstanden door Victims for Justice worden aangepakt is op geen enkele manier uit de doeken gedaan. Daarmee heeft het er thans alle schijn van dat het slechts [gedaagde] betreft die ageert tegen niemand anders dan [eisers]. De rol van klokkenluider lijkt dan ook vooralsnog ondergeschikt te zijn aan de wens om ‘terug te slaan’ naar [eisers] uit onvrede over de zakelijke ervaringen en geschillen die [gedaagde] als bestuurder van [vennootschap] met [eiseres sub 1] heeft en waarover nog een procedure aanhangig is. Dat maakt dat het belang van [gedaagde] in zoverre dient te worden gerelativeerd tegenover het zwaarwegende belang van [eisers] om niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen die afbreuk doen aan hun integriteit, geloofwaardigheid, eer en goede naam. Deze laatste belangen hebben thans dan ook zwaarder te wegen. Dat de reeds geleden of nog te lijden schade daarbij nog niet is uitgewerkt of nader onderbouwd doet daaraan in dit kader niet af. Voldoende aannemelijk is dat [gedaagde], die zich blijkens onweersproken mededelingen ter zitting onlangs tot de politie heeft gewend in verband met de verdenking dat zijdens [eisers] een moordaanslag op hem wordt voorbereid, hetgeen door [eisers] als absurd van de hand wordt gewezen, niet voornemens is om eigener beweging met het publiekelijk uiten van beschuldigingen te stoppen.

4.16

Het Gerecht ziet in vorenstaande voldoende aanleiding voor het gevraagde verbod voor [gedaagde] om uitlatingen te verspreiden met de suggestie dat [eisers] zich schuldig maken aan fraude, corruptie of oplichting en om daaraan een dwangsom te verbinden, zij het dat deze dient te worden gematigd en gemaximeerd als hierna te bepalen.

Rectificatie?

4.17

Voor de vraag of er een rectificatie dient te worden bevolen ligt het evenwel anders. De gevraagde rectificatie slaat op alle uitlatingen die [gedaagde] heeft gedaan in de e-mailberichten. Deze vordering heeft een te ruime strekking om te worden toegewezen, gelet op vorenstaande overwegingen en het grote aantal beweringen dat in deze e-mailberichten is gedaan. Een rectificatie van een selectie van uitlatingen is thans bezwaarlijk te maken, waarbij niet alleen voorgaande overwegingen een rol spelen maar ook de onzekere uitkomst van de bodemprocedure, waarop hiervoor slechts op basis van hetgeen thans over en weer per beschuldiging is aangevoerd is vooruitgelopen.

In een bodemprocedure zal naar het zich laat aanzien in elk geval (onder meer) nog moeten beoordeeld wat de betekenis is van het vonnis van het Central District Court, 10 augustus 2010, waarin [eiseres sub 1] is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [betrokkene 4]., waarbij is overwogen: ‘ Accordingly, it is apparent that the defendant did not have intent or the ability to pay the reinsurance proceeds when de defendant entered into the reinsurance agreements with the plaintiff. The Defendant defrauded the Plaintiff of 4,200,408.14 US Dollars of reinsurance premium by deceiving the Plaintiff as if it had sufficient financial ability as well as the intent to pay the reinsurance proceeds.’

Volgens [eisers] betreft het een verstekvonnis waartegen een rechtsmiddel is aangewend, hetgeen door [gedaagde] is weersproken.

Voorts zullen de overige door partijen aangehaalde procedures en de daarin gegeven vonnissen en oordelen, onder meer betreffende een valselijk opgemaakt document van [bankinstelling], in de bodemprocedure te worden beschouwd, naast andere geschilpunten, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de beschuldigingen van [gedaagde].

Een selectie van uitlatingen die dienen te worden gerectificeerd ligt dan ook vooralsnog niet in de rede. Om een bevel tot gedeeltelijke rectificatie is door [eisers] ook geen toegespitst en uitgewerkt (subsidiair) verzoek gedaan, mogelijk omdat daarvan - ongewild - de boodschap kan uitgaan dat de overige beweringen in de e-mailberichten gefundeerd zijn bevonden. In het licht van al het voorgaande acht het Gerecht toewijzing van het verzochte betreffende de rectificatie thans niet geboden.

Bevel afgifte interne stukken en verbod verspreiding daarvan

4.18

Hoewel [gedaagde] op dit punt geen verweer heeft gevoerd, acht het Gerecht het gevraagde onvoldoende bepaalbaar om voor toewijzing in aanmerking te komen. In het petitum noch in het lichaam van het verzoekschrift is concreet aangegeven om welke stukken het gaat, terwijl [eisers] op basis van haar eigen stellingen voldoende inzicht heeft om daarover een concreter verzoek te formuleren. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.19

Het Gerecht zal dan ook beslissen als hierna gemeld.

4.20

In het gegeven dat partijen over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat ieder de eigen kosten draagt.

5 De beslissing in kort geding

Het Gerecht:

5.1

verbiedt [gedaagde] om, rechtstreeks dan wel door middel van een op een op enigerlei wijze met hem verbonden rechtspersoon, uitlatingen te verspreiden waarbij direct of indirect wordt gesteld of gesuggereerd dat [eisers] zich schuldig maken aan fraude, corruptie of oplichting, op straffe van een dwangsom van US$ 15.000,00 voor ieder overtreding van dit verbod, met een maximum van US$ 300.000,00;

5.2

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder der partijen de eigen kosten draagt en

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit kort geding vonnis is gewezen door mr. K. Mans, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 29 april 2014.