Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2014:3

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
07-04-2014
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
Lar 96/2013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Sint Maartense zaak, bestuursrecht

Tijdelijk verbod tot uitoefening van de geneeskunst, legaliteistbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak

Uitspraak : 7 april 2014

Zaaknummer : Lar 96/2013

Uitspraaknr. :

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

[eiseres]

eiseres, gemachtigde: mr. J.C.M. Vogelpoel

en:

De INSPECTIE VOOR DE VOLKSGEZONDHEID VAN SINT MAARTEN verweerster, gemachtigde: mr. J.G. Bloem

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van 20 juni 2013 waarbij verweerder aan eiseres een tijdelijk verbod tot uitoefening van de geneeskunde heeft opgelegd.

2 Het verloop van de procedure

Bij beroepschrift (met producties) van 17 juli 2013, op dezelfde dag ontvangen ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier, heeft eiseres voorwaardelijk beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).

Op 9 oktober 2013 zijn van de zijde van eiseres aanvullende producties ontvangen.

Op 11 oktober 2013 is een verweerschrift (met producties) ingediend.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 14 oktober 2013. Eiseres is verschenen met haar gemachtigde voornoemd, en verweerster bij E.A.W. Best, Inspecteur Generaal (hierna: de Inspecteur) alsmede de gemachtigde voornoemd, die de standpunten over en weer nader hebben toegelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

Partijen hebben vervolgens nader schriftelijk hun standpunten uiteengezet, eiseres op 1 november 2013 en verweerster op 11 november 2013.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 18 november 2013, alwaar in aanweigheid van alle eerdergenoemden de zaak verder is besproken. Het onderzoek is vervolgens gesloten, zij het dat partijen ten laatste maal de gelegenheid hebben gekregen om een regeling in der minne te beproeven.

Nadat partijen het Gerecht nadien kenbaar hebben gemaakt dat zij uitspraak wensten, is uitspraak bepaald op heden.

3 De beoordeling

Feiten

3.1

Het Gerecht gaat uit van de navolgende vaststaande feiten:

- Eiseres is sinds [datum] werkzaam als huisarts hier te lande en heeft een eigen huisartsenpraktijk te [adres].

- Op 16 mei 2013 en op 3 juni 2013 is vanwege verweerster door onder meer de Inspecteur een bezoek gebracht aan eiseres. Van dat laatste bezoek is door de Inspecteur proces-verbaal opgemaakt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

‘(...) Tijdens het gesprek wordt herhaaldelijk op nogal geïrriteerde en agressieve wijze door XXX aangegeven dat zij niet inziet waarom zij niet van haar patiënten kan eisen dat deze contant betalen voor consultaties en recepten. Het is allemaal de schuld van het SZV en de overheid. Ze wordt al jaren slecht betaald door de SZV, voorheen BZV/SVB en vindt niet dat het SZV een verzekeraar is. Ze hebben geen polisvoorwaarden en communiceren niet met de artsen. Ze geeft aan niet te snappen waarom de overheid gemeenschapsgeld verspilt en blijft investeren in SZV. Hierover heeft zij een brief aan de minister geschreven in April j.l., waarin zij aangeeft naar het OM te zullen stappen en persoonlijk afrekent met een ieder die haar besteelt of slecht behandelt.

Ze is hierover naar het OM op donderdag 30 Mei geweest. Op de vraag met welk doel zij naar het OM is gestapt wordt geen duidelijk antwoord verkregen.

Door mij wordt diverse malen aangegeven dat er klachten zijn ingediend bij de Minister, het SZV en de Inspectie over de bejegening van patiënten. Ook wordt het feit aangehaald dat zij in 2012 bezoek heeft ontvangen van de Inspectie, omdat ze weigerde recepten te ondertekenen.

Haar wordt duidelijk gemaakt dat de Inspectie van haar eist dat zij zich psychiatrisch laat evalueren om een objectief oordeel te kunnen geven over haar geestelijke gesteldheid en de door haar geschreven brieven en ingediende klachten.

Dit wordt door XXX na diverse pogingen mijnerzijds en van Inspecteur Connor, categorisch geweigerd. Zij geeft aan dat wij naar een psychiater toe moeten om ons te laten onderzoeken. (....)’

- Bij uitspraak van 22 augustus 2013 van dit Gerecht (Lar 2013/95, uitspraaknummer 75) is bij wijze

van voorlopige voorziening de bestreden beschikking geschorst, omdat het – kort gezegd – het Gerecht niet was gebleken van een wettelijke grondslag voor de opgelegde maatregel van het tijdelijke beroepsverbod.

De bestreden beschikking

3.2

In de bestreden beschikking is als volgt door verweerster overwogen:

‘(...) Na het eerste bezoek op 16 mei 2013 heeft de Inspectie u op 3 juni 2013 een vervolgbezoek gebracht naar aanleiding van diverse klachten, afkomstig van patiënten, de minister, het SZV en de door u geschreven brieven over het afgelopen half jaar. Daarnaast heeft u op 24 oktober 2013 van de Inspectie een waarschuwing ontvangen met betrekking tot uw voorschrijfgedrag waarbij u weigerde uw handtekening te plaatsen onder de door u geschreven recepten.

Tijdens ons laatste bezoek op 3 juni 2013 hebben wij alle aspecten van de gerezen problematiek rondom uw functioneren als arts wederom uitvoerig met u besproken. Van dit gesprek is een proces-verbaal opgemaakt dat u bijgevoegd aantreft. (...)

Op grond van een grondige evaluatie van de klachten, uw functioneren als arts en de aanwijzingen die de inspectie heeft verkregen met betrekking tot uw geestesgesteldheid acht de Inspectie het niet langer verantwoord dat u geneeskundige zorg (i.c. huisartsenzorg) verleent. De Inspectie is belast met het toezicht op de Volksgezondheid (LV Inspectie PB 2003 no. 8 art.2, art. 11) en heeft besloten u een tijdelijk verbod tot de uitoefening van de geneeskunde op te leggen ingaande 24 juni 2013 tot nader order.

Op grond van de LV Regelende de uitoefening van de Geneeskunde (PB 1958 no. 174) bent u weliswaar bevoegd, doch acht de Inspectie u op dit moment niet bekwaam tot de uitoefening van de geneeskunde.

Het verbod zal niet eerder heroverwogen worden, dan nadat de Inspectie een psychiatrisch rapport van een door haar aan te wijzen onafhankelijke psychiater heeft ontvangen over uw geestesgesteldheid en uw bekwaamheid de geneeskunde op verantwoorde wijze uit te kunnen oefenen. (...)’

3.3 Met het onderhavige beroep keert eiseres zich tegen de bestreden beschikking en verzoekt zij het Gerecht om haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en verweerster te bevelen het tijdelijk verbod op te heffen, met veroordeling van verweerder in de kosten van deze procedure. Daartoe voert eiseres - kort samengevat - het volgende aan. De bestreden beschikking is in strijd met het geschreven recht, meer in het bijzonder met de Landsverordening inspectie voor de volksgezondheid, alsmede met het ongeschreven recht, meer in het bijzonder het motiveringsbeginsel, de geboden individuele belangenafweging en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Bevoegdheid

3.4 Allereerst is de orde de vraag of verweerster al dan niet bevoegd is tot en/of er een wettelijke grondslag bestaat voor het opleggen van een tijdelijk beroepsverbod. Zoals blijkt uit de hierboven opgenomen weergave in de bestreden beschikking heeft verweerster zich daarin beroepen op de artikelen 2 en 11 van de Landsverordening van 18 december 2002, houdende regels inzake de inspectie voor de volksgezondheid (hierna: de Lv inspectie voor de volksgezondheid) en voorts verwezen naar de Landsverordening van 19 december 1958 regelende de uitoefening van de geneeskunde (hierna: de Lv uitoefening geneeskunde).

In deze procedure heeft verweerster dit nog als volgt (samengevat) aangevuld en toegelicht. Uit artikel 2 van de Lv inspectie voor de volksgezondheid , in samenhang gelezen met artikel 21 van de Staatsregeling, volgt dat de overheid toezicht houdt op de volksgezondheid en de gezondheidszorg, welk toezicht aan verweerster is geattribueerd. Daarmee is verweerster de bewaker van onder meer de kwaliteit van de medische zorgverlening. In dat kader is aan verweerster ook de bevoegdheid toegekend tot het geven van aanwijzingen en tot het nemen van bestuurlijke sanctiemiddelen/het toepassen van bestuursdwang (artikel 14 en artikelen 15 tot en met 23 van de Lv inspectie voor de volksgezondheid). Een van de onderwerpen waarop verweerster aldus toezicht moet houden en de naleving van de regels dient te handhaven, betreft de kwaliteits- en vakbekwaamheidseisen van geneeskundigen. In de artikelen 1 en 2, gelezen in samenhang met artikel 5 van de Lv uitoefening van de geneeskunde is dit uitgewerkt. Daaruit volgt dat verweerster het bewijs van bevoegdheid viseert alvorens de betreffende geneeskundige zijn praktijk kan uitoefenen. Bekwaamheid van een arts vergt evenwel niet alleen een diploma, maar ook een mentale gezondheid. Zoals in jurisprudentie van de Hoge Raad is uitgemaakt omvat de bevoegdheid het gehele gebied der geneeskunst, ook de daarbij gebezigde middelen en toegepaste methodes. Psychisch gestoorden zijn niet goed in staat om kwalitatieve medische zorg te verlenen, zoals internationaal is aanvaard en als ongeschreven regel heeft te gelden. Nu verweerster expliciet bevoegd is tot bepalen van de bevoegdheid voor de beroepsuitoefening door het viseren van het bewijs van bevoegdheid heeft zij ook impliciet de bevoegdheid bekwaamheidseisen te (blijven) stellen. Deze samenhangende regels bieden de wettelijke grondslag voor de taken bevoegdheden van verweerster. Daarbij de opgelegde maatregel is te duiden als bestuursdwang op grond van artikel 15 van de Lv inspectie voor de volksgezondheid, toegepast om uitoefening van de geneeskunst door eiseres te beletten totdat zij daartoe wederom de bekwaamheid verkrijgt. Aldus - steeds - verweerster.

3.5 Volgens eiseres - in essentie - biedt artikel 15 van de Lv inspectie voor de volksgezondheid geen wettelijke basis voor de bestreden beschikking en de daarin door verweerster gebruikte bevoegdheid. Voor zover dit al als bestuursdwang kan worden aangemerkt, volgt uit de wetsgeschiedenis dat de maatregelen in genoemde bepaling slechts kunnen worden opgelegd indien er sprake is van ernstige misstanden, waarvan niet is gebleken. Artikelen 1 en 2 van de Lv inspectie voor de Volksgezondheid noch artikel 21 van de Staatsregeling attribueren enige bevoegdheid aan verweerster als thans gebruikt, aldus -steeds - eiseres.

3.6 Het Gerecht overweegt als volgt. Voor de beoordeling van bovenvermeld geschilpunt zijn verschillende regelingen van belang en/of door partijen genoemd en besproken.

Staatsregeling

In artikel 21, eerste lid, van de Staatsregeling van Sint Maarten is bepaald dat de overheid maatregelen treft ter bevordering van de volksgezondheid.

Lv uitoefening geneeskunde

In deze landsverordening is in artikel 2 bepaald dat tot de uitoefening van de geneeskunde in haar volle omvang zijn bevoegd (onder meer) degenen die de op de daartoe voorgeschreven wijze de hoedanigheid van arts hebben verkregen. Daarbij is verwezen naar de wet van 25 december 1878 (Stbl. 222) of de regeling, welke ter vervanging daarvan wordt gesteld. Ingevolge artikel 5 doen geneeskundigen alvorens de praktijk uit te oefenen hun bewijs van bevoegdheid viseren door de Inspecteur Generaal.

Het Gerecht stelt overigens vast dat deze landsverordening is ingetrokken ingevolge artikel 54, aanhef en onder c, van de In de Landsverordening van 23 december 2009 inzake beroepen en beroepsuitoefening in de gezondheidszorg, P.B. 2009, no. 69 (hierna: Lv big), maar dat deze hier te lande op 10 oktober 2010 toch wederom is vastgesteld (laatstelijk: AB 2013, GT no. 236).

Lv inspectie voor de volksgezondheid

In de Lv inspectie voor de volksgezondheid is onder meer het volgende bepaald.

Ingevolge artikel 2 heeft verweerster tot taak (onder meer) het toezicht op de naleving van de wettelijke regelingen op het gebied van de volksgezondheid waaronder begrepen de gezondheidszorg. Bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen van 25 september 2006 ter uitvoering van de artikelen 2, derde lid, en 4, eerste lid, van de Lv inspectie voor de volksgezondheid (P.B. 2003, no. 8) zijn ter zake van deze taken nadere regels gesteld. In deze nadere regeling wordt voorzien in een afdeling Inspectie Gezondheidszorg, die onder meer tot taak heeft het houden van toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de volksgezondheid, waaronder begrepen de gezondheidszorg en het houden van toezicht op de kwaliteit van de gezondheidszorg.

In hoofdstuk 4, Handhaving, is bij de bepalingen onder Toezicht onder meer opgenomen artikel 11, op grond waarvan met het toezicht op de naleving van wettelijke regelingen op het gebied van de volksgezondheid zijn belast de bij landsbesluit aangewezen medewerkers van verweerster.

Ingevolge artikel 14 is verweerster bevoegd tot het geven van aanwijzingen ten einde de naleving van de wettelijke voorschriften op het gebied waarvan aan verweerster toezichthoudende bevoegdheden zijn toegekend te garanderen.

Ingevolge artikel 15 (onderdeel van § 2. Bestuursdwang) is verweerster bevoegd tot het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met de in de onderscheiden landsverordeningen de volksgezondheid betreffende en de daarop berustende bepalingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Lv big

In de Lv big is onder meer het volgende bepaald.

Ingevolge artikel 2 is het een medische beroepsbeoefenaar verboden beroepsmatig handelingen te verrichten op het gebied van de gezondheidszorg indien hij niet is geregistreerd of aangemeld. Een medische beroepsbeoefenaar is slechts bevoegd binnen het gebied van zijn deskundigheid handelingen op het gebied van de gezondheidszorg te verrichten. Ingevolge artikel 3 dienen medische beroepsbeoefenaren een opleiding te hebben afgerond die voldoet aan de daaraan gestelde opleidingseisen.

Ingevolge artikel 5 is er voor de medische beroepsbeoefenaren, die aan de opleidingseisen voldoen, een register, waarin zij worden geregistreerd. Deze registers worden beheerd door de verweerster. Blijkens artikel 6 beslist verweerster op verzoeken om registratie. De registratie kan, voor zover daartoe gegronde aanleiding bestaat, worden beperkt voor wat betreft de geldigheidsduur van de registratie en de bevoegdheid tot de uitoefening van het beroep. Ingevolge de artikelen 7 en 8 kan de registratie worden geweigerd of doorgehaald indien (onder meer) de verzoeker ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis of jegens verzoeker een maatregel, berustende op een rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, van kracht is, op grond waarvan hij zijn rechten ter zake van de uitoefening van het desbetreffende beroep geheel of gedeeltelijk dan wel tijdelijk of blijvend heeft verloren.

Ingevolge artikel 29 biedt een medische beroepsbeoefenaar zorg aan die verantwoord is. Zorg is slechts verantwoord te achten als die ten minste wordt verleend op basis van deskundigheid, van een goed niveau is, doeltreffend, doelmatig, patiëntgericht en afgestemd op de reële behoefte van de patiënt. In artikel 30 is bepaald dat een medische beroepsbeoefenaar zijn beroepsuitoefening op zodanige wijze organiseert en zich zodanig van materieel voorziet, dat een en ander leidt of redelijkerwijze moet leiden tot verantwoorde zorg. Het uitvoeren daarvan omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg.

Ingevolge artikel 31 kan verweerster, indien zij van oordeel is dat voldoende waarborgen voor de bij of krachtens deze landsverordening beoogde kwaliteit van de medische beroepsuitoefening ontbreken, na een voorafgaande schriftelijke waarschuwing, bij het voortduren van de ongewenste situatie, bij gemotiveerde beslissing, gehoord de belanghebbende, bij wijze van voorlopige voorziening besluiten tot tijdelijke doorhaling van de registratie of aanmelding in het register.

Tuchtrechtspraak

In de Eenvormige landsverordening van 4 maart 1957 houdende regeling van de tuchtrechtspraak over personen, die de geneeskunst uitoefenen, zomede over apothekers (hierna: de Lv medische tuchtrechtspraak) is in artikel 7 expliciet voorzien in de maatregelen die het Medisch Tuchtcollege kan opleggen, waaronder schorsing in de uitoefening van de geneeskunst voor ten hoogste een jaar en ontzegging van de bevoegdheid om de geneeskunst uit te oefenen. Ingevolge artikel 12 van de Lv medische tuchtrechtspraak kan een zaak voor het Medisch Tuchtcollege aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van (onder anderen) verweerster.

Inhoudelijke overwegingen

3.7

Het Gerecht verwijst allereerst naar hetgeen reeds bij uitspraak in voorlopige voorziening is overwogen, welke overwegingen hier worden ingelast en overgenomen:

‘(…) 3.1 Het Gerecht stelt voorop dat het Sint Maarten een democratische rechtsstaat is. Eén van de belangrijkste elementen hiervan is dat elk burgers belastend overheidsoptreden op de wet dient te berusten: het legaliteitsbeginsel. Dit overheidsoptreden dient ook in overeenstemming met de wet te zijn. Dit beginsel voorkomt willekeur en bevordert voorspelbaarheid, rechtszekerheid en gelijkheid. Voor zover de Inspectie aanvoert dat op grond van het ongeschreven recht burgers belastende maatregelen mogen worden getroffen, waaronder ten laste van XXX, is dit betoog in algemene zin dus onjuist.

3.2

Het Gerecht overweegt verder dat onderkend moet worden dat een (wettelijke) taakstelling nog geen bevoegdheid voor een overheidsambt, waaronder de Inspectie, meebrengt om voor burgers belastende handelingen te treffen.

3.3

Het aan XXX opgelegde beroepsverbod, zoals de Inspectie dit verbod zelf heeft omschreven, is volgens de Inspectie gebaseerd op artikel 15 van de Landsverordening inspectie volksgezondheid 2002 in verbinding met de artikelen 1 en 2 van de Landsverordening uitoefening geneeskunde 1958. Ook beroept de Inspectie zich op het eerste lid van artikel 21 van de Staatsregeling van Sint Maarten 2010: (…) De overheid treft maatregelen ter bevordering van de gezondheidszorg.

3.4

Allereerst is het Gerecht voorshands van oordeel dat artikel 21 lid 1 van de Staatsregeling van Sint Maarten geen enkele bevoegdheid attribueert aan de Inspectie. Artikel 21 van de Staatsregeling bevat een sociaal grondrecht en benadrukt het grote belang van de volksgezondheid in de samenleving van Sint Maarten, maar kent geen bevoegdheden toe aan bestuursorganen ook niet aan de Inspectie.

3.5

Ook de artikelen 1 en 2 van de Landsverordening uitoefening geneeskunde 1958 kennen niet aan de Inspectie de bevoegdheid toe om een beroepsverbod voor een huisarts, of een ander die de geneeskunst uitoefent, op te leggen. Ook als de voorschriften van artikelen 1 en 2 van de Landsverordening uitoefening geneeskunde 1958 worden gelezen in samenhang met artikel 15 van de Landsverordening inspectie volksgezondheid 2002 kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat op grond van deze voorschriften geen bevoegdheid aan de Inspectie is toegekend om een beroepsverbod voor bepaalde of onbepaalde tijd op te leggen aan degenen die de geneeskunst uitoefenen waaronder XXX. Immers, niet is gebleken dat XXX op grond van de artikelen 1 en 2 van de Landsverordening uitoefening geneeskunde 1958 de bekwaamheid dan wel de bevoegdheid om de geneeskunst uit te oefenen heeft verloren of mist. Elke onderbouwing waarom XXX op grond van deze voorschriften de bevoegdheid dan wel bekwaamheid heeft verloren om als huisarts in Sint Maarten werkzaam te kunnen zijn, is achterwege gebleven. De bestreden beschikking vermeldt deze artikelen niet zodat het Gerecht er voorshands vanuit moet gaan dat ook de Inspectie ten tijde van het nemen van de beschikking de bepalingen van de artikelen 1 en 2 niet op het oog heeft gehad (vergelijk in dit verband artikel 16 lid 1 van de Landsverordening inspectie gezondheidszorg 2002).

3.6

Voor zover nog beroep wordt gedaan op alleen artikel 15 van de Landsverordening inspectie gezondheidszorg 2002 treft ook dit beroep geen doel. Immers, deze bepaling kent aan de Inspectie een bestuursdwangbevoegdheid toe die uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid slechts betrekking heeft op feitelijk handelen dat ongedaan moet worden gemaakt hetgeen met het opleggen van een beroepsverbod niet het geval is. Verder blijkt uit deze bepaling dat voor de rechtsgeldige toepassing van deze bestuursdwangbevoegdheid vereist is dat in strijd wordt of is gehandeld met een landsverordening de volksgezondheid betreffende. Als zodanig kan in elk geval niet gelden de door de Inspectie aangehaalde Landsverordening uitoefening geneeskunde 1958 zoals hiervoor reeds door het Gerecht is vastgesteld.(…)’

Op dezelfde voet oordeelt het Gerecht ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 14, 16 en verder van de Lv inspectie voor de volksgezondheid dat dit niet de geboden wettelijke basis biedt voor het opleggen van de maatregel van een tijdelijk beroepsverbod, nu daarin in de bevoegdheid daartoe niet is voorzien.

3.8

Evenmin wordt gevolgd de redenering dat op basis van artikel 5 van de Lv uitoefening geneeskunde, ingevolge waarvan geneeskundigen alvorens de praktijk uit te oefenen hun bewijs van bevoegdheid doen viseren door de Inspecteur Generaal, geconcludeerd moet worden dat aan verweerster is geattribueerd de vaststelling van de bevoegdheid tot beroepsuitoefening aan de hand van kwaliteitseisen en dat verweerster op die grond ook bevoegd is om de beroepsuitoefening te verbieden wegens het niet (meer) voldoen aan die kwaliteitseisen. Aan enkel de aangehaalde bepaling betreffende het viseren van het diploma van de arts, daargelaten dat het de Inspecteur Generaal betreft en niet verweerster als zodanig, kan niet een zo ruime en vergaande betekenis worden toegekend.

3.9

Het Gerecht stelt vast overigens vast dat verweerster in elk geval wel bevoegd is tot het aanhangig maken van een zaak door indiening van een klacht bij het Medisch Tuchtcollege, welk college op zijn beurt in elk geval bevoegd is tot schorsing of een beroepsverbod. Gesteld noch gebleken is dat verweerster van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

3.10

Het Gerecht ziet zich evenwel gesteld voor de vraag welke betekenis in het onderhavige geval toekomt aan de bepalingen in de Lv big. Allereerst ligt in algemene zin de vraag voor hoe de Lv big zich verhoudt tot de Lv uitoefening van de geneeskunde (zie de hierboven opgenomen overwegingen betreffende het regelgevingskader). Voorts dient te worden bezien hoe de onderhavige opgelegde maatregel zich verhoudt met het bepaalde in de Lv big, in het bijzonder met artikel 31 van de Lv big, waarin is voorzien in de bevoegdheid van verweerster tot tijdelijke doorhaling van de registratie van de betrokken arts. Tenslotte dient te worden uitgemaakt wat de betekenis is van de artikelen 7 en 8 van de Lv big. Uit deze bepalingen is immers af te leiden dat een medisch beroepsbeoefenaar zijn rechten ter zake van de uitoefening van zijn beroep geheel of gedeeltelijk dan wel tijdelijk of blijvend kan verliezen op grond van een maatregel, berustende op een bestuursrechtelijke beslissing (waarbij de vragen rijzen: van welk bestuursorgaan en op grond van welke bepaling).

3.11

Nu partijen zich nog niet over bovenstaande vragen hebben kunnen uitlaten ziet het Gerecht aanleiding om het vooronderzoek daartoe te heropenen, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen daarover een nadere schriftelijke toelichting te geven als hierna bepaald. Iedere nadere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het Gerecht:

heropent het vooronderzoek;

verzoekt partijen om uiterlijk op 4 mei 2014 aan het Gerecht te doen toekomen, onder gelijktijdige verzending aan de wederpartij, een nadere schriftelijke toelichting aan de hand van de hiervoor onder 3.10 opgenomen vragen en

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Mans, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 7 april 2014.