Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2011:BQ8960

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
R.K. 10/11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling. Verzoeker heeft gemotiveerd beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep is niet weersproken door de officier van justitie of de Minister van Justitie. Het verzoek wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: R.K. 10/11

Datum beschikking: 4 maart 2011

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

BESCHIKKING

op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [datum] 1963 te Saba,

wonende te Saba, thans te Sint Maarten gedetineerd,

hierna te noemen: verzoeker,

bijgestaan door mr. E.F. Sulvaran en mr. S.R. Bommel.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Verzoeker heeft op 15 februari 2011 een verzoek ex artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering ingediend, strekkende tot het, uitvoerbaar bij voorraad, bevelen van het Land Sint Maarten om verzoeker met ingang van 26 februari 2011, op enkel vertoon van het in deze te wijzen vonnis, onmiddellijk in vrijheid te stellen, op verbeurte van een dwangsom van NAfl. 5.000,- voor elk uur of gedeelte van een uur gedurende welke het Land Sint Maarten na vertoon van voornoemd vonnis weigert aan het in deze te geven bevel te voldoen.

1.2 Het verzoek is behandeld in raadkamer van 22 februari 2011 en voortgezet in raadkamer van 1 maart 2011. Bij de behandeling in raadkamer van 22 februari 2011 zijn verschenen verzoeker en zijn raadslieden, mr. E.F. Sulvaran en mr. S.R. Bommel, alsmede de officier van justitie mr. B. den Hartigh. Bij de voortzetting van behandeling op 1 maart 2011 zijn verschenen verzoeker en zijn raadsvrouw mr. S.R. Bommel, de officier van justitie mr. B. den Hartigh, bijgestaan door de vertegenwoordiger van de Minister van Justitie mr. R.F. Gibson jr. en mevrouw I. Chitaroe.

2. De feiten

2.1 Verzoeker is op 9 mei 2009 in verzekering gesteld en op 12 augustus 2009 bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van dit Gerecht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

2.2 Ten aanzien van verzoeker is als vroegste datum voor voorwaardelijke invrijheidsstelling 26 februari 2011 vastgesteld.

2.3 De Minister van Justitie heeft bij ministeriële beschikking van 3 februari 2011, No. 03/VI/MvJ/2011 besloten om verzoeker niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

Overwogen is dat:

- bij verzoeker gedurende zijn detentie, verdovende middelen zijn aangetroffen; dat betrokkene bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak d.d. 12 augustus 2009 werd veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumlandsverordening 1960; dat betrokkene in het verleden en wel op respectievelijk 6 december 1994 en 28 september 2000 ook ter zake van overtreding van de Opiumlandsverordening 1960 werd veroordeeld;

- dat op grond hiervan geacht moet worden dat de kans op recidive bij betrokkene zeer reëel is;

- dat recent (bij ministeriële beschikking d.d. 22 oktober 2010) om bovengenoemde gronden het verzoek tot elektronisch toezicht is geweigerd;

- dat uit de stukken niet blijkt dat sinds het afwijzen van het verzoek om elektronisch toezicht, veranderingen zijn opgetreden in de situatie van betrokkene die zouden kunnen leiden tot een vermindering van de kans op recidive.

3. De standpunten

3.1 Door en namens verzoeker is gesteld dat verzoeker in aanmerking dient te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Verkort weergegeven is aangevoerd dat de eerdere veroordelingen van verzoeker zo lang geleden zijn (16 en 10 jaar geleden) dat ze nu niet meer bij de beoordeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling betrokken dienen te worden. De in oktober 2009 begane misstap van het bezit van een zeer kleine hoeveelheid marihuana is reeds disciplinair bestraft en deze enkele omstandigheid zou niet aan het verlenen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in de weg moeten staan. Na oktober 2009 heeft verzoeker geen drugs meer gebruikt en is zijn gedrag binnen de strafgevangenis blijkens het gedetineerde-evaluatieformulier boven de maat. Hiernaast is door en namens verzoeker een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Van de zijde van verzoeker zijn in dit kader diverse namen genoemd van veroordeelden die ondanks strafrapporten voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld dan wel verlof met elektronisch toezicht zijn vergund. Ook is in dit kader de naam genoemd van een veroordeelde, die zou zijn veroordeeld voor een geweldsdelict, die eveneens eerdere veroordelingen had en die tijdens zijn laatste detentie zowel betrokken was bij een geweldsincident als tweemaal werd betrapt met drugs in zijn bezit. Ook deze persoon zou inmiddels voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld.

3.2 De officier van justitie heeft aangevoerd dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard dient te worden in de onderhavige procedure, nu de procedure van artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering niet bedoeld is voor dergelijke executiegeschillen. Mocht het Gerecht dit verweer verwerpen dan refereert het zich naar het oordeel van het Gerecht.

3.3 Tijdens de behandeling in raadkamer van 1 maart 2011 is namens de Minister van Justitie aangevoerd dat geen sprake is van een situatie waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt, zodat de verzochte voorziening afgewezen dient te worden. Namens de Minister van Justitie is aangevoerd dat de bestreden beslissing zorgvuldig is genomen en dat deze beslissing door het Gerecht terughoudend getoetst dient te worden.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Allereerst wordt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek het navolgende overwogen. Op grond van artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering kan in alle gevallen waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om een zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft. Volgens vaste jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie valt het stadium van de executie binnen het bereik van genoemde strafrechtsbedeling. De voorwaardelijke invrijheidstelling is geregeld in het Wetboek van Strafrecht en kent de bevoegdheid tot verlening van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe aan de Minister van Justitie. Het Wetboek van Strafvordering geeft geen regeling waarmee tegen de bestreden beslissing van de Minister van Justitie kan worden opgekomen. Er bestaat ook daarbuiten geen regeling waarmee de beslissing ter toetsing aan een rechter kan worden voorgelegd. Verzoeker kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen.

4.2 Vervolgens komt de vraag aan de orde of in dit geval het belang van een goede strafrechtsbedeling de invrijheidsstelling van verzoeker dringend noodzakelijk maakt.

4.3 De Minister van Justitie komt een ruime mate van beleidsvrijheid toe bij de beslissing op verzoeken als de onderhavige. Het Gerecht zal de beslissing van de Minister dan ook terughoudend dienen te toetsen. Bij zijn beslissing zal de Minister zich echter wel hebben te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

4.4 In de onderhavige zaak is door en namens verzoeker al tijdens de behandeling in raadkamer van 22 februari 2011, gemotiveerd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Mede om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om hierop gemotiveerd te reageren, is de behandeling van de zaak aangehouden tot

1 maart 2011. Tijdens de behandeling op 1 maart 2011 is het beroep op het gelijkheidsbeginsel zowel door de officier van justitie als namens de Minister van Justitie niet weersproken, hoewel zij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid zijn gesteld. Voor een nieuwe aanhouding van de behandeling om de officier van justitie en de Minister van Justitie nogmaals in de gelegenheid te stellen gemotiveerd verweer te voeren ziet het Gerecht geen aanleiding. Nu niet gemotiveerd is betwist dat de situatie van verzoeker vergelijkbaar is met de situatie van de genoemde andere veroordeelden die wel voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld, wordt geoordeeld dat de Minister van Justitie in redelijkheid niet tot zijn beslissing is kunnen komen. Gelet op de omstandigheid dat de vroegste datum van de voorwaardelijke invrijheidsstelling inmiddels is gepasseerd zal het verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling van verzoeker worden toegewezen.

4.5 Het Gerecht ziet vooralsnog geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, nu het er van uit gaat dat het Land deze beslissing zal uitvoeren.

5. De beslissing:

Het Gerecht:

- beveelt het Land Sint Maarten om verzoeker onmiddellijk, op vertoon van deze beschikking, in vrijheid te stellen;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is op 4 maart 2011 gegeven door mr. M. Keppels, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, in tegenwoordigheid van de griffier.