Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2011:BP9806

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
A.R. 31 / 2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volgens de statuten van PBIA is haar doelstelling het behartigen van de belangen van de gedetineerden in St.Maarten. De vordering zien op deze belangen en dus is zij bevoegd tot het instellen van deze procedure. De vorderingen betreffen gelijke behandeling van de leden met gedetineerden elders binnen de Nederlandse Antillen, dat de datum van invrijheidsstelling drie maanden tevoren beschikbaar wordt gesteld, het Land te gelasten tot het opstellen van een integraal verbeterplan, stopt met het in rekening brengen van elektriciteit, toiletpotten aanbrengt en betere rehabilitatiemogelijkheden gaat verzorgen. Alle vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: A.R. 31 / 2010

Datum: 8 februari 2011

VONNIS

In de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

POINT BLANCHE INMATES ASSOCIATION,

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. S.R. Bommel,

tegen

de openbare rechtspersoon

DE NEDERLANDSE ANTILLEN,

zetelend te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigden: mr. W.A. van Sambeek en mr. M. Le Poole.

Partijen worden hierna aangeduid als “PBIA” en “het Land”.

1. Het verloop van het geding

1.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten van 1 juni 2010;

- de brief met producties d.d. 31 augustus 2010, overgelegd van de zijde van PBIA;

- het faxbericht met producties d.d. 31 augustus 2010, overgelegd van de zijde van PBIA;

- de brief met producties d.d. 22 september 2010, overgelegd van de zijde van het Land;

- het verhandelde tijdens de comparitie van partijen zoals deze is aangevangen op 2 september 2010 en voortgezet op 28 september 2010.

1.2 Vonnis is laatstelijk bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Wat betreft de bevoegdheid van PBIA om onderhavige procedure te voeren wordt overwogen dat artikel 5 van de statuten van PBIA de doelstelling weergeeft. Deze houdt – kort gezegd – in het behartigen van de belangen van de gedetineerden / veroordeelden in Sint Maarten. Nu de vorderingen van PBIA zien op deze belangen, is PBIA bevoegd tot het instellen van onderhavige procedure. De omstandigheid dat geen bestuurs- of verenigingsbesluit is overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat is besloten tot het instellen van deze procedure maakt dit niet anders.

2.2 Het verweer dat PBIA niet ontvankelijk is in de onderhavige procedure omdat gesteld noch gebleken zou zijn dat PBIA middels het voeren van overleg heeft geprobeerd het gevorderde te bereiken, wordt verworpen. Uit de overgelegde stukken en stellingen van partijen blijkt dat partijen ten aanzien van een aantal vorderingen van PBIA reeds eerder procedures gevoerd hebben. In de gegeven omstandigheden is derhalve geen sprake van een situatie waarbij PBIA onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg te bereiken.

2.3 Vervolgens komt het Gerecht toe aan de beoordeling van de verzoeken. Hiertoe wordt het navolgende overwogen.

2.4 Voorop wordt gesteld dat op grond van artikel 3:296 van het Burgerlijk Wetboek hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, wordt veroordeeld, tenzij uit de wet, de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt.

2.5 Wat betreft het gevorderde onder 2 – inhoudende dat de leden van PBIA op gelijke wijze behandeld zullen worden als gedetineerden elders binnen de Nederlandse Antillen en wel binnen 1 maand na het in deze te wijzen vonnis en op straffe van een dwangsom – wordt overwogen dat deze vordering zodanig algemeen is geformuleerd dat niet duidelijk is wat PBIA van het Land vordert en waarom. Voor het Land is het dan ook niet mogelijk om hiertegen een gemotiveerd verweer te voeren. Alleen ten aanzien van het in rekening brengen van elektriciteitsverbruik heeft PBIA een vergelijk getrokken met andere penitentiaire inrichtingen binnen de voormalige Nederlandse Antillen, doch hieraan heeft PBIA een apart verzoek gekoppeld, zodat deze omstandigheid hier kennelijk niet bedoeld wordt. Gelet op het voorgaande zal het gevorderde onder 2 worden afgewezen.

2.6 Onder 3 wordt gevorderd om het Land te gelasten dat de release data van de gedetineerden te Sint Maarten tijdig beschikbaar worden gesteld en wel uiterlijk drie maanden voor de datum van invrijheidsstelling van de betreffende gedetineerde. Deze vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat niet altijd drie maanden voor de datum van invrijheidsstelling deze datum bekend is.

2.7 Onder 4 wordt gevorderd het Land te gelasten tot het aanstellen van werkmeesters en de aanpassing van werkzalen waardoor de uitval van arbeid voor gedetineerden wordt voorkomen, het opstellen van een integraal verbeterplan voor de gehele gevangenis, uitbreiding van het management en de centralisatie van de aansturing, op straffe van een dwangsom.

2.8 Dat er een verplichting in de zin van artikel 3:296 van het Burgerlijk Wetboek bestaat van het Land ten opzichte van PBIA om een integraal verbeterplan voor de gehele gevangenis op te stellen, het management uit te breiden, aansturing te centraliseren of werkzalen aan te passen, is gesteld noch gebleken. Dit onderdeel van de vordering komt derhalve reeds hierom niet voor toewijzing in aanmerking.

2.9 Wat betreft de gevorderde aanstelling van werkmeesters, wordt overwogen dat op grond van de Landsverordening beginselen gevangeniswezen de directeur zorg draagt voor de beschikbaarheid van arbeid voor de gedetineerden, voor zover de aard van de detentie zich daartegen niet verzet. Nog daargelaten de vraag of dit een verplichting van het Land jegens PBIA meebrengt tot het aanstellen van werkmeesters, is niet gemotiveerd gesteld dat er (nog meer) werkmeesters dienen te worden aangesteld om aan de beschikbaarheid van arbeid binnen Point Blanche te kunnen voldoen. Ook dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen. Hierbij is in aanmerking genomen dat het Land gemotiveerd heeft aangevoerd dat er mogelijkheden voor een zinvolle dagbesteding zijn, waaronder de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.

2.10 Ten aanzien van de vordering onder 5 – inhoudende dat Land onmiddellijk dient te stoppen met het in rekening brengen van elektriciteitsverbruik en toiletpotten dienen te worden aangebracht in de cellen van de gevangenis op Sint Maarten, op straffe van een dwangsom – wordt het navolgende overwogen.

2.11 PBIA stelt dat het extra verbruik van elektriciteit in verband met de mogelijkheid van gedetineerden om in de cel televisie te kijken, niet doorberekend mag worden aan de gedetineerden, doch uit de algemene middelen betaald dient te worden. Het Land weerspreekt dit en stelt dat deze kosten samenhangen met het gebruik van de televisie. Het Gerecht is van oordeel dat in beginsel kosten van elektriciteitsverbruik binnen penitentiaire inrichtingen gedragen dienen te worden door het Land. Indien echter een mogelijkheid wordt aangeboden door de penitentiaire inrichtingen om gebruik te maken van een extra voorziening die aanvullende kosten van elektriciteitsverbruik met zich brengt, dan acht het Gerecht het niet zonder meer onrechtmatig als deze kosten aan de gedetineerde die gebruik maakt van deze extra voorziening worden doorberekend. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat het doorberekenen van elektriciteitskosten onrechtmatig moet worden geacht, zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen.

2.12 Wat betreft het aanbrengen van toiletpotten wordt door PBIA gesteld dat bij een vonnis in kort geding van 26 november 2007 is bepaald dat er toiletpotten dienen te komen en dat dit nog steeds niet is gebeurd. Het Land heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat deze beslissing in hoger beroep is vernietigd en dat toen is geoordeeld dat de huidige toiletvoorziening niet in strijd is met de internationaal aanvaardbare minimumnormen. Het Gerecht is van oordeel dat beoordeeld dient te worden of gedetineerden adequaat in staat zijn hun behoeften te doen op een hygiënische wijze. Door PBIA is niet gesteld dat de gedetineerde niet adequaat in staat zijn hun behoeften te doen op een hygiënische wijze. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat een ouderwets toiletsysteem gebruikt wordt, doch van de zijde van het Land is aangevoerd dat er zeer concrete plannen zijn voor renovatie van Point Blanche en dat het vervangen van de hurktoiletten daarvan onderdeel is. Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat thans onvoldoende aanleiding bestaat om het Land te veroordelen tot het aanbrengen van toiletpotten nu de huidige situatie aan de minimaal daaraan te stellen eisen voldoet en een vervanging van de hurktoiletten in de algehele renovatie van Point Blanche plaats zal vinden.

2.13 Ten aanzien van de vordering onder 6, inhoudende het Land te gelasten tot het verzorgen van rehabilitatiemogelijkheden in de vorm van cursussen/opleidingen etc., op straffe van een dwangsom, wordt overwogen dat op grond van artikel 34 van de Landsverordening beginselen gevangeniswezen gedetineerden in de gelegenheid dienen te worden gesteld gebruik te maken van de in het gesticht aanwezige mogelijkheden tot onderwijs, vorming en recreatie. De enkele niet onderbouwde stelling van PBIA dat er geen rehabilitatiemogelijkheden zijn in de vorm van cursussen en opleidingen, wordt door het Land gemotiveerd weersproken. Het Land verwijst hierbij onder andere naar de voortgangsrapportage van mei 2010 van het Rapport betreffende de implementatie en uitvoering van de te nemen verbeteringen na bezoek CPT aan de Nederlandse Antillen en Aruba in juni 2007 van mr. dr. J. de Lange en prof. mr. P.C. Vegter. Gelet op de gemotiveerde betwisting door het Land zal deze vordering worden afgewezen.

2.14 Wat betreft de vordering onder 7, inhoudende de vordering om het Land te gelasten PBIA te compenseren uit hoofde van de overeenkomst, gesloten tussen partijen op 29 oktober 2004 binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis, wordt het volgende overwogen. Tijdens de comparitie van partijen is van de zijde van het Land verklaard dat het document waar de overeenkomst van 29 oktober 2004 op ziet, nog niet gereed is. PBIA stelt dat leden van haar hierdoor nadeel hebben geleden. Waaruit dit nadeel echter bestaat en hoe dit gecompenseerd zou dienen te worden, is echter niet gesteld of gebleken. Nu de onderhavige vordering onvoldoende bepaald is, zal deze worden afgewezen.

2.15 Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van PBIA zullen worden afgewezen. PBIA zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3. De beslissing:

Het Gerecht:

Wijst de vorderingen af;

Veroordeelt PBIA in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van het Land begroot op NAF 1.800,- aan salaris van haar gemachtigde;

Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Keppels, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 8 februari 2011.