Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2010:BO4993

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
KG 158/2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert opheffing van conservatoir beslag, welke in de weg staat tot verkoop van perceel. Gerecht oordeelt dat belangafweging in het voordeel uitvalt van de beslaglegger, indien eiser verkoopt wil zij vertrekken naar het buitenland en zal zij geen verhaal meer bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 22 oktober 2010

Zaaknummer: KG 158/2010

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

VONNIS in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende in Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. Engelsma,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht CAPPS FAMILY LLC,

met gekozen woonplaats in Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok.

Partijen worden hierna tevens aangeduid als [eiser] en Capps.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 6 augustus 2010 ingediende verzoekschrift;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota met producties van Capps;

- de behandeling ter zitting van 15 oktober 2010.

Het vonnis werd bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1 [eiser] en Capps zijn buren in Dawn Beach Estates in Sint Maarten.

2.2 Bij vonnis van 4 november 2008 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (hierna: het GEAvNA) op vordering van [eiser] voor recht verklaard dat Capps jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door grensoverschrijdend een zwembad te bouwen. Verder heeft het GEAvNA Capps veroordeeld – samengevat weergegeven – om op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen negen maanden al hetgeen over de perceelsgrens van [eiser] is gebouwd af te breken. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3 Capps heeft bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof) hoger beroep van dit vonnis doen instellen en van grieven gediend. [eiser] heeft geantwoord en incidenteel geappelleerd. De zaak staat thans op de rol van 5 november 2010 van het Hof voor pleidooi.

2.4 Bij verzoekschrift van 22 april 2009 heeft Capps het Hof verzocht de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 november 2008 te schorsen. Bij vonnis van 26 mei 2009 heeft het Hof de vordering in het incident afgewezen, overwegende dat het belang van [eiser] bij herstel van haar perceel zwaarder weegt dan het belang van Capps bij voortduring van deze toestand totdat op het hoger beroep zal zijn beslist.

2.5 Vervolgens heeft Capps aan het vonnis van 4 november 2008 voldaan; zij heeft afbraak- en verbouwingswerkzaamheden laten verrichten. Capps heeft daarvoor USD 16.500,-- voldaan.

2.6 Na daartoe verkregen verlof, waarin de termijn voor het instellen van de hoofdzaak is gesteld op 14 dagen na het beslag, heeft Capps op 29 juni 2010 conservatoir beslag doen leggen op het aan [eiser] toebehorend perceel.

2.7 Capps heeft dit beslag doen leggen ter verzekering van een vordering op [eiser] die ontstaat indien het Hof het vonnis a quo vernietigt en de vorderingen van [eiser] alsnog afwijst, zodat [eiser] de onnodig gemaakte kosten van USD 16.500,-- te vermeerderen met kosten dient te vergoeden. Deze vordering is vervolgens bij het GEAvNA ingesteld.

3. Het geschil

3.1 [eiser] vordert – samengevat weergegeven – de opheffing van het door Capps gelegde conservatoir beslag, met veroordeling van Capps in de proceskosten.

3.2 Aan haar vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat – zolang het vonnis van 4 november 2008 in stand blijft – geen rechtsgrond voor de vordering van Capps bestaat. Het door Capps ingeroepen recht is ondeugdelijk. [eiser] wil haar perceel verkopen en vertrekken naar het buitenland, zodat haar belang bij opheffing gegeven is.

3.3 Capps voert verweer dat, voor zover van belang, hierna aan de orde zal komen.

4. De beoordeling

4.1 Artikel 705 Rv biedt een eigen rechtsgang ten behoeve van de opheffing van beslagen, welke rechtsgang plaatsvindt in de vorm van een kort geding ten overstaan van het gerecht dat het verlof heeft verleend. Een spoedeisend belang is mede gezien de lage drempel tot het middel van conservatoire beslaglegging in Sint Maarten geen voorwaarde voor toegang tot deze rechtsgang.

4.2 De onderhavige zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat Capps kosten heeft gemaakt om aan het vonnis van 4 november 2008 te voldoen en dat zij hangende het hoger beroep van die uitspraak conservatoir beslag heeft gelegd ter verzekering van de vordering tot schadevergoeding die volgens Capps ontstaat wanneer het vonnis wordt vernietigd. Het is het Gerecht ambtshalve bekend dat Capps bij verzoekschrift ingekomen ter griffie van het GEAvNA op 5 juli 2010 een vordering tot schadevergoeding tegen [eiser] heeft ingesteld. [eiser] is (bij dezelfde gemachtigde als in het onderhavige kort geding) verschenen. Het petitum luidt dat het GEAvNA – indien en voorzover het Hof het vonnis van 4 november 2008 vernietigt en het de vorderingen van [eiser] alsnog geheel of ten dele afwijst – [eiser] veroordeelt tot betaling van USD 16.500,-- te vermeerderen met kosten.

4.3 [eiser] betoogt dat Capps geen vordering op haar heeft. Deze zou eventueel kunnen ontstaan als het Hof het vonnis van de eerste rechter vernietigt, maar dat is een onzekere toekomstige gebeurtenis.

4.4 In een vergelijkbare Nederlandse zaak heeft de Hoge Raad in HR 30 juni 2006, NJ 2007, 483 het volgende overwogen: <i>“Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor (…) is overwogen, heeft te gelden dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, in het geval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer moet worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wél te worden meegewogen. Van de voorzieningenrechter kan overigens niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde hoger beroep.”</i>. De Hoge Raad verwierp het standpunt van de beslagene dat de voorzieningenrechter het beslag in beginsel dient op te heffen, tenzij de beslaglegger aannemelijk maakt dat zijn belangen bij handhaving van het beslag zwaarder wegen dan de belangen van de beslagene bij opheffing daarvan: <i>“Een zodanige regel zou de voorzieningenrechter echter te zeer beperken in de te dezen geboden belangenafweging, waarin alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder omstandigheden die niet de deugdelijkheid van de vordering betreffen ter zake waarvan het beslag is gelegd, zoals de mate waarin het beslag bezwaarlijk is voor de beslagene. Ook in een geval als het onderhavige ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, — waarvoor het afwijzende vonnis in de bodemprocedure, gelet op hetgeen hiervoor in 3.6 is overwogen, dus niet zonder meer beslissend is — of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd (…).”</i>

4.5 Op grond van het voorgaande toetsingscriterium – dat naar het oordeel van het Gerecht tevens geldt in de onderhavige situatie waarin de vordering gericht tegen (thans) de beslaglegger in de bodemzaak is toegewezen – verwerpt het Gerecht de stelling van [eiser] dat het beslag moet worden opgeheven op de grond dat het verlof niet verleend had mogen worden. [eiser] dient zich – blijkens de geciteerde overwegingen – immers te richten op de (on)deugdelijkheid van de vordering van Capps tot schadevergoeding na de door haar verzochte vernietiging van het vonnis in eerste aanleg. Verder heeft [eiser] gesteld dat “de kans dat het vonnis van het GEA in eerste aanleg wordt bevestigd aanzienlijk is en [dat] er in ieder geval geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat nu juist de vernietiging van het vonnis te verwachten is”. Het Gerecht oordeelt dat deze stelling onvoldoende gespecificeerd is om aannemelijk te maken dat de door Capps gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Wat resteert is het gegeven dat GEAvNA in een procedure op tegenspraak de vordering van [eiser] in eerste aanleg heeft toegewezen, maar dat enkele feit – weliswaar op het eerste gezicht een sterke aanwijzing dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door Capps gepretendeerde recht – is tegen de achtergrond van hetgeen in rechtsoverweging 4.4 voorop werd gesteld niet voldoende. De verwijzing van [eiser] – ten slotte – naar het vonnis van 26 mei 2009 van het Hof op het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging baat [eiser] niet, nu het Hof daarin een belangenafweging heeft gemaakt en daarbij – na vooropgesteld te hebben dat de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing dient te blijven – zich omtrent de (on)deugdelijkheid van de vordering van Capps niet heeft uitgelaten en ook niet kon uitlaten omdat deze nog niet aanhangig was.

4.6 [eiser] heeft tevens gesteld dat Capps’ vordering tot schadevergoeding ter verzekering waarvan het beslag is gelegd, ook na eventuele vernietiging van het vonnis a quo door het Hof “toekomstig” en dus thans ondeugdelijk is. Het Gerecht overweegt het volgende. In geval van vernietiging in hoger beroep van een vonnis ontvalt de rechtsgrond aan hetgeen reeds ter uitvoering van dit vonnis is verricht en ontstaat op de voet van artikel 6:203 BW een vordering tot ongedaanmaking van deze prestatie. Met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel kan aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie worden verbonden. Indien de ongedaanmaking inmiddels onmogelijk is geworden, kan de daartoe strekkende vordering niet worden toegewezen. De vraag of en in hoeverre dan plaats is voor schadevergoeding kan evenwel in hoger beroep niet tegelijk met de vordering tot vernietiging van het in eerste aanleg gewezen vonnis aan de orde worden gesteld, nu het daarbij niet gaat om een ‘noodzakelijk en onafscheidelijk gevolg dier vernietiging’ en het bij de vordering tot schadevergoeding kan gaan om vragen die tot ongewenste complicaties en vertraging van de procedure in hoger beroep kunnen leiden, zoals bijvoorbeeld de vragen of de onmogelijkheid van ongedaanmaking aan de geïntimeerde kan worden toegerekend, of oorzakelijk verband bestaat, en in welke vorm en in welke omvang schadevergoeding zou moeten worden toegekend (Vgl. HR 30 januari 2004, NJ 2005, 246).

4.7 In de onderhavige zaak zou ongedaanmaking in beginsel mogelijk zijn door verbouwing van het zwembad in oorspronkelijke toestand, maar dat is niet wat Capps beoogt. Zij wil schadevergoeding bestaande uit de kosten van afbraak en verbouwing van het zwembad ten bedrage van USD 16.500,-- te vermeerderen met kosten. Deze vordering tot schadevergoeding dient Capps blijkens het hierboven vermelde arrest van de Hoge Raad separaat in te stellen. Zoals hiervoor is overwogen heeft Capps dat gedaan onder de opschortende voorwaarde dat het Hof het vonnis van 4 november 2008 vernietigt en het de vorderingen van [eiser] alsnog geheel of ten dele afwijst.

4.8 Aldus moet aan [eiser] worden toegegeven dat de door Capps ingestelde vordering tot schadevergoeding in zoverre “toekomstig” is, dat zij onder de opschortende voorwaarde van vernietiging van het vonnis in eerste aanleg is ingesteld. Deze vaststelling tast de geldigheid van het gelegde beslag evenwel niet aan. Uit de wetsgeschiedenis bij (het Nederlandse) artikel 704 Rv blijkt dat conservatoir beslag kan worden gelegd voor een vordering die gebonden is aan een opschortende voorwaarde. Het gegeven dat de vordering tot schadevergoeding is ingesteld onder een opschortende voorwaarde betekent evenmin dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de door Capps gepretendeerde vordering. [eiser] heeft ook geen concrete stellingen naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat de vordering tot schadevergoeding na de door Capps verlangde vernietiging van het vonnis van 4 november 2008 ondeugdelijk is. Bij eventuele vernietiging door het Hof van dat vonnis en (alsnog) afwijzing van de vordering ligt het naar voorlopig oordeel van het Gerecht juist in de rede dat enige schadevergoeding in een vervolgprocedure aan Capps zal worden toegekend. Het oordeel dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering tot schadevergoeding zou eventueel anders kunnen luiden indien voorshands aannemelijk is dat de vordering tot vernietiging van het vonnis van de eerste rechter geen kans van slagen heeft. Immers, indien die eerste stap (vernietiging) niet kan worden gezet, lijkt Capps de tweede stap (schadevergoeding) ook niet te kunnen zetten. Zoals het Gerecht hiervóór in rechtsoverweging 4.5 heeft overwogen heeft [eiser] echter niets concreets aangevoerd waaruit summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering van Capps tot vernietiging van dat vonnis.

4.9 Een belangenafweging valt uit in het voordeel van Capps. Zij heeft onweersproken gesteld dat indien [eiser] haar perceel overdraagt en naar het buitenland vertrekt, [eiser] geen verhaal zal bieden. Verder heeft [eiser] onvoldoende inzicht gegeven in het stadium waarin de geplande verkoop van haar perceel zich bevindt (kijkers, biedingen, serieuze onderhandelingen etc.), zodat onduidelijk gebleven is welk concreet belang zij thans bij opheffing heeft.

4.10 Het Gerecht verwerpt ten slotte de stelling van [eiser] dat het beslag niet rechtsgeldig is gelegd op de grond dat de betekening niet aan [eiser] in persoon heeft plaatsgevonden, maar ten kantore van haar gemachtigde in de bodemzaak die thans bij het Hof loopt. De strekking van het voorschrift dat een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming wordt betekend aan de schuldenaar is dat hij daarmee bekend wordt (art. 505 lid 1 jo. 726 lid 1 Rv). Naar het voorlopig oordeel van het Gerecht is dat recht in de onderhavige zaak voldoende gewaarborgd met de betekening zoals deze heeft plaatsgevonden.

4.11 De vordering zal worden afgewezen. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

5.1 wijst de vordering af;

5.2 veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van Capps tot op heden begroot op NAfl. 1.500,-- aan salaris gemachtigde;

5.3 verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Thierry, rechter in dit gerecht en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2010 in aanwezigheid van de griffier.