Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2022:245

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
22-08-2022
Datum publicatie
05-09-2022
Zaaknummer
CUR201903064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waarde erfpachtrecht kan niet worden vastgesteld doordat voorschot deskundige niet wordt betaald

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Afdeling Civiel

Zaaknummer: CUR201903064

Vonnis van 22 augustus 2022

inzake

de naamloze vennootschap HATO ASSETS COMPANY N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. M.F. Murray,

tegen

de stichting particulier fonds GOLDEN INVESTMENT PRIVATE FOUNDATION,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigden: voorheen mrs. E.R. de Vries en M.H.M. Janssen (gedesisteerd).

Partijen zullen hierna HASCO en GIPF worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het vonnis van 25 april 2022;

- de correspondentie per e-mail in verband met het bevolen deskundigenbericht, tussen de deskundige, de gemachtigde van HASCO, de heren [naam 1] en [naam 2] aan de zijde van GIPF en het gerecht.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1

Bij het genoemde vonnis van 25 april 2022 heeft het gerecht onder meer de heer [naam 3] RA CVA, werkzaam bij The Curaçao Financial Group N.V., benoemd als deskundige (dictum, 3.2)

en bepaald

“dat iedere partij de helft van het vastgestelde voorschot ad in totaal NAf 30.000,- (exclusief omzetbelasting) voor haar rekening zal nemen, zodat elk van partijen een bedrag van NAf 15.000,- te vermeerderen met 6% OB aan de deskundige dient te betalen. De deskundige zal daarom een factuur van NAf 15.000,- (exclusief OB) aan HASCO en een factuur van NAf 15.000,- aan GIPF toesturen. Partijen zullen de deskundige en de rechter informeren zodra de betaling is geschied.” (dictum, 3.4)

en bepaald

“dat de deskundige zijn werkzaamheden niet behoeft aan te vangen voordat het volledige voorschot door hem is ontvangen.” (dictum, 3.5).

2.2

Bij e-mail van 20 juni 2022 heeft de deskundige aan het gerecht bericht dat HASCO het voorschot “meteen” heeft voldaan, maar GIPF tot dat moment nog niet, ondanks herhaaldelijke herinneringen. Bij e-mail van 27 juni 2022 aan [naam 1] en [naam 2], die door mr. De Vries in verband met het desisteren van hemzelf en mr. Janssen als gemachtigden aan het gerecht als contactpersonen van GIPF zijn doorgegeven, heeft het gerecht bericht GIPF (een laatste) gelegenheid te geven het voorschot, voor zover dat ten laste komt van haar, te voldoen uiterlijk vrijdag 8 juli daaropvolgend. Daarop heeft [naam 2] bij e-mail van 28 juni 2022 gereageerd. In reactie daarop heeft het gerecht bij e-mail van 4 juli 2022 aan [naam 2] medegedeeld dat die reactie geen verandering brengt in de uiterste datum van betaling van het voorschot die in de e-mail van 27 juni 2022 is vermeld.

2.3

Desgevraagd heeft de deskundige bij e-mail van 11 juli 2022 aan het gerecht te kennen gegeven dat GIPF op die datum het voorschot nog niet had voldaan.

2.4

Nu GIPF het door haar te betalen gedeelte van het voorschot niet, ook niet op de daarvoor gestelde uiterste datum, heeft voldaan, kan het gerecht daaruit de gevolgtrekking maken die het geraden acht (artikel 174 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.5

Doordat GIPF ondanks aanmaning niet heeft betaald, stelt zij de deskundige (en daarmee het gerecht) niet in staat de waarde per 21 juli 2018 van het erfpachtrecht vast te stellen. Daarom houdt de gevolgtrekking als hiervoor bedoeld, in dat die waarde per 21 juli 2018, de beëindigingsdatum, overeenkomstig de stelling van HASCO, nihil is.

2.6

Daaruit volgt dat in conventie de verklaring voor recht en het bevel als door HASCO gevorderd – met aan dat bevel verbonden een dwangsom als hieronder omschreven –, toewijsbaar zijn en in reconventie de vordering van GIPF niet toewijsbaar is.

2.7

De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad is wat betreft de verklaring voor recht niet toewijsbaar aangezien een dergelijke beslissing zich daartoe naar zijn aard niet leent.

2.8

De vordering in conventie onder 3 tot voldoening van het bedrag van in hoofdsom NAf 3.067,11 is voorwaardelijk ingesteld. Die voorwaarde is niet vervuld, zodat op die vordering niet behoeft te worden beslist.

2.9

GIPF zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding in conventie en in reconventie, gevallen aan de zijde van HASCO, die tot aan dit vonnis worden begroot op:

betekeningskosten NAf 294,50

griffierecht NAf 450,00

salaris gemachtigde NAf 21.000,00 (3½ punt, tarief 11)

totaal NAf 21.744,50

3 De beslissing

Het gerecht:

in conventie

verklaart voor recht dat HASCO geen vergoeding is verschuldigd aan GIPF ter zake de opzegging van het recht van erfpacht per 21 juli 2018;

beveelt GIPF om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het uitoefenen van enig retentierecht in verband met het recht van erfpacht te staken en gestaakt te houden en daartoe alle verwijzingen naar een vermeend retentierecht te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een aan HASCO te verbeuren dwangsom van NAf 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat zij nalaat aan dat bevel gevolg te geven, met een maximum van NAf 500.000,-;

verklaart dit vonnis wat betreft vorenomschreven bevel uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vordering af;

voorts in conventie en in reconventie

veroordeelt GIPF in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van HASCO en tot aan dit vonnis begroot op NAf 21.744,50;

verklaart dit vonnis wat betreft vorenomschreven proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, rechter, en op 22 augustus 2022 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.