Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2022:237

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-08-2022
Datum publicatie
29-08-2022
Zaaknummer
500.00014/21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Themis

Verwerping verweren met betrekking tot verkrijging en gebruik data PGP Safe en Ennetcom. Veroordeling tot 14 jaar gevangenisstraf wegens deelneming aan criminele organisatie, uitlokking poging tot moord en in-/uitvoer verdovende middelen. Vrijspraak uitlokking moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 500.00014/21

Uitspraak: 11 augustus 2022

Tegenspraak

Vonnis van dit gerecht in de strafzaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats],

adres: [adres] ([land]),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting SDKK.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

5 mei 2021, 27 augustus 2021, 8 december 2021, 26 januari 2022, 15 maart 2022,

9 mei 2022, 10 mei 2022, 11 mei 2022, 12 mei 2022, 13 mei 2022 en 29 juli 2022.

Het gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

E. Ahbata en C.H. Hato-Willems (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw mr. A.S.M. Blonk naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting van 26 januari 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging en de op de terechtzitting van 9 mei 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane vordering wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding, vordering nadere omschrijving en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, leest het gerecht deze voor de leesbaarheid in de bewezenverklaring cursief verbeterd.

Het gerecht leest in feit 6 na de woorden: het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren” en “het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of voor te bereiden en/of te bevorderen” steeds de woorden: “van verdovende middelen” in, nu uit de aan de verdachte in dat verband verweten feitelijke handelingen blijkt dat dit feit volgens de steller van de tenlastelegging betrekking heeft op verdovende middelen. De verdachte heeft dit ook aldus begrepen en heeft zich hiertegen kunnen verweren. De verdachte wordt hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1

deelneming aan een criminele organisatie in Curaçao, Nederland en/of elders ter wereld in de periode 1 januari 2015 tot en met 8 februari 2021;

Feit 2

primair: het (mede)plegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op

[slachtoffer 1] op 8 april 2016 op Sint Maarten, gepleegd in de periode 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Saint Martin, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld;

subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 1], gepleegd in diezelfde periode;

Feit 3

primair: het (mede)plegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2]- op 14 maart 2017, gepleegd in de periode 5 november 2015 tot en met 14 maart 2017 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld;

subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2]-, gepleegd in diezelfde periode;

Feit 4

het (mede)plegen van de uitvoer/invoer van een of meer grote hoeveelheden cocaïne en/of hennep in Curaçao, Sint Maarten, Nederland, Frankrijk, België en/of elders ter wereld in de periode 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 en 30 kilogram cocaïne uit Sint Maarten naar Frankrijk in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020;

Feit 5

het (mede)plegen van de uitvoer/invoer van 172 kilogram cocaïne in Curaçao en/of Nederland en/of Frankrijk en/of elders ter wereld in de periode 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021;

Feit 6

het (mede)plegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van opiumdelicten in Curaçao, Sint Maarten, Nederland of elders ter wereld, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021;

Feit 7

het witwassen van geld en goederen in Curaçao op 8 februari 2021.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding nu de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 onvoldoende gespecificeerd en feitelijk is. De pleitnota van de raadsvrouw houdt, in combinatie met hetgeen zij op dit punt verder nog naar voren heeft gebracht, het volgende in – kort en zakelijk weergegeven –:

De ten laste gelegde periode van deze feiten is te ruim en bestrijkt de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021, de dag van de aanhouding van de verdachte in Curaçao. Slechts negen PGP gesprekken tussen de verdachte en (beweerdelijk) [naam 1] hebben betrekking op deze feiten. Van de laatste bijna elf maanden is er zelfs geen enkel bericht tussen de verdachte en [naam 1] in het dossier aanwezig. Behalve de periode is ook de plaatsaanduiding “elders ter wereld” te onbepaald.

Voorts is het onderdeel van de tenlastelegging in feit 4, dat gaat over de uit- en invoer en de verdere handel van “een of meerdere grote hoeveelheden” cocaïne en/of hennep, met name ook tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, zo onvoldoende specifiek dat het voor de verdachte niet duidelijk is waartegen hij zich op dit onderdeel van de tenlastelegging dient te verdedigen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voldoende duidelijk is.

Het gerecht overweegt hieromtrent als volgt.

Het gerecht is het wat betreft het onderdeel van de tenlastelegging in feit 4 dat ziet op “een of meer grote hoeveelheden” met de raadsvrouw eens. Aan de verdachte is – voor zover hier van belang en kort gezegd – na het eerste gedachtestreepje ten laste gelegd dat hij samen met een ander of anderen, in de periode van 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 één of meer (grote) hoeveelheden cocaïne heeft uitgevoerd en/of ingevoerd, in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960, en/of deze heeft bereid, verwerkt, bewerkt, verkocht etc., zonder enige nadere feitelijke duiding. Het is tegen de achtergrond van het dossier waarin zich een veelheid aan PGP gesprekken bevindt waarin wordt gesproken over allerlei hoeveelheden, transporten en transacties, niet duidelijk waartegen de verdachte zich dient te verdedigen, te minder omdat diezelfde gesprekken ook (deels) kunnen worden betrokken op de voorbereidingshandelingen die de verdachte onder feit 6 eveneens ten laste zijn gelegd. Gelet op dit alles is het gerecht van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 op dit onderdeel, dus partieel, nietig is.

Voor de overige feiten acht het gerecht de tenlastelegging wel voldoende duidelijk en concreet. De vraag of een tenlastelegging voldoende duidelijk omschrijft welk strafbaar feit wordt ten laste gelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de tekst van die tenlastelegging, bezien in samenhang met de inhoud van het onderliggende dossier en met hetgeen de verdachte omtrent de hem verweten feiten heeft begrepen. De tekst van de tenlastelegging onder de feiten 4, 5 en 6 is, mede gelet op het feit dat de officier van justitie ter zitting bij de voordracht heeft aangegeven dat feit 4 alleen ziet op de uitvoer per vliegtuig vanuit Sint Maarten naar Frankrijk van 30 kilogram cocaïne, dat feit 5 alleen ziet op de uitvoer over zee vanuit Curaçao naar Frankrijk van 172 kilogram cocaïne, en dat feit 6 ziet op de eendaadse samenloop van voorbereidingshandelingen met betrekking tot die uitgevoerde partijen en andere partijen, voldoende concreet met betrekking tot het aan de verdachte gemaakte verwijt. Aan de termen in- en uitvoer, alsmede de overige gebruikte termen komt in dit verband mede feitelijke betekenis toe.

In combinatie met de door de steller van de tenlastelegging naast “elders ter wereld” tevens vermelde concrete plaatsaanduidingen in de aanhef van de tenlastelegging is deze naar het oordeel van het gerecht dan ook voldoende duidelijk en omschrijft deze voldoende feitelijk tegen welke beschuldigingen de verdachte zich moet verdedigen. De verdachte heeft bij monde van zijn raadsvrouw ter terechtzitting ook blijk gegeven de tenlastelegging aldus te hebben begrepen en heeft zich daartegen ook verdedigd. Nu de tenlastelegging ook overigens voldoet aan de eisen, daaraan gesteld in artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Rechtsmacht

Vooropgesteld wordt dat indien een ten laste gelegd feit niet onder de rechtsmacht van de strafrechter in Curaçao valt, dit niet tot onbevoegd verklaring van het gerecht moet leiden maar tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Artikel 1:6 van het Wetboek van Strafrecht luidt:

De strafwet van Curaçao is van toepassing op de Nederlander die zich buiten Curaçao schuldig maakt aan een feit hetwelk door de strafwet van Curaçao als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is ook straf is gesteld.

Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen blijkt dat de poging tot moord op [slachtoffer 1] is gepleegd op Saint Martin, het Franse deel van Sint Maarten. Ook de aan de verdachte verweten uitlokkingshandelingen hebben plaatsgevonden buiten het land Curaçao, evenals de uitvoer van verdovende middelen uit Sint Maarten en de invoer in Frankrijk. De verdachte woonde ten tijde van het plegen van deze feiten in Nederland, dus buiten Curacao, en bezat, gezien het onder hem aangetroffen Nederlandse paspoort, de Nederlandse nationaliteit. Het gerecht heeft zich ervan vergewist dat op de aan de verdachte onder 2 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, die naar het recht van Curaçao steeds een misdrijf opleveren, in Saint Martin en Sint Maarten telkens straf is gesteld. Gelet hierop is de strafwet van Curaçao ook van toepassing op deze feiten en heeft het gerecht in eerste aanleg van Curaçao dan ook rechtsmacht.

Onrechtmatige huiszoeking en uitlezen smartphones

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte op de grond dat er sprake is van een onrechtmatige huiszoeking en een onrechtmatig onderzoek aan twee onder de verdachte in beslag genomen smartphones, resulterend in een ernstige inbreuk op verdachtes recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in de artikelen 8 en 6 van het Europees verdrag

tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Subsidiair dient dit volgens de raadsvrouw te leiden tot vrijspraak, op de grond dat het aldus verkregen bewijs niet mag bijdragen aan een bewezenverklaring.

De raadsvrouw heeft daartoe gesteld dat de aan de beschikking tot huiszoeking van de rechter-commissaris van 8 februari 2021 voorafgegane vordering van de officier van justitie in het dossier ontbreekt, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de huiszoeking, zoals in die beschikking is vermeld, dringend noodzakelijk was. Hiervan was volgens de raadsvrouw geen sprake, omdat de verdenking tegen de verdachte oude feiten betrof en op dat moment alleen berustte op PGP gesprekken. De door de huiszoeking veroorzaakte inbreuk op verdachtes privacy had nog kunnen worden beperkt door toepassing van de vrijwillige afgifte als bedoeld in artikel 126 Sv. Ook hiervan is geen sprake geweest, omdat de verdachte door zijn aanhouding niet aanwezig kon zijn tijdens de huiszoeking.

Voorts heeft, volgens de raadsvrouw, geen behoorlijke rechterlijke toetsing plaatsgevonden met betrekking tot het uitlezen van de onder de verdachte in beslag genomen smartphones, nu uit de vordering opdracht tot nasporing van 9 februari 2021 van de officier van justitie niet blijkt waarom die smartphones zouden moeten worden uitgelezen, en de daarop gevolgde beschikking van de rechter-commissaris geen blijk geeft van een serieuze toetsing waarin wordt ingegaan op de bevoegdheid en de proportionaliteit en subsidiariteit van het gevorderde. Artikel 219 Sv kan naar de mening van de raadsvrouw niet worden beschouwd als een voldoende (specifieke) wettelijke basis voor een ingrijpende bevoegdheid als het uitlezen van smartphones.

Dit alles heeft, zowel bij de huiszoeking als bij het uitlezen van de smartphones, geleid tot een onherstelbaar vormverzuim (normschending als bedoeld in artikel 413 Sv), bestaande in de schending van verdachtes recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor niet-ontvankelijk verklaring en bewijsuitsluiting, een en ander op de grond zoals vermeld in de schriftelijke repliek.

Beoordeling

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Op 8 februari 2021 om 13.19 uur heeft de rechter-commissaris huiszoeking verricht in villa [nr. villa] van het [naam hotel], op dat moment de verblijfplaats van de verdachte. Deze huiszoeking vond plaats op mondelinge vordering van de officier van justitie, welke vordering op 9 februari 2021 schriftelijk is bevestigd. Deze vordering is bij repliek door de officier van justitie overgelegd en bevindt zich dus in het dossier. De officier van justitie heeft toegelicht dat verdachtes aanhouding, de huiszoeking, alsmede het verzoek om machtiging tot het uitlezen van de smartphones heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het proces-verbaal van verdenking van 22 oktober 2020. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verdachte werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en van betrokkenheid bij een moord en een poging tot moord.

Het gerecht is van oordeel dat de rechter-commissaris op basis van voornoemd proces-verbaal in redelijkheid tot haar oordeel omtrent de huiszoeking en het uitlezen van de smartphones heeft kunnen komen.

Ten aanzien van de huiszoeking overweegt het gerecht dat, nog afgezien van het feit dat voor een huiszoeking als de onderhavige, de eis van dringende noodzakelijkheid als bedoeld in artikel 122 Sv niet geldt, daarvan wel sprake was, nu de verdachte kort daarvoor – op de openbare weg en dus kenbaar voor derden – was aangehouden, waardoor het risico bestond dat bewijsmateriaal door derden zou worden weggemaakt.

Dat de aanhouding van de verdachte heeft plaatsgevonden om te voorkomen dat de verdachte bij de huiszoeking aanwezig zou zijn, en zo de verdachte het recht te ontnemen om vrijwillig goederen af te geven, zoals door de raadsvrouw is gesteld, is op geen enkele manier aannemelijk geworden. De raadsvrouw heeft evenmin gemotiveerd op welke wijze de afwezigheid van de verdachte bij de huiszoeking de verdachte heeft geschaad in zijn verdedigingsbelang of wat het nadeel is dat de verdachte daarvan heeft ondervonden ten aanzien van zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Hierbij wordt opgemerkt dat het belang dat strafbare feiten onontdekt blijven in dit verband niet als een rechtens te respecteren belang kan gelden.
De conclusie is dat de huiszoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en dat er geen sprake is van enige normschending.

Ten aanzien van het uitlezen van de smartphones overweegt het gerecht dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat deze moesten worden uitgelezen, welk oordeel het gerecht aldus leest dat, gelet op de ernst van de verdenking en in aanmerking genomen de overige ter beschikking staande opsporingsmiddelen, dit uitlezen de toets van proportionaliteit en subsidiariteit kon doorstaan. De rechter-commissaris was hiertoe op grond van artikel 130 juncto 219 Sv bevoegd, ook indien dat onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou meebrengen (HR 4 april 2004, ECLI:NL:HR:2017:588).

Nu het uitlezen van de smartphone heeft plaatsgevonden op een toereikende grondslag voor onderzoek en is getoetst door een rechter, is er naar het oordeel van het gerecht geen sprake van een te sanctioneren schending van artikel 8 EVRM.

Het verweer wordt verworpen.

Verweren met betrekking tot PGP Safe

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het door mr. Sulvaran in de zaak tegen

[naam 2] gevoerde verweer inzake de verkrijging en het gebruik van de PGP Safe gesprekken. Dit verweer houdt – kort gezegd – het volgende in. Het bewijs tegen de verdachte berust grotendeels op een selectie van in Costa Rica in bulk verzamelde gesprekken. De niet proportionele wijze waarop deze persoonlijke gegevens zijn verzameld en gebruikt, ontbeert een wettelijke grondslag en is in strijd met het recht van de Europese Unie, alsook met het in de artikelen 8 en 6 EVRM neergelegde recht op privacy en het recht op een eerlijk proces. Ook heeft het openbaar ministerie de Costa Ricaanse autoriteiten misleid door het verschaffen van onjuiste informatie.

De verkregen data zijn onvolledig en onbetrouwbaar en er is geen mogelijkheid om de betrouwbaarheid van de door de opsporingsambtenaren ingezette technische en tactische methoden op effectieve en onafhankelijke wijze te toetsen, waardoor sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms. Bovendien zijn bij het vergaren en onderzoeken van de data op grote schaal de rechten van professionele geheimhouders geschonden.

Dit alles moet primair leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, subsidiair tot uitsluiting van het onrechtmatig verkregen belastend materiaal en als gevolg daarvan tot vrijspraak van de verdachte.


Standpunt officier van justitie


De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van de in Costa Rica verkregen PGP data geen beroep op art. 8 EVRM toekomt, nu hij ontkent de gebruiker te zijn geweest van het aan hem toegeschreven PGP Safe account. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het internationale vertrouwensbeginsel zich verzet tegen een toetsing van de rechtmatigheid van de inbeslagname van de PGP data in Costa Rica.
Inhoudelijk heeft de officier van justitie gesteld dat er geen sprake is van enig vormverzuim met betrekking tot de verwerving en het gebruik van de PGP Safe berichten, zodat niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of enige andere sanctie niet op hun plaats zijn.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Feitelijke gang van zaken


In mei 2017 heeft, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak 26Sassenheim van Nederland aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna: het Verdrag), na machtiging door de rechter te Costa Rica, bij het aldaar gevestigde bedrijf PGP Safe een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP berichten in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De doorzoeking en de inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse rechter.

De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data afkomstig van de server van PGP Safe, zoals die door de Costa Ricaanse aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt.


Beoordeling

Zoals gezegd zijn de PGP data in het onderzoek Themis verkregen op basis van twee zogeheten interregionale rechtshulpverzoeken van de officier van justitie in Curaçao aan de officier van justitie in Nederland. In het geval van interregionale rechtshulp is het aan het land waar de berechting plaatsvindt om zelfstandig, naar eigen recht, de rechtmatigheid en de toelaatbaarheid van in een ander Rijksdeel verkregen bewijsmateriaal te beoordelen. Dit betekent dat in de onderhavige zaak beslissend is of de verwerving en het gebruik van de gegevens afkomstig van PGP Safe naar Curaçaos recht rechtmatig kan worden geacht.

Het rechtshulpverzoek van Nederland aan Costa Rica is gebaseerd op eerdergenoemd Verdrag, waarbij zowel het Koninkrijk der Nederlanden als Costa Rica partij zijn. Hieruit mag worden afgeleid dat beide landen de bereidheid hebben om samen te werken en de hoofdonderdelen van het strafproces die bij de betreffende vorm van rechtshulp bij de andere staat zijn ondergebracht aan die staat te laten en op de juiste uitvoering van die hoofdonderdelen te vertrouwen. In een dergelijk geval is volgens vaste jurisprudentie de taak van de strafrechter, ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten, ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Het behoort niet tot de taak van de strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de in het desbetreffende land geldende rechtsregels. Uitdrukkelijk staat dus niet ter beoordeling van de strafrechter of in het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn als bedoeld in het tweede lid van die bepaling.

Ter beoordeling is dus slechts of de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het gerecht zal daarom nagaan of al dan niet sprake is van ernstige en onherroepelijke normschendingen die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM.

Anders dan de officier van justitie is het gerecht van oordeel dat het beroep op normschendingen de verdachte wel toekomt, ook al stelt deze zich primair op het standpunt dat hij geen gebruik heeft gemaakt van enig PGP account.

Mr. Sulvaran heeft hierover meer in het bijzonder betoogd dat de verkrijging van de data in Costa Rica, de verwerking en het gebruik daarvan in strijd is met het recht van de Europese Unie, in bijzonder met het bepaalde in het EU Handvest en Richtlijnen ter zake de bescherming van persoonsgegevens, alsmede de rechtspraak daarover van het Europese Hof van Justitie.

Het gerecht overweegt hierover dat Curaçao geen deel uitmaakt van de Europese Unie en dat de regelgeving en de daarop gebaseerde jurisprudentie waarop de verdediging zich beroept hier te lande geen gelding hebben. Eventuele strijdigheid van het gebruik van persoonsgegevens met het Unierecht levert dan ook geen normschending op naar Curaçaos recht.

Wel moet worden beoordeeld of sprake is van schending van het - in (het hier te lande wel geldende) artikel 8 EVRM neergelegde - recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waarbij vooropgesteld moet worden dat een schending van dit recht niet zonder meer een inbreuk oplevert op het in artikel 6 EVRM vervatte recht op een eerlijk proces.

Het gerecht stelt vast dat het openbaar ministerie in Nederland uiteindelijk zonder enige beperking kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van honderdduizenden berichten van PGP Safe. De vraag is of deze vergaring van data in het kader van het onderzoek tegen PGP Safe gerechtvaardigd was. Het betreft immers een vergaande inbreuk op het recht op vertrouwelijke communicatie van zeer veel gebruikers. Het gerecht is echter van oordeel dat de verdenking binnen onderzoek 26Sassenheim, zoals verwoord in het rechtshulpverzoek aan Costa Rica, een voldoende ruime grondslag bood om – zowel via de identificatie van de gebruikers als via (de daarvoor benodigde kennisname van) de inhoud van de berichten, te achterhalen of de PGP telefoons van PGP Safe voor criminele doeleinden werden ingezet. In dat kader was het kennisnemen van zoveel mogelijk berichten noodzakelijk. Het gerecht kan dan ook niet concluderen dat daardoor is gehandeld in strijd met de beginselen van redelijke en billijke belangenafweging.

Het gerecht stelt wel vast dat voor de verkrijging van de gegevens naar Curaçaos recht geen wettelijke basis bestond (vergelijkbaar met artikel 125la Sv (NL): doorzoeking ter vastlegging van gegevens bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst), terwijl een dergelijke grootscheepse inbreuk op de rechten van gebruikers van een openbare telecommunicatiedienst ook niet kan worden gebaseerd op de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van de officier van justitie. Als het rechtshulpverzoek, (onder meer) strekkende tot het doen van huiszoeking in Costa Rica, zou zijn uitgegaan van Curaçao, had dit moeten uitgaan van de rechter-commissaris.

Het ontbreken van voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris is naar Curaçaos recht aan te merken als een onherstelbare normschending. De vraag of daaraan een rechtsgevolg moet worden verbonden hangt af van het belang dat het geschonden voorschrift beoogt te dienen, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en berust op een afweging van enerzijds de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen, anderzijds de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en het normconform handelen in het voorbereidend onderzoek.

Het gerecht is van oordeel dat het gebruik van verdachtes persoonlijke berichten en overige op de verdachte betrekking hebbende gegevens afkomstig van PGP Safe in de onderhavige strafzaak, zonder dat aan de verkrijging daarvan een machtiging van de rechter-commissaris was voorafgegaan, schending oplevert van verdachtes recht op eerbiediging van zijn privacy zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.

De hierdoor veroorzaakte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer is echter uiteindelijk beperkt gebleven tot kennisname van communicatie die voornamelijk betrekking heeft op strafbare gedragingen, zonder dat daarbij een min of meer compleet beeld van het persoonlijk leven van de verdachte is verkregen. De in de onderhavige zaak voorliggende gegevens zijn immers beperkt tot versleutelde berichten die steeds ofwel afkomstig waren van, ofwel bestemd voor de verdachte, veelal gericht waren aan, of afkomstig van, andere verdachten in hetzelfde feitencomplex en in overwegende mate betrekking hadden op de aan de verdachte verweten strafbare feiten. Niet aannemelijk is geworden dat er ook andere manieren zouden zijn geweest om zicht te krijgen op verdachtes betrokkenheid bij die feiten. Gelet hierop levert het gebruik van de data in het onderhavige onderzoek in de onderhavige zaak tegen de verdachte, ook bezien vanuit de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, niet meer dan een beperkte schending op van artikel 8 EVRM.

Het nadeel voor de verdachte is met name gelegen in het feit dat door de kennisname van de aan hem toegeschreven berichten belastend materiaal bekend is geworden ten aanzien van zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, doch volgens vaste jurisprudentie moet dit nadeel bij de bepaling van de gevolgen van een eventuele normschending buiten beschouwing blijven. Ander concreet nadeel voor de verdachte is niet aannemelijk geworden.


Mede gelet op hetgeen hierna over de andere onderdelen van het verweer zal worden overwogen, is deze schending onvoldoende om te kunnen concluderen dat geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.


Mr. Sulvaran heeft voorts betoogd dat de inbreuk die is gemaakt op de privacy-rechten van alle gebruikers van PGP Safe, gevolgen zou moeten hebben voor de vervolgbaarheid van de verdachte en de bruikbaarheid van de bij het onderzoek aangetroffen gegevens betreffende de verdachte.

Het gerecht overweegt hierover dat wanneer het niet de verdachte is, die door de gestelde niet-naleving van een voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden aan het verzuim. Het gerecht vermag niet in te zien dat de gestelde schending van de privacy-rechten van derden invloed heeft gehad op het opsporingsonderzoek tegen en de vervolging van de verdachte, zodat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat sprake is geweest van enige normschending in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.

Anders dan mr. Sulvaran leest het gerecht in de door haar aangehaalde rechtspraak niet dat de zogeheten Schutznorm-leer door de Hoge Raad zou zijn verlaten.

Misleiding

Standpunt verdediging

Mr. Sulvaran heeft voorts gesteld dat het openbaar ministerie heeft getracht de Costa Ricaanse autoriteiten te misleiden, door in het rechtshulpverzoek terrorisme-verdenkingen te vermelden, terwijl daarvan geen sprake was. Ook heeft de officier van justitie de Costa Ricaanse autoriteiten misleid door te impliceren dat hij op grond van artikel 1251 Sv (NL) beschikte over een zelfstandige bevoegdheid om het rechtshulpverzoek te doen, terwijl in werkelijkheid gebruik had moeten worden gemaakt van artikel 125la Sv (NL). Op die manier is een toets door de rechter-commissaris en de toepasselijkheid van de beperkende voorwaarden van artikel 125la Sv (NL) op het rechtshulpverzoek ontlopen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de PGP data op juiste wijze zijn verkregen van Costa Rica.

Beoordeling

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Het rechtshulpverzoek van de Nederlandse officier van justitie aan Costa Rica van 4 april 2017 vermeldt als verdenking tegen de verdachten in de zaak 26Sassenheim: witwassen, deelneming aan een criminele organisatie en begunstiging. Het gerecht leest in het rechtshulpverzoek weliswaar dat volgens de officier van justitie in het centrale bedrijfsprocessen systeem van de politie te zien is dat PGP Safe toestellen voorkomen in onderzoeken met betrekking tot onder meer terrorisme, maar niet dat in de zaak waarin het rechtshulpverzoek werd gedaan, sprake zou zijn van een verdenking van terrorisme. Het verweer faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Het enkele feit dat de Nederlandse officier van justitie meende over een zelfstandige bevoegdheid te beschikking om het rechtshulpverzoek te doen – al dan niet omdat hij ervan uitging dat PGP Safe niet kwalificeerde als een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst zoals bedoeld in artikel 125la Sv (NL) – is onvoldoende om aan te nemen dat de Costa Ricaanse autoriteiten door de Nederlandse officier van justitie zouden zijn misleid. Dit valt ook niet af te leiden uit de omstandigheid dat de doorzoeking door de Costa Ricaanse autoriteiten voortijdig zou zijn beëindigd, nu de verzamelde data door de Costa Ricaanse autoriteiten aan Nederland ter beschikking zijn gesteld. Op dit punt is dus geen sprake van een normschending.

Geheimhouders

Standpunt verdediging

Mr. Sulvaran stelt dat uit het dossier niet blijkt dat na ontvangst van de data op Curaçao op zorgvuldige wijze is omgegaan met zich daartussen bevindende zogeheten geheimhoudersinformatie. Er is volgens de verdediging door middel van in de interregionale rechtshulpverzoeken door de Curaçaose officier van justitie opgegeven zoektermen als: “[naam 3]” en “[naam 4]” zelfs bewust gezocht naar dergelijke informatie.


Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat in onderhavig onderzoek wel zorgvuldig is omgegaan met de omstandigheid dat zich onder de PGP berichten en in het overige beslag wellicht stukken zouden bevinden waarvoor een professioneel verschoningsrecht gold. Daartoe is een geheimhouders functionaris aangesteld bij de politie, die geen deel uitmaakte van het onderzoeksteam, alsmede een geheimhouders officier van justitie, die geen zaaksofficier was, en die eventuele geheimhoudersstukken aan de rechter-commissaris heeft voorgelegd. Ten aanzien van de PGP data geldt volgens de officier van justitie dat er geen enkel geheimhoudersstuk is aangetroffen. Op de door de verdediging bedoelde berichten, waarin anderen spreken over advocaten, is naar de mening van de officier van justitie het verschoningsrecht niet van toepassing, zodat deze berichten niet als geheimhoudersstukken zijn aan te merken.

Beoordeling

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Als geheimhoudersinformatie moet worden aangemerkt communicatie afkomstig van, of gericht aan een persoon omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem is toevertrouwd als degene die uit hoofde van zijn stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht is.

De PGP gesprekken waarop de verdediging zich beroept, voldoen daaraan niet, nu het steeds anderen betreft, die in hun onderlinge communicatie spreken over advocaten, zonder dat deze advocaten zelf in de communicatie betrokken zijn. Het betreft dus geen informatie die aan de advocaat in zijn hoedanigheid is toevertrouwd. Anders dan de verdediging is het gerecht daarom van oordeel dat opname van deze berichten in het dossier geen strijd oplevert met het verschoningsrecht van de advocaat.

De officier van justitie heeft voorts voldoende duidelijk uiteengezet op welke wijze meer in het algemeen bij de beoordeling van het in beslag genomen materiaal is omgegaan met de belangen van eventuele geheimhouders. Het gerecht leidt daaruit af dat de schifting van gegevens op zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek is geschonden.

Betrouwbaarheid gegevens en equality of arms

Standpunt verdediging

Mr. Sulvaran stelt vraagtekens bij de betrouwbaarheid van het tegen de verdachte verkregen bewijsmateriaal. Er is sprake van onverklaarbare onregelmatigheden in de PGP berichten, die voor een juiste interpretatie en voor de beoordeling van de redengevendheid van bepaalde data funest kunnen zijn. Zo ontbreken bij verschillende berichten de datum, de afzender of de ontvanger. Ook worden soms onverklaarbare tekens/symbolen weergegeven en worden kennelijk bepaalde letters/tekens als “underscore” weergegeven. Een en ander illustreert de oncontroleerbaarheid en de willekeurigheid van het PGP bewijs. Voorts wordt er ten onrechte blind op vertrouwd dat het programma Hansken, waarmee de in deze zaak beschikbare data uit de totale hoeveelheid in Costa Rica in beslag genomen data zijn gefilterd, de informatie uit het bronmateriaal juist weergeeft. Metadata, waarmee de juistheid en de betrouwbaarheid van de door Hansken gegenereerde data gecontroleerd zouden kunnen worden, ontbreken vaak. Het is mogelijk dat informatie wordt gemist en ook manipulatie van data is mogelijk. Voorts levert het feit dat niet alle gegevens op de PGP servers in Costa Rica zijn gekopieerd problemen op bij de bepaling in welke context bepaalde gesprekken hebben plaatsgevonden.

De verdediging heeft in het verlengde daarvan betoogd dat het openbaar ministerie het beginsel van equality of arms heeft geschonden doordat de verdediging niet de beschikking heeft gekregen over de software van het programma Hansken, alsmede over “alle brondata/primaire data”, dan wel de reeds verstrekte berichten die aan de verdachten en de medeverdachten kunnen worden toegeschreven, om op eigen kantoor, eventueel met eigen deskundigen en alternatieve software de werking van Hansken en de daarmee gegenereerde resultaten te kunnen onderzoeken en beoordelen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, verwijzend naar uitspraken in andere zaken, op het standpunt gesteld dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de uit Costa Rica verkregen data. Er is ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de data zouden zijn gemanipuleerd. De verdediging heeft daaromtrent ook niets concreets gesteld. Voor zover het belastend bewijsmateriaal betreft moet de verdediging uiteraard in de gelegenheid worden gesteld om dit bewijs te controleren. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging geen belang heeft bij het verstrekken van alle uit Costa Rica afkomstige PGP gesprekken. Het openbaar ministerie beschikt zelf ook alleen over de data die met behulp van de door de officier van justitie in de interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland opgegeven zoektermen uit de totale hoeveelheid uit Costa Rica afkomstig bronmateriaal zijn gefilterd. De officier van justitie is van oordeel dat volstaan kan worden met de reeds aan de verdediging geboden mogelijkheid om de zich op Curaçao bevindende, voor de verdachte relevante PGP gesprekken te controleren.

Beoordeling

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Het gerecht stelt voorop dat uit het beginsel van “equality of arms” niet voortvloeit dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen, dan wel als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om alles te controleren.

De verdediging heeft betoogd dat het programma Hansken een black box is, waarop niet kan worden vertrouwd en dat onduidelijk is of Hansken het bronmateriaal wel juist en volledig weergeeft.

Voor zover de verdediging zich hierbij beroept op een tweetal rapporten van [naam 5] van 15 januari en 4 maart 2018, faalt dat beroep, nu die rapporten een specifieke dataset betreffen uit Ennetcom- (en dus niet: PGP Safe-) berichten in een geheel andere strafzaak.

De verdediging heeft voorts niet aangegeven welk concreet onderdeel van het verkregen bewijsmateriaal zij betwist en waarom. Dat de data onvolledig zijn, zoals ook door de officier van justitie wordt erkend, kan worden verklaard uit het feit dat de doorzoeking in Costa Rica voortijdig door de Costa Ricaanse autoriteiten is beëindigd. Dat hierdoor een onjuiste interpretatie wordt gemaakt van enig specifiek PGP bericht heeft de verdediging niet gesteld. Dit laatste geldt ook voor de door de verdediging gesignaleerde weergave van de underscores en het voorkomen van tekens/symbolen die door de verdediging niet worden begrepen.

De meer algemene stelling dat de werking van Hansken niet door de verdediging kan worden gecontroleerd en dat fouten in de weergave van de PGP data kunnen leiden tot verkeerde interpretaties van de inhoud daarvan is onvoldoende. Hierbij komt dat de inhoud van de verschillende PGP gesprekken op belangrijke onderdelen aansluit bij en dus bevestiging vindt in niet alleen andere PGP gesprekken, maar ook in de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Onder het recht op een eerlijk proces wordt ook begrepen het recht op gelijke proceskansen. De verdachte moet zijn verdediging kunnen organiseren om zo in staat te zijn alle relevante verweren aan de rechter voor te leggen en op die manier de uitkomst van het strafproces te beïnvloeden.

Anders dan de verdediging leidt het gerecht uit de Europese jurisprudentie niet af dat de verdediging de beschikking dient te krijgen over, of inzage dient te krijgen in, de volledige, zich in Nederland bevindende, PGP Safe dataset. Als de opsporingsinstantie, zoals in dit geval, waarin de officier van justitie evenals de verdediging alleen beschikt over de data die met behulp van de door hem aan zijn ambtgenoot in Nederland opgegeven zoektermen uit de totale hoeveelheid bronmateriaal uit Costa Rica zijn gefilterd, ook zelf niet op de hoogte is van de inhoud van de totale dataset en de verdediging niet duidelijk aangeeft welke specifieke kwestie in die data moet worden onderzocht en daartoe de redenen aandraagt, of specifieke zoekopdrachten voorstelt, is er geen sprake van ongelijke proceskansen of het achterhouden van bewijs.

Voor zover het bewijsmateriaal betreft moet de verdediging in staat worden gesteld om dit bewijs te controleren. In het onderhavige geval is de verdediging in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de PGP gesprekken die enige relevantie hebben voor de aan de verdachte ten laste gelegde feiten (in het proces-verbaal van de zitting van 26 januari 2022 aangeduid als: de gesprekken betrekking hebbend op de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, alsook de gesprekken die zien op diens identificatie als gebruiker van een PGP account. Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 2022 blijkt dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om aan de hand van eventuele aanvullende zoektermen onderzoek te laten doen in andere dan de hierboven bedoelde brondata.

De verdediging beschikt ook over de USB stick met de relevante gesprekken en kan deze – ook zonder Hansken – controleren. Het gerecht concludeert dat geen sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms.

Gevolgen

Zoals hierboven reeds overwogen levert het gebruik van verdachtes persoonlijke berichten en overige op de verdachte betrekking hebbende gegevens afkomstig van PGP Safe in de onderhavige strafzaak, zonder dat aan de verkrijging daarvan een machtiging van de rechter-commissaris was voorafgegaan, schending op van verdachtes recht op eerbiediging van zijn privacy zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.

De verdediging heeft primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, subsidiair het onrechtmatig verkregen belastend materiaal uit te sluiten van het bewijs, hetgeen bij gebreke van voldoende overig wettig bewijs tot vrijspraak dient te leiden.

Van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging kan alleen sprake zijn in die gevallen waarin een onherstelbare inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, waardoor geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, die niet op een aan de eisen van behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en welke inbreuk de conclusie moet kunnen dragen dat “the proceedings as a whole were not fair”. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is daarvan in dit geval geen sprake.

Het gerecht ziet evenmin reden voor bewijsuitsluiting. Van bewijsuitsluiting kan sprake zijn indien:

a.) het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen;

b.) sprake is van schending van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden en waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk wordt geacht als middel om toekomstige vergelijkbare normschendingen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm, of wanneer de desbetreffende normschending zozeer bij herhaling voorkomt dat haar structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop deze structurele normschending hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost om overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.

Beide gevallen doen zich hier niet voor.

Nu het gerecht voorts van oordeel is dat onvoldoende gebleken is van een concreet nadeel voor de verdachte, acht het gerecht ook strafvermindering geen passend rechtsgevolg en zal worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is geweest van een normschending.

Verweren met betrekking tot Ennetcom

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen wettelijke basis bestond voor onderzoek aan de Ennetcom data ten aanzien van de verdachte. Het Curaçaose Wetboek van Strafvordering kent geen voorziening waarop de toetsing door de rechter-commissaris kon worden gebaseerd, zodat sprake is van handelen in strijd met het in artikel 9 Sv neergelegde legaliteitsbeginsel. Ook heeft die toetsing niet plaatsgevonden in de zaak tegen de verdachte, maar in de zaken tegen andere verdachten, hetgeen in strijd is met de door de Canadese rechter gestelde voorwaarde, en strijd oplevert met artikel 8 EVRM. Gelet hierop moeten volgens de raadsvrouw “de bevindingen” worden uitgesloten van het bewijs.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkrijging van de Ennetcom data op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden.

Feitelijke gang van zaken

In 2016 zijn, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak De Vink van Nederland aan Canada, gebaseerd op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gesloten te Den Haag op 1 mei 1991 (Trb. 1991, 85) (hierna: het Verdrag) de servers van het in Canada gevestigde bedrijf Ennetcom doorzocht. Hierbij is een grote hoeveelheid data (PGP gesprekken) in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van een Canadese rechter. Deze rechter heeft in zijn beslissing van 19 september 2016 bepaald dat het gevonden bewijsmateriaal alleen mocht worden gebruikt in vier met name genoemde onderzoeken. Toegang tot, onderzoek aan, of gebruik van dat bewijsmateriaal in enig ander onderzoek in het Koninkrijk der Nederlanden zou volgens die beslissing slechts mogen plaatsvinden nadat daartoe door het Koninkrijk der Nederlanden een gerechtelijke machtiging zou zijn afgegeven.
Op vordering van de officier van justitie in Curaçao en Sint Maarten hebben de rechters-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in Curaçao en Sint Maarten de officier van justitie en de opsporingsambtenaren verbonden aan het onderzoek Themis gemachtigd om zich toegang te verschaffen tot, onderzoek te verrichten aan, en gebruik te maken van de gegevens op de servers van Ennetcom, zoals die door de Canadese aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen, voor zover het betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.


Art. 10 van het Verdrag luidt:

”1. De aangezochte Staat geeft, in zoverre zijn wet dat toelaat, gevolg aan verzoeken om huiszoeking, inbeslagneming of de uitlevering ter inbeslagneming van schriftelijke bescheiden, of voorwerpen en de overdracht van aldus verkregen bewijsmateriaal, of afschriften daarvan, aan de verzoekende Staat, mits blijkens de in het verzoek vermelde gegevens zulke maatregelen krachtens de wet van de aangezochte Staat zouden zijn gerechtvaardigd.

2. De aangezochte Staat verstrekt alle gegevens waarom de verzoekende Staat verzoekt met betrekking tot de uitlevering ter inbeslagneming, huiszoeking en inbeslagneming, met inbegrip van de plaats van inbeslagneming, de omstandigheden van inbeslagneming en de daaropvolgende bewaring van het in beslag genomen of uitgeleverde bewijsmateriaal.

3. De verzoekende Staat voldoet aan alle voorwaarden die door de aangezochte Staat worden gesteld met betrekking tot op grond van dit artikel aan de verzoekende Staat overgedragen voorwerpen.”

Het gerecht stelt met de verdediging vast dat in het Curaçaose Wetboek van Strafvordering een specifieke wettelijke bepaling voor het zich verschaffen van toegang tot, het verrichten van onderzoek aan, en het gebruik maken van, gegevens die in beslag genomen zijn onder een aanbieder van een openbare communicatiedienst ontbreekt. De rechters-commissaris hebben hun toetsing gebaseerd op artikel 219 Sv, inhoudend dat de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek het doen van nasporingen kan opdragen aan opsporingsambtenaren. Deze toetsing werd niet vereist door het Wetboek van Strafvordering, maar vond plaats in het kader van de door de Canadese rechter gestelde, door het Koninkrijk op grond van artikel 10 lid 3 van het Verdrag na te leven voorwaarde, waaronder de gegevens op grond van het rechtshulpverzoek door de Canadese rechter waren verstrekt.

Het gerecht is van oordeel dat het Wetboek van Strafvordering zich er in een dergelijk geval niet tegen verzet dat de officier van justitie een rechterlijke machtiging vordert van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en de rechter-commissaris op die vordering beslist.

Anders dan de raadsvrouw meent, is het onderzoek naar, en het gebruik van de met machtiging van de rechters-commissaris in zaken tegen andere verdachten verkregen data in de zaak tegen de verdachte, niet in strijd met de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden, nu die voorwaarden geen beperking inhouden ten aanzien van de specifieke verdachten, in wier zaken die data mogen worden gebruikt.
De raadsvrouw heeft niet gemotiveerd waarom dit onderzoek en gebruik strijd zou opleveren met artikel 8 EVRM. Voor zover zij bedoelt te stellen dat na rechterlijke toetsing bevoegdelijk verkregen data in de zaak tegen de ene verdachte niet zonder een aparte rechterlijke toetsing in de zaak tegen de andere verdachte mogen worden gebruikt, vindt die stelling geen grondslag in het recht.

De conclusie uit het voorgaande is dat het beroep op bewijsuitsluiting faalt.

Vrijspraak van feit 3

Het gerecht spreekt de verdachte vrij van het onder feit 3 primair ten laste gelegde medeplegen van uitlokking van de moord op [slachtoffer 2]- op 14 maart 2017, alsook van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid daaraan. Op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal in de vorm van PGP gesprekken stelt het gerecht weliswaar vast dat de verdachte in de periode van 5 november 2015 tot en met maart 2016 samen met anderen bezig is geweest met het beramen van een aanslag op het leven van [slachtoffer 2], maar bij gebreke van iedere communicatie vanaf maart 2016 tot en met 14 maart 2017, de dag van de moord, en daarna, alsook van ander bewijs waarop de conclusie kan worden gebaseerd dat de aanslag op [slachtoffer 2] op 14 maart 2017 het resultaat is van de tot en met 14 maart 2016 onder meer door de verdachte gevoerde gesprekken en/of verrichte handelingen, acht het gerecht, met de raadsvrouw, niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 3 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Partiële vrijspraak van feit 7

Het gerecht spreekt de verdachte ook vrij van het onder feit 7 ten laste gelegde witwassen van een Rolex Yacht-Master Stainless Steel en diamanten oorbellen. Uit de door de raadsvrouw overgelegde foto’s en hetgeen zij heeft aangevoerd blijkt dat de verdachte dit horloge al meer dan tien jaar in zijn bezit heeft. Het dossier bevat geen informatie over het toenmalige inkomen en/of vermogen van de verdachte, op grond waarvan nu zou moeten worden aangenomen dat het niet anders kan dan dat dit horloge uit (de opbrengst van) misdrijf is verkregen. Voor wat betreft de diamanten oorringen is het gerecht van oordeel dat de taxatiewaarde van deze oorringen, te weten 795 dollar, dusdanig gering is dat niet gezegd kan worden dat het niet anders kan dan dat deze met door misdrijf verkregen geld door de verdachte zijn verkregen.

Bewezenverklaring

Het gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 primair, 4, voor zover nog aan de orde, 5, 6 en 7 voor zover nog aan de orde, is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 8 februari 2021 in Curaçao en Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie zich noemende de No Limit Soldiers (NLS), bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen te weten de verdachte, [naam 1], [naam 6], [naam 7],

[naam 2], en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten:

  • -

    moord/doodslag, uitlokking van moord en andere geweldsdelicten en

  • -

    de invoer en uitvoer en de handel in verdovende middelen en

  • -

    (gewoonte)witwassen;

ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

onbekend gebleven anderen op 8 april 2016 in Saint Martin, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in het lichaam van die [slachtoffer 1] hebben geschoten, zijnde de uitvoering van de voorgenomen misdrijf niet voltooid,

welk feit de verdachte, tezamen en in vereniging met [naam 6], [naam 7] en [naam 1], in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 te Nederland en Saint Martin, door giften en beloften en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door:

- met elkaar te bespreken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van

[vriendin naam 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, zijnde de vriendin van
[naam 1] en

  • -

    met elkaar te bespreken dat er wraak genomen moet worden op de dood van [vriendin naam 1] op 5 november 2015 te Saint Martin en

  • -

    informatie in te winnen en uit te zoeken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [vriendin naam 1] en

  • -

    met elkaar te bespreken dat [slachtoffer 1] verantwoordelijk is voor de dood van
    [vriendin naam 1] en

  • -

    met elkaar te bespreken en te bepalen dat die [slachtoffer 1] dood moet en

  • -

    het vaststellen van een geldbedrag voor het doden van die [slachtoffer 1] en

  • -

    te bespreken wie in te schakelen om [slachtoffer 1] te doden en

  • -

    een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen voor het doden van die [slachtoffer 1] en

  • -

    het benaderen van die onbekend gebleven anderen en hun opdracht te geven [slachtoffer 1] te doden en

  • -

    de betaling, zijnde 50.000 dollar en 25 pond wiet aan die onbekend gebleven anderen te verrichten;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020 te Sint Maarten en Frankrijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgevoerd en heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram cocaïne;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao en Frankrijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgevoerd en heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram cocaïne;

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao, Sint Maarten, Nederland en Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens, om een feit bedoeld in artikel 3 eerste lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten het opzettelijk uitvoeren en invoeren en het opzettelijk verkopen en vervoeren (van verdovende middelen) voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en anderen gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, de verdachte en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende hij verdachte:

  • -

    PGP telefoons en telefoons voorhanden gehad en met die telefoons contacten onderhouden met anderen over het uitvoeren en invoeren van verdovende middelen en

  • -

    gecommuniceerd met anderen over de betalingen en de hoeveelheden van de verdovende middelen die uitgevoerd en ingevoerd moesten worden en

  • -

    gesprekken gevoerd over het verzenden en de aankomst en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en de prijzen voor die verdovende middelen en

  • -

    een chauffeur benaderd en/of geregeld die de verdovende middelen uit de containers moest halen en de verdovende middelen verder moest vervoeren en

  • -

    personen benaderd en/of geregeld en/of aangestuurd die de verdovende middelen uit de containers moesten halen en/of moesten ophalen en

  • -

    onderhandelingen gevoerd over de prijs en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en het doorverkopen van die verdovende middelen en

  • -

    onderhandelingen gevoerd met personen die de verdovende middelen zouden afnemen en

  • -

    geldbedragen voor de verdovende middelen bij personen opgehaald;

ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

hij op 8 februari 2021 te Curaçao voorwerpen, te weten

  1. een contant geldbedrag van 6.535,91 euro en

  2. een contant geldbedrag van 2.019,-- dollar en

  3. een contant geldbedrag van 735,- gulden

voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat voormelde geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 primair, 4, 5 en 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar in dit vonnis wordt verwezen. De overige bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage II die bij dit vonnis is gevoegd en daarvan deel uitmaakt.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Met betrekking tot de hieronder genoemde processen-verbaal, die zijn opgemaakt door verbalisanten met vermelding van alleen hun codenummer, overweegt het gerecht dat het deze processen-verbaal voor het bewijs gebruikt nu de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten in belangrijke mate steun vindt in de overige (zijnde andersoortige) bewijsmiddelen, door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om deze verbalisanten te horen en het gerecht de inhoud van deze processen-verbaal betrouwbaar oordeelt.

Overwegingen met betrekking tot anderen in hetzelfde feitencomplex

Het gerecht stelt vast dat niet alle in de onderhavige, grote en zeer complexe strafzaak voorkomende verdachten gelijktijdig (kunnen) worden berecht. Uiteraard kan dit vonnis geen oordeel inhouden over personen die thans niet terechtstaan. Het gerecht ontkomt er in het kader van het vaststellen van de mate van betrokkenheid van de – thans wel terechtstaande – verdachte echter niet aan om te verwijzen naar de rol van derden die mogelijk op een later moment nog zullen worden berecht. Het gerecht dient immers de feiten nauwkeurig vast te stellen, ook als die feiten raken aan de mogelijke betrokkenheid van derden. Het gerecht zal zich daarbij beperken tot hetgeen nodig is voor de vaststelling van de schuld van de verdachte en benadrukt dat, voor zover daarbij derden worden genoemd, dit geen oordeel over hun schuld inhoudt.

Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren met betrekking tot feit 2

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in haar pleitnotities betoogd – voor zover nog van belang - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde nu er onvoldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte betrokken is bij de aanslag op het leven van [slachtoffer 1]. Zij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat het bewijs steunt op gesprekken via een PGP Safe account, waarvan de verdachte niet de gebruiker was.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Op grond van de bewijsmiddelen, in het bijzonder het proces-verbaal van identificatie met nummer 303563, kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van het PGP account [account 1]. Anders dan de raadsvrouw beschouwt het gerecht de in dat proces-verbaal genoemde omstandigheden, die de verdachte aan dit account linken, niet afzonderlijk, maar in samenhang met elkaar. De enkele – verder niet van een concreet alternatief scenario voorziene - stelling van de raadsvrouw dat met [naam] of [naam] ook iemand anders kan zijn bedoeld, en dat meerdere personen gebruik kunnen maken van eenzelfde PGP account, miskent de betekenis van juist de samenhang van al die onderdelen. Het verweer vindt dan ook zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat de PGP gesprekken door de officier van justitie onjuist worden geïnterpreteerd. Verdachtes handelen was van te geringe betekenis voor de uiteindelijke verwezenlijking van de moordaanslag op [slachtoffer 1] om te kunnen spreken van deelneming van de verdachte aan de uitlokking daarvan.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Beoordelingskader met betrekking tot de uitleg van de PGP gesprekken, afgeluisterde telefoongesprekken en OVC gesprekken.

Het bewijs van feit 2 primair berust in aanzienlijke mate op de inhoud van door de verdachte en anderen gevoerde PGP Safe gesprekken en daarnaast ook op de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken en OVC gesprekken. Voor zover deze gesprekken voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, komt het aan op de betekenis die voor het bewijs moet worden toegekend aan de inhoud van die gesprekken. Hierbij kan worden gelet op de kring van de verdachten en met wie de gesprekken zijn gevoerd, alsmede de continuïteit waarin zij voorkomen en de overige gedragingen en gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze zijn verricht en zich hebben voorgedaan, zoals reisbewegingen, ontmoetingen e.d.

Vermoedelijk omdat de gespreksdeelnemers zich door het gebruik van PGP kennelijk onbespied wanen spreken zij zich in de onderhavige zaak vrij openlijk uit over hun plannen. Daarnaast wordt echter ook gebruik gemaakt van verhullend of anderszins niet direct duidelijk taalgebruik, zodat in die gevallen interpretatie nodig is om de juiste betekenis van een bericht te kunnen vaststellen. Voor zover dat het geval is bemoeilijkt dat het gebruik van deze gesprekken, hetgeen vereist dat met extra voorzichtigheid daarnaar wordt gekeken.

Om in weerwil van de letterlijk gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van de gesprekken niettemin te duiden als – kort gezegd – betrekking hebbend op de aanslag op het leven van [slachtoffer 1], is het nodig dat bij de bewijslevering behoedzaamheid wordt betracht. Immers, wanneer het ten aanzien van de betekenis van het gesprek in overwegende mate aankomt op de uitleg en interpretatie daarvan, is het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig.

De door het gerecht te betrachten behoedzaamheid brengt mee dat aan de berichten, gedragingen en gebeurtenissen die door de officier van justitie voorgestelde uitleg slechts dan kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere te bezigen bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Meer in het bijzonder zal het gerecht hebben na te gaan of de voor het bewijs te bezigen PGP gesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie van de gesprekken en de kring van deelnemers aan die gesprekken, in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen overigens ten aanzien van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op de een of andere wijze bij het strafbare feit dat in de beschuldiging centraal staat. Voorts kan het gerecht onder omstandigheden en in het licht van overig voorhanden bewijs ten bezware van de verdachte conclusies trekken uit zijn zwijgen of het ontbreken van een verifieerbare verklaring naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde gesprekken.

Het gerecht leidt, met inachtneming van het bovenstaande, uit de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende af.

Op 5 november 2015 wordt [vriendin naam 1], de vriendin van [naam 1], voor haar huis in Saint Martin doodgeschoten.

De verdachte is degene die dit op 6 november 2015 in de PI in Almelo aan [naam 1] meedeelt. De NLS zint op wraak en is op zoek naar de verantwoordelijke personen. Vanaf het begin fungeert de verdachte daarbij als doorgeefluik voor berichten tussen [naam 1] en [naam 6]. Ook zegt hij tegen [naam 6] dat zijn neef, een politieagent, bezig is te checken om het hem precies uit te leggen. [naam 6] zegt dat die neef informatie moet zoeken die is verstuurd met BlackBerry en dat “ze” - naar het gerecht aanneemt wordt hiermee bedoeld de NLS - bereid zijn om geld voor deze informatie te betalen en hij bezweert dat “ze” Sint Maarten gaan platbranden. De verdachte moet tegen [bijnaam naam 1] zeggen dat hij rustig moet blijven en sterk.

Nog diezelfde dag zegt [naam 6] tegen een onbekend gebleven persoon dat hij topschutters zoekt voor 100.000 per stuk, “to mess up” Sint Maarten. En tegen [naam 7] zegt hij dat hij [slachtoffer 1] wil vermoorden, omdat [slachtoffer 1] degene zou zijn die mensen van St. Kitts heeft gestuurd om [vriendin naam 1] te doden.
Uit een drietal gesprekken op 6 november 2015 blijkt dat de verdachte voor [naam 1] het contact verzorgt met [bijnaam naam 6] (het gerecht begrijpt: [naam 6]). De verdachte bevestigt er bovenop te blijven voor [naam 1].

Op 6 november 2015 vraagt [naam 1] aan de verdachte om na te laten gaan welke vlucht van SK (St. Kitts) gisteren is gegaan. En zegt dat ze moeten kijken of ze die kleine slanke man kunnen zien. De verdachte zegt toe dit te zullen doen.

In verschillende gesprekken van [naam 1], [naam 6] en [naam 7] in de periode na 5 november 2015 wordt expliciet gezegd dat (onder meer) [slachtoffer 1] gedood moet worden.

Hoewel moet worden toegegeven dat er geen gesprekken voorhanden zijn waarin dit met zoveel woorden tegen of door de verdachte wordt gezegd, houdt hij zich blijkens de door hem gevoerde gesprekken wel bezig met het opsporen van degenen die achter de moord op [vriendin naam 1] zitten, en krijgt hij op 10 november 2015 van [naam 6] te horen dat deze een groep uit St. Croix heeft klaarstaan om te “subi buta” (het gerecht: direct te doen). Als [naam 6] zegt dat hij wil weten wie het gedaan hebben, zodat zij kunnen zien wat pijn betekent, zegt de verdachte tegen hem dat o.a. [slachtoffer 1] het heeft gedaan, en dat zijn neef bezig is om het hem heel precies te zeggen. Op 13 november 2015 zegt de verdachte na een bezoek aan [naam 1] tegen [naam 6] dat [naam 1] wil dat er iets gebeurt voordat hij vrijkomt, er moet gas achter worden gezet.

Het gerecht leidt uit deze berichtenwisselingen af dat de verdachte niet alleen actief bezig was te achterhalen wie de daders waren van de moord op [vriendin naam 1], maar dat hij ook wist dat hun door – mogelijk – een groep uit St Croix, pijn zou worden gedaan. Dit kon, in samenhang met de context waarin deze berichtenwisselingen plaatsvonden, mede gezien verdachtes directe contact met zowel [naam 6] als [naam 1], wier intenties duidelijk blijken, en het ontbreken van enige andersluidende uitleg van de betekenis van deze berichten van de kant van de verdachte, niet anders betekenen dan dat hij wist dat [slachtoffer 1] geliquideerd zou worden. [naam 1] laat dan ook, een dag nadat hij de verdachte heeft gezegd dat er iets moet gebeuren voordat hij vrijkomt, aan [naam 8] weten dat [slachtoffer 1] nu spoedig zal worden vermoord.

In de periode december 2015 tot en met februari 2016 zet de verdachte het contact met [naam 1] voort. Uit PGP gesprekken in december 2015 blijkt dat de verdachte wacht op informatie van de mannen van [bijnaam naam 6] (het gerecht begrijpt: [naam 6]). De verdachte geeft door dat hij, zodra [bijnaam naam 6] reageert, de dingen zal regelen. Op 31 maart 2016 zegt de verdachte [naam 1] opnieuw toe om er gas onder te zetten en zegt [naam 1] dat het niet lang meer duurt voordat het zover is. Op 8 april 2016 wordt [slachtoffer 1] beschoten, waarna in samenspraak tussen [naam 6], [naam 7] en [naam 2] de betaling aan de schutters wordt geregeld.

Juridisch kader medeplegen

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat de verdachte daartoe met een of meer andere personen nauw en bewust samenwerkt in die zin dat de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of zelfs ná het strafbare feit. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

In casu heeft de uit de bewijsmiddelen blijkende bijdrage van de verdachte uitsluitend bestaan in zijn bijdrage voorafgaand aan de uitvoering van de moordaanslag op [slachtoffer 1].

Hij heeft vanaf het begin de taak op zich genomen om, in samenspraak met [naam 1] en anderen, te achterhalen wie verantwoordelijk waren voor de moord op [vriendin naam 1]. Hierbij schakelde hij zelfs een hem bekende politieman op Sint Maarten in. Ook geeft de verdachte de benodigde informatie door van [naam 1], die op dat moment gedetineerd zit, aan [naam 6] en omgekeerd, zodat beiden over dezelfde informatie beschikken en op de hoogte zijn van de actuele stand van zaken. Het is vervolgens de verdachte die [naam 6] op 10 november 2015 zegt dat onder andere [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1]) erachter zit.

Op verzoek van [naam 1] houdt de verdachte de vaart erin, onder meer door tegen [naam 6] te zeggen dat [naam 1] wil dat er iets gebeurt voordat hij vrij komt. Eind maart zegt hij [naam 1] opnieuw toe er gas onder te zetten, waarna de aanslag op [slachtoffer 1] korte tijd later volgt. Het gerecht leidt uit dit alles af dat de verdachte wist dat er een aanslag op het leven van [slachtoffer 1] gepleegd zou worden.

Anders dan de raadsvrouw is het gerecht daarom van oordeel dat de verdachte intensief heeft samengewerkt met [naam 1] en [naam 6], en een belangrijke rol heeft gespeeld bij zowel het richten van het vizier op [slachtoffer 1], als bij de bespoediging van het proces dat uiteindelijk heeft geleid tot de aanslag op diens leven.

Het door de raadsvrouw gevoerde verweer dat het bewijs uitsluitend kan worden gebaseerd op “andere geschriften” en dat steunbewijs ontbreekt, faalt reeds omdat voor het bewijs – naast andere geschriften - tevens gebruik wordt gemaakt van door opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal.

Het verweer wordt verworpen.

Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren met betrekking tot de feiten 4, 5 en 6

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de communicatie tussen [naam 1] en de verdachte aangevoerd dat deze niet voor het bewijs gebruikt mag worden op de grond dat de verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd en de gesprekken voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, zodat niet kan worden aangenomen dat de gesprekken over de handel in verdovende middelen gaan of dat de verdachte daarbij een rol heeft gespeeld. Ook kunnen vraagtekens worden gesteld bij de stemherkenning van [naam 1].

Het gerecht overweegt, met inachtneming van het hiervoor bij de overwegingen met betrekking tot feit 2 weergegeven beoordelingskader, als volgt.

Het bewijs van de onderhavige feiten berust in aanzienlijke mate op de inhoud van de uit de telefoon van de verdachte inzichtelijk gemaakte chatgesprekken die de verdachte via de platforms Signal en Whatsapp voerde met onder anderen [naam 1]. Anders dan de raadsvrouw ziet het gerecht geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [naam 1] in deze chats steeds de gesprekspartner van de verdachte is, nu deze vaststelling blijkens de bewijsmiddelen niet alleen is gebaseerd op de herkenning van diens stem, maar ook op de door [naam 1] gestuurde video-opnamen, waarin hij zich persoonlijk richt tot de verdachte.

De gespreksdeelnemers spreken niet met zoveel woorden over cocaïne, er worden nauwelijks (volledige) namen genoemd en men gebruikt codetaal en verhullende termen zoals “blokken”, “papier”, “druk zetten” en “dingen”.

Naar het oordeel van het gerecht blijkt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, echter zonneklaar dat de desbetreffende gesprekken betrekking hebben op een transport van 30 kilo cocaïne per vliegtuig naar Parijs half augustus 2020 en een transport van 172 kilo cocaïne per boot naar Le Havre begin 2021.
Zo blijkt uit de toezending door [naam 1] aan de verdachte van foto’s van (met in plastic verpakte blokken) koffers en bagagelabels met een gezamenlijk gewicht dat overeenkomt met de 30 kilo waarover [naam 1] en de verdachte spreken, vergezeld van de waarschuwing deze foto’s aan niemand door te sturen, zonder enige twijfel dat de voor het bewijs gebezigde communicatie tussen hen betrekking heeft op een in die (in Parijs aangekomen) koffers verpakte hoeveelheid cocaïne van ongeveer 30 kilo.

Ten aanzien van de partij van 172 kilo is dat verband zo mogelijk nog duidelijker. [naam 1] stuurt ook in dit geval weer foto’s van in plastic verpakte blokken aan de verdachte toe, ditmaal vergezeld van de door deze partij te volgen route, eindigend in Le Havre. Op andere door [naam 1] aan de verdachte toegezonden foto’s is de bestemming Le Havre goed te lezen, in een schrijfwijze die exact overeenkomt met die op de in Le Havre aangetroffen dozen, waarin zich ook daadwerkelijk pakketten met cocaïne bleken te bevinden.

Weliswaar is het [naam 1] die in de communicatie met de verdachte het meest aan het woord is, maar de verdachte laat op essentiële momenten blijken dat hij begrijpt wat de bedoeling is, door te zeggen dat hij zal spreken met bepaalde mensen, dingen zal regelen etc. Ook heeft [naam 1] het over “de twee koffers, die we hebben laten sturen” en ”10 voor ons gaat in de koffer”. De verdachte laat op geen enkel moment blijken dit niet te begrijpen of daar afstand van te nemen.

Met betrekking tot het transport van 172 kilo cocaïne wordt de verdachte door [naam 1] stap voor stap op de hoogte gehouden van het verloop van het transport over zee. Op 17 januari 2021 vraagt de verdachte aan [naam 1] waar en wat er uitgehaald moet worden en geeft de verdachte aan dat hij zal kijken zodat de chauffeur er morgen kan zijn.

Dat de verdachte [naam 1]s berichten alleen maar voor kennisgeving aanneemt en zelf geen enkele rol speelt, zoals de raadsvrouw stelt, wordt dus eveneens weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De uit hun onderlinge communicatie blijkende samenwerking tussen beide mannen is dermate nauw en intensief dat het gerecht verdachtes rol kwalificeert als die van medepleger. Dit betekent dat het verweer wordt verworpen.

Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren met betrekking tot feit 7

De raadsvrouw heeft – voor zover nog van belang - aangevoerd dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken, nu het geld dat de verdachte bij zich had niet afkomstig is uit enig misdrijf maar door hemzelf als personal trainer verdiend geld betreft.

Het gerecht overweegt als volgt.

De verdachte is woonachtig in Nederland. Hij heeft volgens de verstrekte gegevens van de Belastingdienst over de jaren 2015 tot en met 2019 geen inkomsten genoten. De inkomensgegevens over 2020 zijn nog niet binnen. Ook van de omzet van de eenmanszaak die de verdachte in 2021 heeft opgericht zijn geen (belasting)gegevens bekend.

De verdachte heeft op 8 februari 2021 in Curaçao een contant geldbedrag voorhanden gehad van ruim 8.000 euro in drie verschillende valuta. Dit geld heeft hij naar eigen zeggen meegenomen uit Nederland. Tegenover de politie heeft hij niets verklaard over de herkomst van dit geld. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij sinds januari 2021 een eenmanszaak heeft en dat hij dit geld heeft verdiend met zijn werk als personal trainer. Hoewel hij de inkomsten niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst is het dus geen “crimineel geld”, aldus de raadsvrouw in haar pleitnotities.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Nu verdachtes verklaring over de herkomst van het geld door geen enkel financieel bescheid wordt onderbouwd, en de verdachte desgevraagd, anders dan dat hij zegt dat hij 65 euro per uur verdient, ook niet in staat is om enigszins concreet en gedocumenteerd aan te geven hoeveel geld hij maandelijks overhield na aftrek van alle vaste lasten en levensonderhoud, acht het gerecht deze verklaring van de verdachte niet concreet of verifieerbaar. Het bestaan van voldoende omzet/inkomsten om de onder de verdachte aangetroffen geldbedragen te kunnen verantwoorden is dan ook niet aannemelijk geworden. Gelet daarop is de conclusie gerechtvaardigd dat het niet anders kan dan dat dit geld uit misdrijf afkomstig is.

Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren met betrekking tot feit 1

Aan de verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Gedoeld wordt op een samenwerkingsverband, ook wel aangeduid als No Limit Soldiers (NLS), tussen de verdachte en (onder anderen) ([bijnaam naam 1]) [naam 1], ([bijnaam naam 6]) [naam 6], [naam 7] en [naam 2].

Verweer raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van dit feit nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte strafbare feiten heeft gepleegd in een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. De raadsvrouw heeft met betrekking tot het bestanddeel organisatie aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat er in het geheel geen samenwerkingsverband bestond, laat staan dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen. De raadsvrouw heeft daartoe gesteld hetgeen in haar pleitnotities dienaangaande is vermeld.

Zij stelt daarin – kort gezegd –:

  • -

    de verdachte heeft geen flauw idee wie de andere verdachten zijn die met hem terechtstaan in deze zaak. Hij kent hen niet en kan dus niet met hen een samenwerkingsverband hebben gevormd. Ook bestond er geen gezamenlijk crimineel oogmerk;

  • -

    de verdachte kent [naam 1] en [naam 6] van jongs af aan, maar nu deze beide verdachten niet in de zaak Themis terechtstaan en zij daarover ook nimmer zijn gehoord kan er onmogelijk worden aangenomen dat de verdachte met hen een criminele organisatie heeft gevormd;

  • -

    niet is gebleken dat deze beweerde criminele organisatie daadwerkelijk strafbare feiten heeft gepleegd, waarbij de verdachte dan zou zijn betrokken.

Juridisch kader

Deelneming aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling dient ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Voor deelneming is voldoende dat de verdachte tot deze organisatie behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Niet is vereist dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Ook doet het er niet toe of de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, zijn gepleegd, dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen.

Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of zijn voorbereid). Niet is vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (opzettelijke) deelneming aan die organisatie. Die organisatie kan zijn iedere feitelijke samenwerking van twee of meer personen met een zekere structuur en duurzaamheid. Daaraan worden geen hoge eisen gesteld.

Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het veelvuldig voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en het bestaan van een bepaalde hiërarchie en/of geledingen.

Beoordeling

Op grond van de inhoud van de als bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, in samenhang met de inhoud van het dossier, voor zover daar in de hieronder opgenomen voetnoten naar wordt verwezen, stelt het gerecht het volgende vast.

Organisatie

NLS is van oorsprong een straatbende die is ontstaan in de wijk Koraalspecht op Curaçao. [naam 6] en [naam 1] komen beiden uit deze wijk, evenals [naam 9] en [naam 10]. De straatbende hield zich vooral bezig met overvallen, ripdeals en handel in verdovende middelen. De naam NLS is afkomstig van de rapgroep TRU (afkorting voor: The Real Untouchables) die in 1997 een album uitbracht met een nummer No Limit Soldiers.1

De groep gebruikt het woord TRU veelvuldig. Zo noemt [vriendin naam 1], de vriendin van [naam 1], in 2013 haar autoverhuurbedrijf [naam autoverhuurbedrijf].2 De leden gebruiken bijnamen zoals [bijnaam 1], [bijnaam 2], [bijnaam 3], [bijnaam 4], [bijnaam naam 6], [bijnaam 5]3, [bijnaam 6], [bijnaam 7], [bijnaam 8], [bijnaam 9]4 en [bijnaam 10].5

In een video die op 13 juli 2018 op Instagram is geplaatst zegt [naam 1] letterlijk: “No limit general, [bijnaam naam 1] ras, [bijnaam 2], [bijnaam 11], you understand? I represent all those names, them one by one. I take the steps. Its like a chapter you know? No limit tru 2 tru world wide brother”. Hij sluit het filmpje af met de woorden: Salute, No Limit [bijnaam naam 1].6

Andere gezamenlijke elementen die het lidmaatschap van de NLS kenmerken zijn het gebruik van bepaalde tatoeages van vuurwapens en teksten zoals: NLS, Tru 2 Tru, soldier, limit, Real Blood en het dragen van bepaalde kleding met opschriften die verwijzen naar NLS7, alsmede het dragen van bepaalde opvallende sieraden, zoals een gouden ketting met daaraan een hanger met een tank of de tekst “Tru”.8 In een bij de aanhouding van [naam 1] in 2013 aangetroffen telefoon zijn foto’s van hem aangetroffen met een ketting met een hanger van een tank en de tekst No Limit 1995/1996 Forever, foto’s met vuurwapens met eenzelfde hanger en foto’s van [naam 1] in een T-shirt met daarop de tekst NLS en een automatisch aanvalsgeweer in zijn handen.9

Dat NLS ook door anderen wordt gezien als een organisatie blijkt uit de verklaring van [naam 11] van 7 september 2013.10 [naam 11] verklaart dat haar vriend bijgenaamd [bijnaam 12] iemand had moeten vermoorden om te bewijzen dat hij NLS lid was. Omdat het regel is in de NLS dat er pas wordt uitbetaald als het doodsbericht in de media is verschenen, moest de foto naar [bijnaam naam 6] (het gerecht begrijpt: [naam 6]) worden gestuurd om hem te overtuigen dat de persoon werkelijk dood was. Pas hierna werd [bijnaam 12] betaald.

Oogmerk van de organisatie

De organisatie houdt zich onder meer bezig met de handel in verdovende middelen. Dit blijkt onder meer uit tussen [naam 1] en de verdachte uitgewisselde foto’s van, en gesprekken over, hoeveelheden verdovende middelen die uiteindelijk naar Parijs en Le Havre zijn vervoerd.11

Uit door [naam 6] en [naam 10] verzonden berichten blijkt eveneens dat zij zich bezig houden met de handel in verdovende middelen.12

Ook uit het Nederlandse onderzoek Haag is gebleken dat de NLS betrokken is bij handel in verdovende middelen. [naam 12] en [naam 13] kennen elkaar en komen regelmatig samen op bezoek bij [naam 1] in de PI Almelo. In de periode 11 april 2016 tot en met 26 april 2016 zijn met behulp van een technisch hulpmiddel gesprekken afgeluisterd die werden gevoerd in het voertuig dat in gebruik was bij [naam 13] en [naam 12]. Deze gesprekken, waaraan [naam 13] en/of [naam 12] en/of anderen deelnemen, gaan grotendeels over de handel in verdovende middelen. Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over grammen, kilo’s verstoppen, slikken, koken en rippen. In de gesprekken valt de naam NLS regelmatig. Ook vallen de namen van [bijnaam naam 1] ([naam 1]) en [bijnaam naam 6] ([naam 6]) regelmatig als degenen met wie zij samenwerken.

Uit deze gesprekken blijkt voorts dat de organisatie zich daarnaast bezighoudt met ernstige geweldsdelicten.

Zo wordt er gesproken over vuurwapens (o.a. een Glock met demper) en over het vermoorden van mensen, die kennelijk hebben gestolen van hen. Wij zijn No Limit zegt [naam 13] op 11 april 2016. Op 25 april 2016 zegt [naam 12]: “Wij zijn geen No Limit Soldier, maar Organize Crime Gang”. Opvallend is het gesprek op 20 april 2016 waarin een onbekende man zegt dat er veel doden zullen vallen in Rotterdam als [bijnaam naam 1] straks vrijkomt.13

Uit heimelijk afgeluisterde gesprekken tussen [naam 12], [naam 13] en [naam 1] in de PI Almelo in de periode oktober 2015 tot mei 2016 blijkt dat [naam 1] wraak wil nemen op degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van zijn vriendin [vriendin naam 1]. [naam 13] en [naam 1] spreken over de nieuwe No Limit, die “No Limit Real Support” moet heten en “No Limit Money Mafia.”14


Uit een telefoongesprek op 7 november 2015 blijkt dat [naam 1] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verantwoordelijk houdt voor de dood van [vriendin naam 1].15 In een PGP gesprek op 9 november 2015 zegt [naam 6] dat hij een budget van 500.000,- USD beschikbaar stelt voor het ombrengen van [slachtoffer 1] (het gerecht begrijp: [slachtoffer 1]), [naam 14] (het gerecht begrijpt: [naam 14]) en [slachtoffer 2] (het gerecht begrijp: [slachtoffer 2]).16

Uit een afgeluisterd gesprek in de PI te Almelo tussen [naam 1], [naam 13] en [naam 12] op 15 maart 2016 zegt [naam 1] dat ook de tweeling van Town (het gerecht begrijpt: de broers [naam 15]) hard moet worden aangepakt en dat hij data heeft bepaald om mensen te vegen, te weten 5 november.17

In een PGP gesprek tussen [naam 2] en [naam 6] op 10 april 2016 wordt besproken dat [naam 14] de opdrachtgever is van de moord op [vriendin naam 1] en dat [naam 16] (het gerecht begrijpt: [naam 16] ) daarvoor heeft betaald. Zij bespreken dat ze een kans moeten zoeken om [naam 16] in de gevangenis te pakken te krijgen.18

Op 7 februari 2016 wordt [naam 14] vermoord. Op 8 april 2016 vindt de moordaanslag op [slachtoffer 1] plaats. Hij overleeft. Op 31 augustus 2016 wordt in de Point Blanche gevangenis op Sint Maarten [naam 16] vermoord. In de nacht van 5 op 6 november 2016 vindt een schietpartij plaats bij de woning van de gebroeders [naam 15] in Philipsburg. En op 14 maart 2017 wordt [slachtoffer 2] vermoord.19

Tenslotte houdt de organisatie zich bezig met het witwassen van het geld en de goederen afkomstig van haar criminele activiteiten. Zo brengt [naam 9] in opdracht van [naam 6] periodiek geld rond aan verschillende familieleden en ex-vriendinnen van [naam 6], en stort hij aanzienlijke bedragen op de kantine-rekening van verschillende personen die in de SDKK zijn gedetineerd wegens veroordelingen voor aan NLS toegeschreven misdrijven.20

[naam 10] heeft, als financiële man van de organisatie, gedurende een aanzienlijke periode zeer grote geldbedragen witgewassen. 2122

Hiërarchische structuur

[naam 6] en [naam 1] worden beschouwd als de leiders van de organisatie. Zoals hiervoor al vermeld, noemt [naam 1] zichzelf No Limit [naam 3]. [naam 6] wordt [bijnaam 13] of [bijnaam 4] genoemd.23 [naam 6] noemt [naam 10] zijn eersterangs vertrouwensman, zijn vice-president.24Andere deelnemers aan de organisatie worden soldaten genoemd. Zo zegt [naam 1] in een gesprek op 11 maart 2016 dat hij een soldaat nodig heeft.25 En op 1 oktober 2015 zegt [naam 13] tegen [naam 1]: “Je weet niet wat zij jouw soldaat hebben aangedaan. Ze hebben geprobeerd mij uit de weg te ruimen.”26

Dat [naam 1] een belangrijke rol vervult binnen de organisatie blijkt ook uit de vele telefoongesprekken, PGP gesprekken en andere berichten die zich in het dossier bevinden, waarvan het gerecht er ter illustratie enkele zal weergeven.27

In de telefoongesprekken die [naam 1] voert in de periode dat hij gedetineerd is in Almelo in 2015/2016 geeft hij diverse leden van de NLS opdrachten. Op 10 oktober 2015 zegt [naam 1] tegen [naam 12] dat hij contact moet opnemen met [naam 17], zodat zij die man “vuil” maken. [naam 12] zegt: “Ik doe het meteen.”

Op 6 november 2015 zegt [naam 1] tegen [naam 8] en [naam 18]: “Ze hebben mijn meisje vermoord. Als je mijn meisje wat aandoet, dan kan niemand mij nog tegenhouden want dan doe ik jou iets aan. (…) Ik wil mijn kinderen daar als de sodemieter weg hebben (…). Ik wil dat je in de buurt bent en orde op zaken stelt.” [naam 18] antwoordt: “Ik ga meteen en doe wat jij wil daar”.

Op 6 november 2015 geeft [naam 1] aan de verdachte de opdracht om er bovenop te blijven zitten en om na te gaan wie er op de vlucht van SK (het gerecht: St. Kitts, waar de vermeende plegers van de moord op [vriendin naam 1] vandaan zouden zijn gekomen) is gegaan. De verdachte antwoordt dat hij het zal doen.28

Op 15 november 2015 zegt [naam 1] tegen [naam 12] dat hij pen en papier moet pakken omdat “de straat een wake up call nodig heeft”. Diezelfde dag verschijnt een bericht op internet, waarin [slachtoffer 2] wordt duidelijk gemaakt dat ze hem zullen vinden, ondertekend met: “Nolimit”.29

Op 1 december 2015 geeft [naam 1], nadat [naam 12] de telefoon aan [naam 17] heeft gegeven, aan [naam 17] de opdracht om naar [bijnaam 6] te gaan en om dingen voor hem te regelen.

In een telefoongesprek op 4 maart 2016 zegt [naam 1] tegen [naam 12] dat hij geen tegenspraak duldt en dat hij niemand de boel laat runnen. [naam 12] zegt: “wat ik er ook mee doen moet van jou, zo was het vanaf het begin en zo zal het altijd blijven.”
In een afgeluisterd telefoongesprek op 30 maart 2016 zegt [naam 1] tegen een onbekende vrouw dat jongens niet loyaal zijn en de dingen niet doen zoals het hoort, en dat hij ze uit de bende zet als hij vrijkomt.30

In een afgeluisterd telefoongesprek op 24 november 2020 tussen [naam 1] en de verdachte zegt [naam 1] dat hij degene is die de blokken stuurt en dat de verdachte respect moet hebben voor de mensen die hem willen helpen.31

[naam 6] wordt eveneens een leidende rol binnen de NLS toegedicht. [naam 19] noemt [alphabethreeks 1] (het gerecht begrijpt: [naam 6]) in een gesprek met [naam 20]: “zijn hele goeie vriend, de intelligente baas van de NLS.”32

Ook [naam 7] noemt [naam 6] de baas van de NLS.

In een bericht tussen [naam 7] en [naam 6] op 28 mei 2016 zegt [naam 7] dat hij heeft gesproken met de Panama baas die 50 “food” naar Holland wil sturen. [naam 6] antwoordt dat hij in contact met hem wil komen. De volgende dag stuurt [naam 7] een bericht aan een man die in zijn telefoon staat opgeslagen als Panama baas ([bijnaam 14]) en hij zegt tegen hem dat als hij in contact komt met “zijn baas” (het gerecht begrijpt: [naam 6]) dat dan al zijn problemen voorbij zijn. “Wij kunnen 1000 tot 2000 verplaatsen. Hij is echt powerful en hij is de baas van NLS”.33

[naam 6] is ook degene die op 5 november 2015 aan de verdachte de opdracht geeft om op Sint Maarten uit te zoeken wie er achter de moord op [vriendin naam 1] zitten.34 Tegen [naam 7] zegt [naam 6] dat hij [slachtoffer 1] en [naam 14] wil vermoorden en dat hij bereid is daarvoor te betalen.35

In zaaksdossier Zambesi geeft [naam 6] aan [naam 2] de opdracht om iemand af te persen.36

Tenslotte wil het gerecht niet onvermeld laten dat er PGP gesprekken van [naam 6] zijn aangetroffen waarin hij in november 2015 met onbekend gebleven personen spreekt over het via politici verwerven van politieke macht in Curaçao.37 In deze gesprekken wordt [naam 6] op de hoogte gebracht van de politieke situatie in Curaçao. In deze gesprekken wordt door de onbekend gebleven persoon onder meer gezegd: “We hebben papier (het gerecht begrijpt: geld) nodig om in deze komende verkiezing te pompen.” En over enkele politici: “Zij doen wat ik zeg. Zolang er geld is doen ze wat wij willen. Het geld stuurt hen”. Hij vervolgt: “geloof me, als wij pompen en zij weer winnen zal Justitie ons zeker lukken Sangre, geloof me” waarop [naam 6] zegt: “zeker goed, we zullen daar binnen moeten zijn”.

Tegen een andere gesprekspartner zegt [naam 6]: “Het is geld dat de mensen verandert. Met 1 miljoen winnen wij de verkiezingen”.

Het gerecht concludeert op grond van dit alles dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband, dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Ten aanzien van verdachtes rol daarin wordt het volgende overwogen.

Deelneming verdachte

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [naam 1] van jongs af aan kent. Zoals hierboven al is besproken, speelt de verdachte een belangrijke rol bij het achterhalen van de daders van de moordaanslag op de vriendin van [naam 1]. Hij overlegt hierover vanaf de datum van die aanslag tot aan de daadwerkelijke aanslag op het leven van [slachtoffer 1], veelvuldig met [naam 1] en [naam 6], waarbij de verdachte de naam van [slachtoffer 1] – en overigens ook die van [slachtoffer 2] - als dader van de aanslag op [vriendin naam 1] noemt. Ook zorgt hij er op instigatie van [naam 1] voor, dat er druk op de zaak blijft, zodat er iets kan gebeuren voordat [naam 1] uit de gevangenis komt.

In 2020 heeft de verdachte nog steeds contact met [naam 1]. Samen met [naam 1] is hij eind 2020, begin 2021 betrokken bij de uitvoer van twee partijen cocaïne naar Frankrijk. De verdachte wordt door [naam 1] stap voor stap op de hoogte gehouden van het verloop van deze transporten. Daarbij valt op dat [naam 1] regelmatig in de “wij-vorm spreekt en de verdachte met hem meepraat over de gang van zaken, en aangeeft dingen te zullen regelen. Uit deze gesprekken blijkt naar het oordeel van het gerecht dat de verdachte voor de ontvangst en het verdere vervoer van deze partijen het rechtstreekse aanspreekpunt voor [naam 1] was.

Het gerecht acht op grond van al het bovenstaande bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft deelgenomen aan een duurzaam samenwerkingsverband met in ieder geval [naam 1], [naam 6] en anderen, dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven, in het bijzonder de handel in cocaïne, ernstige geweldsmisdrijven, waaronder (poging tot) moord, en gewoontewitwassen.

De verdachte stond dicht bij [naam 1] en werkte nauw met hem samen. Zoals eerder overwogen doet daarbij niet ter zake of alle deelnemers opzet hadden op alle misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had. Datzelfde geldt voor het feit dat niet alle deelnemers aan de organisatie hebben samengewerkt en dat de verdachte hen ook niet allemaal kende.

Ook het feit dat [naam 1] noch [naam 6] tot op heden voor hun betrokkenheid en deelneming aan deze organisatie zijn vervolgd of veroordeeld of zelfs maar in deze zaak zijn gehoord, doet hieraan niet af, aangezien dat geen eis is die de wet stelt aan het bestaan van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde -

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde -

medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord;

ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde -

de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod,

meermalen gepleegd;

en

om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A en B van de Opiumlandsverordening 1960, opzettelijk gepleegd, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en anderen gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten,

meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde -

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De officier van justitie acht alle feiten bewezen en heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tweeëntwintig jaar met aftrek van de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft zij de verbeurdverklaring gevorderd van de onder de verdachte in beslag genomen sieraden en contant geld.

De raadsvrouw heeft verzocht, indien het gerecht tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de omstandigheden in de SDKK, hetgeen tot aanzienlijke strafverlaging dient te leiden.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen heeft het gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Deze strafzaak is voortgekomen uit een grootschalig en langlopend opsporingsonderzoek genaamd Themis. Hoewel (nog) niet alle verdachten in deze zaak zijn aangehouden, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende een geruime periode, in ieder geval vanaf 2015, heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband dat zich bezig hield met de internationale handel in verdovende middelen, waarvan de opbrengsten werden witgewassen, alsook met ernstige geweldsmisdrijven, waaronder (poging tot) moord.

De organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte opereert over de hele wereld en is goed georganiseerd. Zo is er een duidelijke hiërarchie en wordt veelvuldig gebruik gemaakt van PGP telefoons, waarmee men de wereldwijde contacten met elkaar en anderen onderhoudt. De organisatie beschikt over zeer grote geldbedragen, die onder meer worden ingezet om gevangengenomen leden en familie en vrienden te onderhouden. Ook worden aanzienlijke bezittingen verworven in de bovenwereld, onder meer onroerend goed. De organisatie schrikt er niet voor terug om dodelijk geweld in te zetten tegen vermeende vijanden. Tenslotte tracht zij door het inzetten van crimineel geld invloed te verwerven in de Curaçaose politiek.

Omdat de strafbare feiten door de verdachte zijn gepleegd in georganiseerd verband, zal het gerecht ook kijken naar de rol die de verdachte in die organisatie ten aanzien van het plegen van die feiten heeft gepleegd.

De verdachte is in ieder geval vanaf 2015 betrokken bij de organisatie. Hij is degene die op 6 november 2015 [naam 1] bezoekt in de gevangenis in Almelo, om hem te vertellen dat zijn vriendin is vermoord.

Zelf heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee transporten van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne naar Frankrijk. Ook heeft hij samen met anderen de aanslag op het leven van een ander beraamd en uitgelokt.

Blijkens afgeluisterde telefoongesprekken en PGP berichten heeft de verdachte bij de bewezenverklaarde handel in verdovende middelen een coördinerende rol vervuld. De twee bewezenverklaarde transporten betroffen in totaal ongeveer 200 kilo cocaïne. Cocaïne is schadelijk voor de volksgezondheid en de handel in, en het gebruik van cocaïne veroorzaakt grote maatschappelijke problemen, en leidt veelvuldig tot geweldsdelicten.

Bij de aanslag op het leven van [slachtoffer 1] is de verdachte niet zelf de initiator, maar staat hij wel in rechtstreeks contact met de leiders van de organisatie die de opdracht daartoe hebben gegeven, als wraak voor de moord op de vriendin van een van hen. Wel heeft de verdachte een belangrijke rol gespeeld bij het - via een politieagent op Sint Maarten – achterhalen van de vermeende plegers van de moordaanslag. Ook heeft hij er in nauw overleg met de leiders van de organisatie voor gezorgd dat de druk op de ketel bleef, zodat de aanslag ook daadwerkelijk kon plaatsvinden.

Ten slotte heeft de verdachte geld witgewassen en op die manier meegewerkt aan de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, waardoor misdrijven kunnen lonen.

De verdachte heeft er geen blijk van gegeven het strafwaardige van zijn handelen in te zien

De combinatie van de bewezenverklaarde feiten is zeer ernstig en levert een bedreiging op voor de openbare orde en de veiligheid en gezondheid van personen, zodat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die een vrijheidsbeneming van lange duur meebrengt.

Het gerecht heeft in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Ook houdt het gerecht in strafmatigende zin enigszins rekening met de relatief zware detentieomstandigheden in de SDKK. Daarnaast zijn geen persoonlijke omstandigheden naar voren gekomen die in het voordeel van de verdachte moeten strekken.

Al het voorgaande leidt ertoe dat het gerecht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar passend en geboden acht.

Verbeurdverklaring

Het onder feit 7 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 6.535,-, USD 2.019,- en ANG 735,-. Het geld behoort toe aan de verdachte. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 1:62, 1:67, 1:68, 1:119, 1:123, 1:133, 1:136, 2:79, 2:262 en 2:404 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumlandsverordening 1960.

Beslissing

Het gerecht:

verklaart de dagvaarding onder feit 4 ten aanzien van het onderdeel “een of meerdere grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en of hennep” partieel nietig;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 primair en subsidiair en onder feit 7 met betrekking tot de Rolex Yacht-Master Stainless Steel en diamanten oorbellen ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 4 – voor zover nog aan de orde - 5, 6 en 7 – voor zover nog aan de orde - heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 primair, 4 – voor zover nog aan de orde – 5, 6 en 7 – voor zover nog aan de orde - meer of anders ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor omschreven en verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 14 (veertien) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

Verklaard verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen van € 6.535,-, USD 2.019,- en ANG 735,-.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. drs. S.M. van Lieshout, bijgestaan door mr. F. Kruiswijk, zittingsgriffier, en op 11 augustus 2022 in tegenwoordigheid van voornoemde griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

1 Proces-verbaal met nummer 308903 (zaaksdossier criminele organisatie, R1 p. 02)

2 Proces-verbaal met nummer 308903 (zaaksdossier criminele organisatie, R1 p. 03)

3 Proces-verbaal met nummer 291826 (zaaksdossier Hera, R5 p. 151 t/m 159)

4 Proces-verbaal met nummer 335765 (persoonsdossier [naam 2], R5 p. 1 t/m 9)

5 Proces-verbaal met nummer 647 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 101 t/m 109

6 Proces-verbaal met nummer 318383 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 605 t/m 606)

7 Proces-verbaal met nummer 66-2 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 68 t/m 100)

8 Proces-verbaal met nummer 311263 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 42 t/m 43)

9 Proces-verbaal met nummer 66-2 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 68 t/m 100)

10 Proces-verbaal met nummer 201309070900 (zaaksdossier criminele organisatie, R3 p. 01 t/m 07)

11 Proces-verbaal met nummer 336463 (zaaksdossier Sparrow, R1 p. 01 t/m 16)

12 Proces-verbaal met nummer 352356 (zaaksdossier witwassen [naam 10], R5 p. 443 t/m 452) Proces-verbaal met nummer 371378 (zaaksdossier witwassen [naam 10]e, R5 p. 498 t/m 539)

13 Proces-verbaal met nummer 323066 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 110 t/m 126)

14 Proces-verbaal met nummer 327349 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 127 t/m 141)

15 Tapgesprek van 7 november 2015 (zaaksdossier Hera, R5 p. 96 t/m 97)

16 PGP gesprek van 9 november 2015 (zaaksdossier Hera, R1 p. 22)

17 OVC gesprek op 15 maart 2016 (zaaksdossier Gaia, R5 p. 23 t/m 24)

18 PGP gesprek van 10 april 2016 (zaaksdossier Ares, R1 p. 07)

19 Proces-verbaal met nummer 308903 (zaaksdossier criminele organisatie, R1 p. 43, R1 p. 45, R1 p. 49, R1 p. 50 en R1 p. 54)

20 Proces-verbaal met nummer 351835 (zaaksdossier witwassen [naam 9], R1 p. 1 t/m 18)

21 Proces-verbaal nummer 354060 (zaaksdossier witwassen [naam 10], R1 p. 1 t/m 46)

22 Proces-verbaal nummer 371378 (zaaksdossier witwassen [naam 10], R5 p. 498 t/m 539)

23 Proces-verbaal met nummer 291826 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 590 t/m 598) Proces-verbaal met nummer 322044 (zaaksdossier criminele organisatie, R5 p. 251 t/m 255)

24 Proces-verbaal met nummer 354060 (zaaksdossier witwassen [naam 10], R1 p. 30 t/m 31)

25 Proces-verbaal met nummer 327349 (zaaksdossier Hera, R5 p. 55)

26 Proces-verbaal bevindingen tapgesprekken Haag (zaaksdossier Hera, R5 p. 49)

27 Proces-verbaal met nummer 327349 (zaaksdossier Hera, R5 p. 48 t/m 123)

28 Tapgesprek van 6 november 2015 (zaaksdossier Hera, R5 p. 22)

29 Internetbericht op 15 november 2015 (zaaksdossier Gaia, R5 p. 02)

30 Proces-verbaal met nummer 308903 (zaaksdossier criminele organisatie, R 1 p. 10)

31 Tapgesprek van 24 november 2020 (zaaksdossier Sparrow, R5 p. 48)

32 Proces-verbaal met nummer 310257 (zaaksdossier Zambesi, R5 p. 4 t/m 9 en R5 p. 20)

33 Proces-verbaal met nummer 337246 (zaaksdossier Sparrow, R5 p. 640)

34 Proces-verbaal met nummer 302607 (zaaksdossier Hera, R1 p. 9)

35 Proces-verbaal met nummer 302607 (zaaksdossier Hera, R1 p. 21)

36 Proces-verbaal met nummer 310257 (zaaksdossier Zambesi, R1 p. 3)

37 Proces-verbaal met nummer 308903 (zaaksdossier criminele organisatie, R1 p. 99 t/m 100)