Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:99

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
CUR201801082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding verzekeraar na auto-ongeval. Doorbreking causaliteit. Zelf betaald hulpmiddel en verzekering. Verlies arbeidsvermogen. Passeren bewijsaanbod. Schatting. Huishoudelijke hulp. Immateriële schadevergoeding. Buitengerechtelijke kosten. Ingangsdatum wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201801082

Vonnis van 10 mei 2021

inzake

[eiseres],

wonende in Curaçao,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols,

tegen

[gedaagde],

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen (hierna: producties), op 13 april 2018 ter griffie ingediend;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 21 november 2011 raakte [eiseres] betrokken bij een auto-ongeluk, dat werd veroorzaakt door een bestuurder van een bij [gedaagde] verzekerd voertuig. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van dit ongeluk erkend.

2.2. [

gedaagde] heeft [eiseres] laten onderzoeken door haar medisch adviseur, H.L.J. van der Huls (hierna: van der Huls). In zijn rapport van 2 februari 2012 staat, voor zover voor deze zaak van belang, het volgende:

Letselgegevens na het ongeval hoofd-, nek-, rugpijn.

Stand van zaken m.b.t. therapie medicijnen en nekband. Nu nog pijn bij draaien hoofd, regelmatig pijn re schouder uitstralend naar re arm en hand, wat lage rugpijn

LICHAMELIJK ONDERZOEK bij draaien hoofd naar recht, li aanhechtingspijn li trapezius. Diffuse pij re schouder, wat lage myogene rugpijn. Slapen is ongestoord, nu geen hoofdpijnen, wel als ze gehaast is.

MEDISCH ADVIES EEN SESSIE VAN 6X FYSIOTHERAPIE ZOU HAAR HELPEN HAAR (PIJN)GRENZEN TE VERLEGGEN. TEVENS DOORGAAN VAN PIJNSTILLING ZONODIG.

Zwaarte-inschatting licht

Voorlopige invaliditeit van de gehele mens

Percentage invaliditeit geen.:

(…)

Huishoudelijke hulp:

(…)

Na ongeval : ivm re uitstralend schouderklachten is her zwaardere huishoudelijk werk beperkt. (moppen, wringen)

Aantal uren : 2 x pw hulp

(…)

Causaal verband met ongeval : ja

ARDEIDSGEGEVENS

Werkgever : Valt af en toe in (ziekte, vakanties) als dokters assistent bij Wilsoe en Bekele.

Functie : assistente

Arbeidsovereenkomst : Wel SVB ziektekosten verzekerd, geen SVB controle AO.

ALGEMENE OPMERKINGEN

Nu 2 maanden na het ongeval kan ze wel al weer licht administratief werk aan. Zij

heeft een WAD 1-2, terug verwezen naar HA voor een sessie FT.

(…)

Schatting medische einddatum : 2 maanden

Beperkingenprofiel : tzt geen ,nu voor het zwaardere werk

2.3.

Op 2 december 2014 heeft de medisch adviseur van [eiseres], revalidatiearts W.C.G. Blanken (hierna: Blanken), voor zover van belang voor deze zaak, het volgende advies gegeven:

Uw cliënte is functioneel beperkt in haar huishoudelijke activiteiten, maar ook in haar loonvormende werkzaamheden. Ten tijde van het ongeval zou uw cliënte fulltime gaan werken bij collega Wilson, huisarts.

Uiteindelijk kon dit vanwege voormelde klachten niet doorgaan en heeft uw cliënte een baan geaccepteerd bij de kinderarts Muskiet.

Uw cliënte kan vanwege voormelde problemen echter niet fulltime werken en kan zij eigenlijk maar vier uur per dag werken. Uw cliënte zou wel graag fulltime willen werken.

Het werk bij de kinderarts is voor uw cliënte fysiek belastend. Uw cliënte moet zelfstandig kinderen onderzoeken, meten en wegen en moet dus veel tillen. Dit levert pijnklachten op in de nek en in de schoudergordel.

(…)

Ondanks verschillende vormen van behandeling zijn de klachten van uw cliënte niet volledig verdwenen. Er blijven pijnklachten bestaan.

(…)

Ik denk dat u conform de AMA-criteria 6e editie kunt afwikkelen op basis van een percentage blijvende functionele invaliditeit van 3% van de gehele persoon met beperkingen ten aanzien van alle langdurig statisch en dynamische belasting van de nek en van de schoudergordel.

2.4.

Blanken heeft dit advies op 30 juli 2015 en 26 september 2015 herhaald, waarbij hij opmerkt dat er geen behandeling meer plaatsvindt waarvan mag worden verwacht dat daardoor een significante verbetering van het klachtenbeeld optreedt.

2.5.

Op 13 juli 2018 heeft de medisch adviseur van [gedaagde], verzekeringsarts E.H. Groenewegen (hierna: Groenewegen), voor zover van belang voor deze zaak, het volgende advies gegeven:

Uit de medische stukken blijken geen structurele stoornissen aan de halswervelkolom en schoudergordel. De klachten betreffen kneuzingen waarbij moet worden opgemerkt dat ook gesproken wordt van artrose aan de halswervelkolom. Deze artrose staat uiteraard los van het ons regarderende ongeval. Ik tref in de stukken geen verslagen van beeldvormende diagnostiek aan. Collega Blanken spreekt van een MRI waarvan hij de uitslag zou opvragen. Ook deze uitslag tref ik niet aan in de stukken. Ook rept collega Blanken van een brief van neuroloog Rico. Deze brief tref ik niet aan in het ons beschikbare dossier. Uiteraard zie ik deze stukken nog graag tegemoet alsmede de eerdere uitkomsten van beeldvormende diagnostiek waaruit de artrose van de halswervelkolom blijkt.

Uitgaande van spierkneuzingen die niet van ernstige aard geweest kunnen zijn gezien de laag energetische impact van het ongeval, zullen deze binnen enkele weken zijn hersteld. Een persisteren van de klachten is dan ook niet medisch te verklaren vanuit het ongeval hetgeen zeker ook geldt voor het terugkeren en erger worden van de klachten. Daarbij moet opgemerkt worden dat fysiotherapeut Helena feitelijk al een herstel beschrijft in haar brief van 25 februari 2013. De nog genoemde klachten zijn van spiergebonden aard die geen traumatische origine kunnen hebben.

Ook de later optredende klachten aan de onderrug zijn alleen al gezien de melding geruime tijd na het ongeval niet aan het ons regarderende ongeval te relateren. De lage rugklachten worden voor januari 2013 niet genoemd. Wel past het bij aspecifieke spiergebonden klachten die veel voorkomen in de algemene bevolking ook zonder voorafgaand trauma. Los daarvan blijkt ook uit de stukken dat betrokkene bij een val op 13 januari 2013 lage rugklachten heeft gekregen. Dit voorval wordt door collega Blanken niet eens genoemd. Collega Blanken geeft ook geen medische argumenten waarom de spiergebonden klachten door het ons regarderende ongeval zijn veroorzaakt. Ook is natuurlijk opvallend dat er langere perioden zitten tussen de behandelingen van de fysiotherapeuten en zoek aan de huisarts, hetgeen ook niet wijst op voortdurende ernstige klachten.

Geconcludeerd kan worden dat er hoogstens sprake is van een beperkte periode van spiergebonden klachten van de nek met een restloos herstel van alle ongeval gevolgen zonder BI en/of beperkingen.

2.6.

Op 2 december 2018 heeft Groenewegen na ontvangst van aanvullende medische informatie geconcludeerd dat deze informatie in essentie geen nieuwe gezichtspunten geeft en feitelijk zijn eerdere overwegingen en conclusies bevestigt. Hierin wordt volgens hem immers de artrose van de halswervelkolom bevestigd evenals de geleidelijke toename in de tijd. Deze artrose geeft volgens hem als zodanig al voldoende grond voor de klachten.

2.7.

Op 16 januari 2020 heeft Blanken, voor zover van belang voor deze zaak, als volgt gereageerd op de medisch adviezen van Groenewegen:

Collega Groenewegen stelt een soort van standaard advies op zoals wij dat tegenwoordig vaker lezen van medisch adviseurs van verzekeraars waarin er wordt aangegeven dat er bij het uw cliënte overkomen ongeval sprake is geweest van spierkneuzingen die niet van ernstige aard kunnen zijn geweest gezien de laag energetische impact van het ongeval. (…)

(…)

In eerste instantie wil ik u erop wijzen dat er bij uw cliënte inderdaad enige degeneratieve afwijkingen in de nek zijn vastgesteld. Gezien de leeftijd van uw cliënte is dat ook niet zo verwonderlijk.

Het zou eerder verwonderlijk zijn als er bij uw cliënte geen degeneratieve afwijkingen in de nek aanwezig zouden zijn.

Het hebben van degeneratieve afwijkingen, zeker in de geringe mate waarin die bij uw cliënte zijn aangetoond, zegt helemaal niets over het hebben of krijgen van klachten laat staan van het hebben of krijgen van functionele beperkingen. Er zijn talloos veel mensen die dit soort van artrotische afwijkingen hebben - en ook erger tot aan hernia's aan toe - en bij wie er geen enkele sprake is van klachten en bij wie er ook nooit klachten zullen optreden.

Ik durf zelfs te bewezen dat er bij het merendeel van de mensen boven een bepaalde leeftijd degeneratieve afwijkingen te zien zijn die nooit enig probleem opleveren. Het ongeval weggedacht, dient er bij uw cliënte van uit te worden gegaan, dat ook bij uw cliënte geen problemen zouden zijn opgetreden.

De voorgeschiedenis van uw cliënte is blanco. De opmerking van collega Groenewegen dat de afwijkingen die er in de nek zijn vastgesteld, dat wil zeggen de artrotische afwijkingen, al voldoende reden zijn voor de klachten, is volkomen uit de lucht gegrepen en kan ook medisch inhoudelijk niet worden bewezen. Uw cliënte had voor het ongeval deze degeneratieve afwijkingen in de nek ook al en had geen pijn noch klachten uitgaande van de nek.

Verder is het zo dat ik het ook niet eens ben met de overige stellingnames van collega Groenewegen.

Anders dan collega Groenewegen aangeeft, kunnen de klachten zoals die bij uw cliënte zijn opgetreden wel degelijk langdurig aanhouden.

Wij weten dat klachten bij een postwhiplashsyndroom, ook al is de impact of krachtsinwerking bij het ongeval beperkt geweest, lang kunnen blijven bestaan en soms niet overgaan.

Van belang in deze casus is dat er bij uw cliënte sprake is van een blanco voorgeschiedenis. Er is een goed gedocumenteerde ziektegeschiedenis na het ongeval met het consistent aangeven van klachten en beperkingen en afwijkende bevindingen bij onderzoek, die allemaal passen bij een doorgemaakt versnellingsletsel van de halswervelkolom en het hoofd en dit versnellingsletsel is ook de reden van de aanhoudende klachten van uw cliënte hetgeen - anders dan collega Groenewegen stelt en ook blijkt uit het ons ter beschikking staande dossier - absoluut niet binnen enkele weken is verbeterd, ook al geeft collega Groenewegen aan dat dat volgens zijn theoretische overwegingen het geval zou moeten zijn.

2.8. [

gedaagde] heeft op 10 januari 2012 NAf 682,50 aan [eiseres] betaald voor de schade aan haar auto. Daarnaast heeft [gedaagde] op 20 februari 2017 NAf 1.500 betaald aan [eiseres] ter vergoeding van immateriële schade, uitgesplitst in een deel ‘smartengeld’ van NAf 1.000 en een deel ‘materiele schade’ van NAf 500.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan haar NAf 150.000 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf datum ongeval en over de materiële schade vanaf 15 januari 2016, de kosten van buitengerechtelijke bijstand van NAf 8.785 en, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, de proceskosten. Daarnaast vordert [eiseres] een verklaring voor recht ten aanzien van een belastinggarantie, althans de afgifte daarvan.

3.2. [

eiseres] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. Als gevolg van het auto-ongeluk heeft zij pijnklachten en is sprake van 3% blijvende functionele invaliditeit van de gehele persoon met beperkingen ten aanzien van nek-, schouder- en rugbelastende activiteiten. [eiseres] lijdt schade van in totaal NAf 276.465,55 aan zelf betaalde medische hulpmiddelen, transportkosten, verlies arbeidsvermogen, huishoudelijke hulp, immateriële schade, medische kosten en buitengerechtelijke kosten. Op voorwaarde dat bewijs wordt geleverd dat de verzekering zoals doorgaans beperkt is tot NAf 150.000, beperkt zij haar vordering tot dit bedrag. Bij brief van 15 januari 2016 heeft [eiseres] aanspraak gemaakt op wettelijke rente.

3.3. [

gedaagde] heeft het volgende tot verweer gevoerd. De verzekerde som bedraagt NAf 150.000. Het is niet duidelijk waarom [eiseres] zelf een halskraag heeft gekocht, terwijl zij SVB verzekerd was. [eiseres] is op 13 januari 2013 gevallen. Een verergering van haar klachten door deze val kan niet aan [gedaagde] worden toegerekend en doorbreekt het causale verband tussen de klachten en het auto-ongeluk. Het deel van de transportkosten, dat voor rekening van [gedaagde] komt, is afhankelijk van de causaliteit tussen de klachten waarvoor [eiseres] artsen en fysiotherapeuten heeft bezocht en het auto-ongeluk. [eiseres] zal dit nader moeten specificeren. Zij heeft haar verlies aan arbeidsvermogen onvoldoende onderbouwd voor wat betreft haar inkomen van voor het auto-ongeluk, haar voornemen om op haar 57ste fulltime te gaan werken en de berekening van het gevorderde bedrag. Dat [eiseres] vanaf 1 maart 2013 halve dagen is gaan werken, is geen achteruitgang, aangezien zij daarvoor slechts incidenteel inkomen had als invaller. De gevorderde huishoudelijke kosten door familieleden vallen buiten de periode waarvan aannemelijk is dat [eiseres] nog beperkingen had vanwege het auto-ongeluk. Zij geeft bovendien geen inzicht in de werkzaamheden en het uurtarief. De vordering voor huishoudelijke hulp door een derde van november 2011 tot en met april 2012 ter hoogte van NAf 2.275 wordt niet betwist. Zelfs als uitgegaan wordt van 3% blijvende functionele invaliditeit, dan staat de gevorderde NAf 7.500 aan vergoeding van immateriële schade daarmee niet in verhouding. Uitgaande van NAf 1.500 per procentpunt kom je op NAf 4.500. Er is echter geen basis voor enige invaliditeit als gevolg van het auto-ongeluk. De reeds betaalde NAf 1.500 is ruimschoots voldoende. De kosten voor het opvragen van medische informatie worden niet betwist. De gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen gelet op de beperkte correspondentie en het beperkte overleg de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. [eiseres] heeft het buitengerechtelijke traject bovendien onnodig lang gerekt. Om deze reden moet ook de wettelijke rente pas vanaf de datum van het verzoekschrift worden toegewezen. De gevorderde belastinggarantie is ongebruikelijk en onvoldoende onderbouwd.

4 De beoordeling

4.1. [

gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend voor het auto-ongeluk waarbij [eiseres] was betrokken. Dit betekent dat [gedaagde] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verplicht is om de schade te vergoeden die [eiseres] als gevolg van dit ongeval lijdt.

4.2.

Uitgangspunt is dat een benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de financiële toestand waarin deze benadeelde zou hebben verkeerd, als de schadeveroorzakende gebeurtenis was uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BE9998). Als de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt de schade op grond van artikel 6:97 BW geschat.

Causaliteit

4.3. [

gedaagde] voert aan dat [eiseres] op 13 januari 2013 is gevallen. Een verergering van haar klachten door deze val kan volgens haar niet aan haar worden toegerekend en doorbreekt het causale verband tussen de klachten en het auto-ongeluk.

4.4.

Op grond van artikel 6:98 BW komt alleen schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Als zich na de schadeveroorzakende gebeurtenis een gebeurtenis voordoet die dezelfde voortdurende schade zou hebben veroorzaakt als die schade niet al was ontstaan, doet dat niet af aan de verplichting tot schadevergoeding van de voor de eerste gebeurtenis aansprakelijke schuldenaar, behalve als die latere gebeurtenis voor risico van de benadeelde komt (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2017:176 en ECLI:NL:HR:2001:AB2795).

4.5. [

gedaagde] voert aan dat uit een brief van 4 april 2016 van huisarts Fillet (productie 9 bij conclusie van antwoord) blijkt dat [eiseres] op 13 januari 2013 is gevallen, waardoor er een verergering van haar klachten optrad en zij een traumatische lumbalgie (pijn en stijfheid in de onderrug) kreeg. [eiseres] heeft dit niet weersproken, zodat hiervan uit zal worden gegaan. Uit het rapport van Van der Huls volgt dat [eiseres] twee maanden na het ongeval last had van hoofdpijn bij het draaien van haar hoofd, pijn in haar schouder uitstralend naar haar arm en hand, en lage rugpijn. Anders dan [gedaagde] lijkt te veronderstellen, is de lage rugpijn dus niet voor het eerst ontstaan na de val op 13 januari 2013. Dat door een val een verergering van eerdere klachten als gevolg van een auto-ongeluk plaatsvindt, is op zichzelf genomen onvoldoende om te oordelen dat, als het auto-ongeluk niet zou hebben plaatsgevonden, deze val dezelfde voortdurende schade zou hebben veroorzaakt als het auto-ongeluk heeft gedaan. Het is bijvoorbeeld niet vanzelfsprekend dat [eiseres] zonder de klachten uit haar auto-ongeluk dezelfde klachten zou hebben gehad na haar val. Er is gelet op de omschreven gevolgen van de val immers sprake van een verergering van bestaande klachten, niet van het ontstaan van nieuwe klachten. Veelzeggend in dit verband is dat de huisarts in zijn brief het consult van 13 januari 2013 uitdrukkelijk schaart onder de consulten over het auto-ongeluk. Eveneens veelzeggend is het dat fysiotherapeut Helena, bij wie [eiseres] vanaf 14 februari 2012 onder behandeling was, in haar behandelplan van 25 februari 2013 (productie 8 bij conclusie van antwoord), en dus enkele weken na de val, wel refereert aan lage-rugklachten, maar in het behandelplan alleen verwijst naar een whiplash-trauma als gevolg van een auto-ongeluk en niet naar enige val. Ten slotte blijkt uit de overgelegde medische stukken niet dat vanaf 13 januari 2013 enige verandering is opgetreden in de klachten of (het resultaat van) de behandeling van [eiseres]. Hoewel de aard en ernst van de val onbekend zijn, kan dan ook niet worden geoordeeld dat de schade als gevolg van de klachten van [eiseres] van na deze val niet langer aan [gedaagde] kan worden toegerekend, omdat het causale verband zou zijn onderbroken. [eiseres] heeft gelet hierop voldoende aannemelijk gemaakt dat haar huidige klachten in oorzakelijk verband staan tot het auto-ongeluk.

4.6.

Voor zover [gedaagde] met het citeren van de bevindingen van Groenewegen van 2 december 2018 in haar conclusie van antwoord (randnummer 15) heeft bedoeld aan te voeren, dat de geconstateerde artrose in de halswervelkolom van [eiseres] de oorzaak is van haar klachten, geldt het volgende. [eiseres] heeft in haar conclusie van repliek op deze stelling gereageerd met een verwijzing naar het medisch advies van Blanken van 16 januari 2020. [gedaagde] heeft hierop in haar conclusie van dupliek niet meer inhoudelijk gereageerd.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij [eiseres] artrose in de halswervel-kolom is vastgesteld. Deze degeneratieve afwijking wijst op een pre-existentie bij [eiseres], maar vormt geen duidelijk aanwijsbare alternatieve oorzaak voor haar klachten, omdat er voorafgaand aan het auto-ongeluk geen sprake is geweest van soortgelijke klachten en deze klachten meteen na dit ongeluk zijn ontstaan. Op grond van de medische adviezen kan immers worden vastgesteld dat bij [eiseres] sprake is van een blanco medische voorgeschiedenis. Een pre-existentie zonder klachten geeft hooguit een risico voor de toekomst, maar doorbreekt het causale verband niet. Bij een onrechtmatige daad die leidt tot letsel, zal de aansprakelijke de benadeelde immers hebben te nemen zoals hij is, inclusief zijn persoonlijke predispositie en dus ook de omstandigheid dat zijn fysieke gesteldheid het ontstaan van klachten en het herstel daarvan beïnvloedt (vgl. ECLI:NL:OGEAC:2020:125).

4.8.

Gelet op het bovenstaande zal het ervoor worden gehouden dat de huidige klachten van [eiseres] in oorzakelijk verband staan tot het auto-ongeluk. In welke mate deze klachten leiden of hebben geleid tot beperkingen en een al dan niet daarmee verband houdende schadevergoedingsplicht, zal per schadepost worden beoordeeld.

Zelf betaalde medische hulpmiddelen

4.9. [

eiseres] stelt dat zij een halskraag heeft aangeschaft om haar nek mee te stabiliseren voor NAf 43,83. [gedaagde] voert aan dat [eiseres] SVB verzekerd was en dat het niet duidelijk is waarom ze zelf deze kosten heeft gemaakt. [eiseres] heeft in haar conclusie van repliek niet op dit verweer gereageerd.

4.10.

Aangezien [eiseres] niet heeft weersproken dat zij verzekerd was voor ziektekosten en dit kan worden afgeleid uit het rapport van Van der Huls, zal hiervan worden uitgegaan. Gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde] had het op de weg van [eiseres] gelegen om toe te lichten waarom dit hulpmiddel niet werd vergoed en toch noodzakelijk was (vgl. ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ5903, ro. 2.13). Gelet hierop zal de vordering van deze schadepost worden afgewezen.

Transportkosten

4.11. [

eiseres] stelt dat zij in de periode van 14 februari 2012 tot en met 15 februari 2017 kosten heeft moeten maken voor transport van en naar medisch behandelaars van in totaal NAf 653,10. Zij heeft dit bedrag gespecificeerd in een schadestaat (productie 5 bij dagvaarding). [gedaagde] voert aan dat het deel van de transportkosten dat voor rekening van [gedaagde] komt afhankelijk is van de causaliteit tussen de klachten waarvoor [eiseres] artsen en fysiotherapeuten heeft bezocht en het auto-ongeluk. [eiseres] zal dit volgens [gedaagde] nader moeten specificeren.

4.12.

Zoals hiervoor is overwogen (zie 4.8), zal het ervoor worden gehouden dat de klachten van [eiseres] in oorzakelijk verband staan tot het auto-ongeluk. Dit betekent dat de gevorderde transportkosten van NAf 653,10 zullen worden toegewezen. Dit geldt ook voor de transportkosten voor het bezoek aan de huisarts op 13 januari 2013 in verband met een val op die datum, omdat door deze val een verergering optrad van klachten die in oorzakelijk verband staan tot het auto-ongeluk, zodat deze kosten niet in een te ver verwijderd verband staan tot de schadeveroorzakende gebeurtenis waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is.

Verlies arbeidsvermogen

4.13. [

eiseres] stelt dat zij door haar klachten vanaf het auto-ongeluk tot 1 maart 2013 volledig arbeidsongeschikt is geweest. Op die datum is zij als administratief medewerker halve dagen gaan werken bij kinderarts Muskiet en acht zij zichzelf 50% arbeidsongeschikt. [eiseres] heeft haar fulltime verdiencapaciteit op basis van haar maandsalaris bij Muskiet berekend op NAf 3.000 per maand en is ervan uitgegaan dat zij zou doorwerken tot haar 68ste. Haar totale schade aan verlies aan arbeidsvermogen bedraagt volgens haar NAf 200.456. [gedaagde] voert aan dat [eiseres] geen bewijs heeft overgelegd van haar inkomen als invaller voorafgaand aan het auto-ongeluk en van haar voornemen om op haar 57ste fulltime te gaan werken. Dat [eiseres] vanaf 1 maart 2013 halve dagen is gaan werken, is volgens [gedaagde] geen achteruitgang, aangezien zij daarvoor slechts incidenteel inkomen had als invaller. Bovendien heeft Van der Huls al in januari 2013 vastgesteld dat [eiseres] licht-administratieve werkzaamheden kon uitvoeren. In reactie op dit verweer heeft [eiseres] in haar conclusie van repliek ten aanzien van haar inkomen en plannen bewijs aangeboden door het horen van de artsen Wilsoe en Muskiet bij wie zij heeft gewerkt.

4.14.

Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval moeten worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband geen strenge eisen worden gesteld. Het is immers de veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over wat er in die hypothetische situatie zou zijn gebeurd. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op wat hierover redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband moeten de goede en kwade kansen worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (vgl. ECLI:NL:HR:2017:273). Hoewel de rechter bij het bepalen van de hypothetische situatie met het verlies van een keuzemogelijkheid van de benadeelde zo veel mogelijk in zijn voordeel rekening kan houden, zijn de stellingen van de benadeelde over die keuzes op zichzelf niet doorslaggevend voor het oordeel of die keuzes ook daadwerkelijk zouden zijn gemaakt. De stellingen van partijen over toekomstige ontwikkelingen moeten in enigerlei mate zijn geobjectiveerd, bijvoorbeeld door ervaringsregels, statistieken of de persoonlijke omstandigheden van de benadeelde (vgl. ECLI:NL:PHR:2000:AA4277).

4.15. [

eiseres] heeft geen stukken overgelegd over haar inkomen van voor het auto-ongeluk. Zij stelt dat zij tot ongeveer 1991 heeft gewerkt bij Isla en dat zij daarna in haar onderhoud heeft voorzien door te werken als invaller bij verschillende artsenpraktijken. [eiseres] stelt dat ze een aantal maanden voor het auto-ongeluk is begonnen met nachtdiensten in verband met de thuiszorg voor een terminale patiënt. Deze patiënt is overleden kort na het auto-ongeluk. [eiseres] stelt dat zij van plan was om na het overlijden van deze patiënt weer hele dagen te gaan werken. Zij stelt in haar conclusie van repliek dat zij geen inkomen had toen zij het letselschadeformulier van 5 december 2011 invulde, waarop zij bij haar beroep heeft ingevuld dat zij huisvrouw is (productie 3 bij conclusie van antwoord). Van der Huls heeft gerapporteerd dat [eiseres] bij ziekte en vakanties inviel als doktersassistent bij de artsen Wilsoe en Bekele.

4.16.

Gelet op het bovenstaande is [eiseres] gedurende een periode van ruim 20 jaar voorafgaand aan het auto-ongeluk, van haar 37ste tot haar 57ste, werkzaam geweest als inval-doktersassistent. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit op enig moment fulltime heeft gedaan, hetgeen gelet op de aard van een functie als invalkracht ook niet aannemelijk is. Gelet op het rapport van Van der Huls, dat zij inviel tijdens ziekte en vakanties, is dit nog minder aannemelijk. Bovendien was zij in de maanden voor het auto-ongeluk blijkbaar helemaal gestopt met betaald werk en omschreef zij zich kort na dit ongeluk beroepsmatig als een huisvrouw. [eiseres] heeft dan ook geen enkel concreet aanknopingspunt gegeven voor haar stelling, dat zij na het overlijden van de terminale patiënt die zij verzorgde, hele dagen als doktersassistent zou gaan werken. Er zijn gelet op de beschikbare gegevens over haar werkzame leven ook geen aanwijzingen voor een dergelijke latere switch (vgl. ECLI:NL:OGEAM:2017:34, ro. 4.25). Hierdoor bestaat er gerede twijfel dat [eiseres] dit zou hebben gedaan als het auto-ongeluk niet zou zijn gebeurd.

4.17.

Het in de conclusie van repliek gedane bewijsaanbod van [eiseres] om de artsen Wilsoe en Muskiet te horen over haar plannen wordt gepasseerd, omdat zij niet heeft gesteld dat zij voorafgaand aan het auto-ongeluk van plan was bij een van deze twee artsen fulltime te gaan werken en dat zij daarvan op de hoogte waren. Muskiet heeft daar in zijn schriftelijke verklaring (productie 5 bijlage 4 bij dagvaarding) in ieder geval niet aan gerefereerd. [eiseres] heeft nagelaten te vermelden in hoeverre Muskiet meer of anders kan verklaren dan hij schriftelijk al heeft gedaan. Gelet hierop kan niet worden beoordeeld in hoeverre dit bewijs-aanbod ter zake dienend is. Na het gemotiveerde verweer van [gedaagde] op dit punt in de conclusie van antwoord lag het op de weg van [eiseres] om een bewijsaanbod in dit verband voldoende te specificeren (vgl. ECLI:NL:HR:2020:1313).

4.18.

Het valt gelet op het bovenstaande niet redelijkerwijs te verwachten dat [eiseres] in de hypothetische situatie zonder auto-ongeluk kort na de datum van het ongeluk fulltime zou zijn gaan werken. Wel valt redelijkerwijs te verwachten dat zij in deze situatie, na het overlijden van de terminale patiënt waar zij tijdelijk voor zorgde, haar voormalige werkzaamheden als invalkracht zou hervatten. [eiseres] heeft geen inzicht gegeven in haar inkomen voorafgaand aan het auto-ongeluk en de datum van dit overlijden. Het kan in ieder geval redelijkerwijs worden aangenomen dat zij als invalkracht tijdens ziekte en vakanties niet meer zal hebben gewerkt en verdiend dan de halve dagen bij Muskiet vanaf 1 maart 2013 tegen een maandsalaris van NAf 1.500. Vanaf dat moment heeft zij dan ook in ieder geval geen schade meer geleden aan verloren arbeidsvermogen.

4.19.

Voor de periode van het auto-ongeluk tot aan 1 maart 2013 geldt dat [eiseres] vanaf het moment van overlijden van de terminale patiënt waarvoor ze zorgde, in de hypothetische situatie zonder auto-ongeluk, inkomen zou hebben verworven als inval-doktersassistent. Hierbij is van belang vanaf welk moment zij geacht kan worden haar oude werkzaamheden weer te kunnen uitvoeren ondanks haar klachten. Als zij er immers vanaf dat moment voor heeft gekozen om dat niet te doen, komt dit voor haar eigen rekening. [eiseres] was bij Muskiet werkzaam als administratief medewerker. Van der Huls heeft op 2 februari 2012 gerapporteerd dat zij weer licht-administratief werk aankon. Hieruit volgt echter niet genoegzaam dat zij daarmee al volledig inzetbaar was als administratief medewerker. Uit de medische stukken blijkt bijvoorbeeld dat [eiseres] pas vanaf 14 februari 2012 onder behandeling kwam bij een fysiotherapeut, die vervolgens op 25 februari 2013 heeft gerapporteerd dat de klachten sterk zijn verminderd en alleen nog aanwezig zijn bij langdurig belasten (productie 8 bij conclusie van antwoord). Bovendien blijkt uit het medisch advies van Blanken van 2 december 2014 (productie 3 bij dagvaarding) dat [eiseres] bij Muskiet zelfstandig kinderen moest onderzoeken, meten en wegen, waarbij ze veel moest tillen, hetgeen fysiek belastend was voor haar en pijnklachten opleverde. Wat hier verder ook van zij, uit deze informatie kan alleen worden afgeleid dat [eiseres] niet al op 2 februari 2012 in staat moet worden geacht om haar latere werkzaamheden bij Muskiet uit te voeren. Hieruit kan echter niet worden afgeleid vanaf welk moment zij in staat moet worden geacht haar werkzaamheden als inval-doktersassistent weer uit te voeren ondanks haar klachten. Dat dit op zijn minst gedurende een flink aantal maanden niet mogelijk is geweest, is voldoende aannemelijk. Aangezien de schade die hier het gevolg van is geweest bij gebrek aan concrete aanknopingspunten niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal deze worden geschat op NAf 6.000.

4.20.

Gelet op het bovenstaande zal de vordering van deze schadepost worden toegewezen tot een bedrag van NAf 6.000.

Huishoudelijke hulp

4.21. [

eiseres] stelt dat ze sinds het auto-ongeluk de huishoudelijke activiteiten niet meer zelf kan verrichten, waardoor ze [naam], een familielid en haar dochter ter ondersteuning in het huishouden heeft moeten inzetten en zal moeten inzetten. De totale kosten bedragen NAf 67.767,62, zoals nader gespecificeerd in de schadestaat (productie 5 bij dagvaarding). [gedaagde] heeft de kosten voor [naam] ter hoogte van NAf 2.275 niet betwist. De kosten voor een familielid en de dochter van [eiseres] vallen volgens [gedaagde] buiten de periode waarvan aannemelijk is dat [eiseres] nog beperkingen had vanwege het auto-ongeluk. Bovendien zijn de kosten en werkzaamheden onvoldoende toegelicht volgens [gedaagde].

4.22.

De kosten van huishoudelijke hulp moeten door de aansprakelijke aan de benadeelde worden vergoed als de benadeelde niet langer in staat is om de huishoudelijke werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun werkzaamheden betaalde hulpverleners. Dit is niet anders als die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen (vgl. ECLI:NL:OGEAC:2016:132, ro. 4.17).

4.23.

De gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp tot en met 20 april 2012 zijn niet in geschil. [eiseres] stelt dat een familielid van 25 april 2012 tot en met februari 2013 gemiddeld 8 uur per week huishoudelijke activiteiten heeft verricht, hetgeen overeenkomst met een bedrag van NAf 100 per week, en dat haar dochter vanaf juli 2014 7 uur per week huishoudelijke activiteiten heeft verricht en zal verrichten tot 2029, hetgeen overeenkomst met een bedrag van NAf 87,50 per week. In de schadestaat heeft [eiseres] de huishoudelijke activiteiten verricht door een familielid niet nader toegelicht. Van haar dochter is wel een verklaring van 22 februari 2017 overgelegd (productie 5 bijlage 5 bij dagvaarding), waarin zij bij de verrichtte werkzaamheden heeft ingevuld: ‘tillen en dragen, schoonmaak huis, boodschappen doen, koken, tuinonderhoud’. Er zal van uit worden gegaan dat het familielid vergelijkbare werkzaamheden heeft verricht. Opvallend is dat de raadsman van [eiseres] in de brief van 15 januari 2016 (productie 2 bij darvaarding) nog schreef dat de dochter van [eiseres] tot en met december 2015 gemiddeld 4 uur per week huishoudelijke activiteiten verrichtte.

4.24.

Zoals al eerder is overwogen (zie 4.8), heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat haar huidige klachten in oorzakelijk verband staan tot het auto-ongeluk. De mate waarin zij daardoor beperkt is huishoudelijke werkzaamheden zelf te verrichten, valt zonder specifieke deskundigenrapportage niet nauwkeurig vast te stellen. Van der Huls heeft gerapporteerd dat [eiseres] voor het zwaardere huishoudelijk werk, zoals moppen en wringen, beperkt zal zijn gedurende vier maanden en dat zij daarvoor twee keer per week huishoudelijke hulp zal moeten hebben. Uit het behandelplan van fysiotherapeut Helena van 25 februari 2013 volgt dat de klachten van [eiseres] sterk verminderd zijn, maar nog af en toe aanwezig bij langdurig belasten. Gelet hierop is aannemelijk dat zij door haar klachten alleen beperkt is voor het zwaardere huishoudelijk werk en/of als sprake is van een langdurige belasting. Dit betekent dat niet alle opgegeven huishoudelijke activiteiten volledig voor vergoeding in aanmerking komen. Bovendien is het van de door de dochter ingevulde werkzaamheden niet telkens normaal en gebruikelijk dat zij worden verricht door professionele, voor hun werkzaamheden betaalde hulpverleners. Gelet hierop komen alleen de werkzaamheden ‘schoonmaak huis’ en ‘tuinonderhoud’ gedeeltelijk in aanmerking voor vergoeding. Het deel dat daarvan voor vergoeding in aanmerking komt, wordt geschat op 2 uur per week, waarbij voor de dochter geldt dat zij een gedeeld huishouden vormt met [eiseres], zodat van haar een gelijke bijdrage in het huishouden mag worden verwacht. Dit betekent dat van de door haar verrichte werkzaamheden 1 uur per week voor vergoeding in aanmerking komt. Voor het uurtarief zal aangesloten worden bij het onweersproken door [eiseres] gehanteerde uurtarief van NAf 12,50. Ondanks het verweer van [gedaagde] op dit punt, zal gelet op de blanco medische voorgeschiedenis van [eiseres] voorafgaand aan het auto-ongeluk en de veranderende maatschappelijke verhoudingen in dit verband een eindleeftijd van 75 jaar worden aangehouden (vgl. ECLI:NL:OGEAC:2016:132, ro. 4.18). In totaal zal dan ook voor het familielid uitgegaan worden van 2 uur per week gedurende 62 weken en voor de dochter van 1 uur per week gedurende 759 weken (135 tot februari 2017 en 624 tot 2029). Het verweer van [gedaagde], dat [eiseres] niet heeft onderbouwd dat haar dochter is betaald voor haar werkzaamheden, wordt onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.22 verworpen.

4.25.

Op grond van het voorgaande zal de vordering van deze schadepost worden toegewezen tot NAf 13.312,50 (NAf 2.275 + (2 uur x NAf 12,50 x 62 weken) + (1 uur x NAf 12,50 x 759 weken)). Er zal geen kapitalisatiefactor worden toegepast, omdat [eiseres] niet heeft toegelicht waarom van de in de schadestaat gebruikte kapitalisatiefactor moet worden uitgegaan, terwijl het gebruik van deze factor door [gedaagde] is betwist (randnummer 23).

Immateriële schade

4.26. [

eiseres] vordert vergoeding van immateriële schade van NAf 7.500. Zij acht dit bedrag bij 3% blijvende functionele invaliditeit redelijk en passend. [gedaagde] voert aan dat zelfs als van dit percentage moet worden uitgegaan, hetgeen zij betwist omdat er volgens Groenewegen geen basis is voor enige invaliditeit, het gevorderde bedrag daarmee niet in verhouding staat uitgaande van NAf 1.500 per procentpunt. Zij acht de door haar betaalde vergoeding van immateriële schade van NAf 1.500 toereikend.

4.27.

Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde die lichamelijk letsel heeft opgelopen recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Bij de vaststelling van de hoogte van deze schadevergoeding moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de aard en de ernst van het bij het ongeval opgelopen letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. De rechter is niet gebonden aan de gewone regels over stelplicht en bewijslast, en slaat acht op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn toegekend (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2020:240).

4.28. [

eiseres] heeft voortdurende pijnklachten ontwikkeld als gevolg van een auto-ongeluk. Deze beperken haar vanaf eind 2012 tot op heden bij zwaardere werkzaamheden en gedurende langdurige belasting. Behandelingen lijken geen verandering meer teweeg te kunnen brengen, zodat [eiseres] hier de rest van haar leven mee zal moeten leren leven. Ten tijde van het auto-ongeluk was zij 57 jaar oud en verkeerde in goede gezondheid. [eiseres] heeft geen operaties hoeven te ondergaan, er is geen sprake van zichtbare letsels en zij is binnen een afzienbare tijd weer in staat geweest om vergelijkbare werkzaamheden uit te voeren als zij voor het auto-ongeluk deed. Gelet op al deze omstandigheden wordt de vergoeding voor immateriële schade, mede gelet op de bedragen die door rechters in Curaçao in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, naar billijkheid vastgesteld op NAf 5.000.

4.29.

Gelet op het bedrag dat in dit verband al door [gedaagde] is vergoed, zal deze vordering worden toegewezen tot een bedrag van NAf 3.500.

Kosten opvragen medische informatie

4.30.

De vordering van deze schadepost zal als onweersproken tot een bedrag van NAf 40 worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.31. [

eiseres] stelt dat haar kosten voor buitengerechtelijke bijstand NAf 8.745 bedragen, terwijl ze NAf 8.785 vordert. Zij heeft ter onderbouwing van deze vordering een urenspecificatie overgelegd van de werkzaamheden van het (aan het kantoor van de raadsman van haar verbonden) Bureau PersonenSchade (productie 5 bijlage 8 bij dagvaarding). [gedaagde] voert aan dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten gelet op de beperkte correspondentie en het beperkte overleg de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. [eiseres] heeft het buitengerechtelijke traject bovendien onnodig lang gerekt volgens [gedaagde]. [eiseres] heeft hierop in haar conclusie van repliek niet gereageerd.

4.32.

Op grond van artikel 6:96 BW komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behalve als sprake is van proceskosten, zoals kosten ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak.

4.33.

Uit de specificatie blijkt genoegzaam dat de werkzaamheden meer hebben omvat dan die ter voorbereiding van gedingstukken of instructie van de zaak. Hierbij is van belang dat sprake is van in totaal 15,8 bestede uren in de periode van 15 juni 2013 tot en met 18 april 2017, terwijl het verzoekschrift pas is ingediend op 13 april 2018. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het voorbereiden van een procedure wegens letselschade in het algemeen aanmerkelijk meer tijd vergt dan een doorsnee incassoprocedure. [gedaagde] heeft haar verweer tegen deze kosten ook niet nader gespecificeerd per gedeclareerde werkzaamheid. De gevorderde kosten worden dan ook geacht redelijkerwijs noodzakelijk te zijn geweest en de omvang van deze kosten komt bovendien redelijk voor. Gelet hierop zal een bedrag van NAf 8.745 worden toegewezen.

Wettelijke rente

4.34. [

eiseres] vordert vergoeding van wettelijke rente over de immateriële schade vanaf datum ongeval en over de materiële schade vanaf 15 januari 2016, omdat zij op die laatste datum aanspraak heeft gemaakt op deze rente. [gedaagde] voert aan dat de datum verzoekschrift moet worden aangehouden, omdat [eiseres] de buitengerechtelijke fase onnodig lang heeft laten duren.

4.35.

De schadevergoeding wegens vertraging in voldoening van een geldsom bestaat op grond van artikel 6:119 BW in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

4.36.

Het is niet vanzelfsprekend is dat de wettelijke rente over alle schadeposten gaat lopen vanaf de datum ongeval of de datum van de brief waarin daarop aanspraak wordt gemaakt. Dit geldt in het bijzonder voor schadeposten waarin een bedrag voor toekomstige schade is opgenomen. [eiseres] heeft nagelaten om per schadepost uiteen te zetten op welk moment de vordering tot schadevergoeding opeisbaar was. Dit zal in de regel worden bepaald door de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. Bij veel van de schadeposten is gekozen voor een bedrag ineens voor geleden en toekomstige schade. Hierbij is als peildatum de datum van dit vonnis genomen. Dit betekent dat ook vanaf deze datum de wettelijke rente zal worden toegewezen.

Belastinggarantie

4.37. [

eiseres] vordert een belastinggarantie. [gedaagde] voert aan dat deze vordering ongebruikelijk en onvoldoende onderbouwd is. [eiseres] heeft hierop gereageerd door te stellen dat er niets is tegen het afgeven van een dergelijke garantie. Gelet hierop heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht welk belang zij heeft bij de door haar gevorderde verklaring voor recht, dan wel afgifte van een belastinggarantie. Dat er niets op tegen is, is in dit verband onvoldoende gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde]. Dit betekent dat deze vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.38. [

gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bij deze kosten wordt het toegewezen bedrag als uitgangspunt genomen voor het salaris gemachtigde, zodat deze kosten aan de zijde van [eiseres] tot op heden worden begroot op:

explootkosten NAf 298,45

griffierecht NAf 1.500,00

salaris gemachtigde NAf 2.500,00 (2 punten x tarief NAf 1.250) +

totaal: NAf 4.298,45.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van NAf 32.250,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 4.298,45, te voldoen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, rechter, en op 10 mei 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.