Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:98

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
CUR201902487
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad en wanprestatie. Vorderingen van een wijnmakerij tegen de partijen met wie zij overeenkomsten had gesloten voor de huur van een terrein in de nabijheid van de luchthaven waarop zij haar wijnmakerij wenste te exploiteren. De vorderingen worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat gedaagden niet aan hun inspanningsverplichting om behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van toestemming van de luchtvaartautoriteit hebben voldaan, noch dat gedaagden vanaf het begin wisten of hadden moeten weten dat de benodigde toestemming van de luchtvaartautoriteit niet zou worden verleend. Voorts is geen sprake van gedragingen aan de zijde van gedaagden die kunnen worden aangemerkt als in strijd met de precontractuele goede trouw, met de verplichtingen uit hoofde van de Memorandum of Understanding, misleiding, bedrog of onzorgvuldig handelen. De schade die eiseres stelt te hebben geleden is het gevolg van het niet verlenen van de toestemming door de luchtvaartautoriteit en niet van het opnemen van de opschortende voorwaarde dat toestemming van de luchtvaartautoriteit was benodigd. Tot slot kunnen gedaagden niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade van eiseres, omdat het vereiste van toestemming van de luchtvaartautoriteit voortvloeit uit de regelgeving en eiseres zelf een onderzoeksplicht had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201902487

Vonnis van 10 mei 2021

inzake

de naamloze vennootschap WIJNMAKERIJ CURACAO N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

en

1 de naamloze vennootschap CURAÇAO AIRPORT HOLDING N.V.,

2. de naamloze vennootschap HATO ASSETS COMPANY N.V.,

beide gevestigd in Curaçao,

gedaagden,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en S.J.C. Anthonio.

Partijen zullen hierna de Wijnmakerij en CAH en Hasco (gezamenlijk in enkelvoud CAH c.s.) worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 14 september 2020;

  • -

    de conclusie van repliek van 16 november 2020;

  • -

    de conclusie van dupliek van 1 februari 2021;

  • -

    de akte uitlating producties van 1 maart 2021 van de Wijnmakerij.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het vonnis van 14 september 2020 is reeds overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat, doordat de CCAA (Curaçao Civil Aviation Authority) haar toestemming aan het project heeft onthouden, niet aan alle voorwaarden van de erfpachtovereenkomst is voldaan, waardoor deze overeenkomst niet is uitgevoerd. De Wijnmakerij heeft als gevolg daarvan haar activiteiten op het terrein in november 2016 gestaakt.

2.2.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de voorwaarde dat de toestemming van de CCAA nodig was eerst in de concept erfpachtovereenkomst van mei 2015 is geïntroduceerd. Verder staat als onbetwist vast dat deze versie van de erfpachtovereenkomst door de Wijnmakerij in september 2015 is getekend, nadat aan het artikel over de verplichting tot het verkrijgen van toestemming van de CCAA een inspanningsverplichting voor Hasco was opgenomen. Daarmee is de erfpachtovereenkomst tot stand gekomen en heeft de Wijnmakerij met de daarin opgenomen voorwaarden ingestemd.

2.3.

De Wijnmakerij vordert dat CAH c.s. zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van het uitblijven van de vereiste toestemming/verklaring van geen bezwaar door de CCAA. Door het handelen en nalaten van CAH c.s. was de Wijnmakerij genoodzaakt haar activiteiten (in november 2016) te staken, waardoor zij schade heeft die bestaat uit gemaakte kosten en gederfde winst. Voor die schade is CAH c.s. aansprakelijk, omdat haar gedragingen in strijd zijn met de precontractuele goede trouw, met de verplichtingen uit hoofde van de Memorandum of Understanding (hierna: MoU) en de daaruit voortvloeiende contracten en als misleiding en/of bedrog kunnen worden aangemerkt, althans als onzorgvuldig handelen. De primaire grondslagen voor de vorderingen van de Wijnmakerij zijn toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen.

2.4.

De Wijnmakerij verwijt CAH c.s. dat zij voor de start van de onderhandelingen wist of had moeten weten dat toestemming van de CCAA benodigd was voor de start van de door de Wijnmakerij beoogde werkzaamheden. CAH c.s. heeft echter pas in mei 2015 in de (concept)erfpachtovereenkomst in de vorm van een opschortende voorwaarde de vereiste toestemming van CCAA geïntroduceerd. Een voorwaarde waarvan CAH c.s. wist dat deze niet in vervulling zou gaan, omdat zij wist of had moeten weten dat de CCAA haar toestemming zou onthouden. Desondanks heeft CAH c.s. de Wijnmakerij voorgehouden dat de toestemming van de CCAA een formaliteit betrof. CAH c.s. heeft in plaats van de Wijnmakerij te waarschuwen, de voortzetting van de activiteiten van de Wijnmakerij gestimuleerd, zelfs toen zij wist dat de CCAA die activiteiten niet zou toestaan. CAH c.s. heeft voorts nagelaten er bij de CCAA op aan te dringen gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid de benodigde toestemming te verlenen, althans een formeel besluit van de CCAA uit te lokken.

2.5.

CAH c.s. voert aan dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de erfpachtovereenkomst. Het lag volgens CAH c.s. op de weg van de Wijnmakerij om de benodigde vergunningen en de toestemming/verklaring van geen bezwaar van de CCAA te verkrijgen. CAH c.s. is daarbij zoveel mogelijk behulpzaam geweest en heeft er bij de CCAA op aangedrongen de toestemming alsnog te verlenen, maar zonder resultaat. CAH c.s. heeft niet onrechtmatig gehandeld. De Wijnmakerij wist immers vanaf de eerste (concept)erfpachtovereenkomst althans behoorde zij te weten dat zij zorg diende te dragen voor de vereiste vergunningen. Verder is over de (tekst van de) uiteindelijke erfpachtovereenkomst onderhandeld en is deze door de Wijnmakerij ondertekend.

Tekortkoming in de nakoming

2.6.

Er wordt als volgt overwogen. Voor de door de Wijnmakerij gestelde toerekenbare tekortkoming is van belang dat komt vast te staan dat CAH c.s. tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de erfpachtovereenkomst en dat die tekortkoming haar kan worden toegerekend. In de erfpachtovereenkomst van mei 2015 zijn partijen het volgende overeengekomen met betrekking tot de door CAH c.s. op zich genomen verplichting:

Lessor will at a reasonable effort basis facilitate Lessee in relation with its obligations in accordance with this article II (1). This includes i.a. the rendering of support to Lessee regarding the correspondence and negotiations vis a vis authorities in order to achieve a positive outcome of such process.

De voorwaarde voor het verkrijgen van de benodigde toestemming van de CCAA is als volgt geformuleerd:

Lessee has the obligation to provide HASCO with:

(...)

clearance from CCAA (...) in relation to the designated use in accordance with Article 1 of this Agreement.

2.7.

Van belang is in dit verband dat partijen hebben onderhandeld over de inhoud van de erfpachtovereenkomst, dat de Wijnmakerij haar op- en aanmerkingen op de inhoud daarvan heeft geuit en dat de Wijnmakerij (uiteindelijk) met de inhoud van die overeenkomst heeft ingestemd en deze heeft ondertekend. Zij was er dus van op de hoogte dat op haar de verplichting rustte de benodigde toestemming van de CCAA te verkrijgen. Verder is van belang dat hetgeen partijen zijn overeengekomen als inspanningsverplichting kwalificeert en niet als resultaatsverplichting. Dat betekent dat partijen niet zijn overeengekomen dat CAH c.s. ervoor zou zorgdragen dat de toestemming door de CCAA zou worden verleend, maar zich zou inspannen de Wijnmakerij behulpzaam te zijn bij het bereiken van een positief resultaat in het proces met de CCAA. Uit de overgelegde stukken blijkt dat CAH c.s. een verzoek tot het verstrekken van de benodigde toestemming heeft ingediend en dat zij verschillende e-mails heeft gestuurd waarin zij informeerde naar de status van de benodigde toestemming. De Wijnmakerij heeft niet gesteld wat CAH c.s. volgens haar nog meer had moeten doen om aan haar inspanningsverplichting te voldoen of de CCAA ertoe te bewegen gebruik te maken van de aan haar toekomende discretionaire bevoegdheid de toestemming te verlenen dan wel een formeel besluit uit te lokken. De standpunten van de Wijnmakerij lijken te impliceren dat zij meent dat CAH c.s. is tekortgeschoten, omdat zij niet heeft bewerkstelligd dat CCAA de toestemming verleende. Een inspanningsverplichting gaat echter niet zo ver dat ook daadwerkelijk een bepaald (positief) resultaat mag worden verwacht. Dat de Wijnmakerij meent dat de toestemming had moeten worden verleend is niet onbegrijpelijk, maar dat de toestemming niet is verleend, kan zij CAH c.s. niet verwijten. CAH c.s. is immers niet de instantie die de toestemming had kunnen verlenen. Nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk is welke inspanningen CAH c.s. volgens de Wijnmakerij nog meer had moeten verrichten om, zoals de Wijnmakerij stelt, erop aan te dringen dat de toestemming zou worden verleend of een formeel besluit uit te lokken, kan niet worden gezegd dat CAH c.s. niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Daardoor is niet komen vast te staan dat CAH c.s. in de nakoming van haar inspanningsverplichting uit de erfpachtovereenkomst is tekortgeschoten.

Precontractuele goede trouw

2.8.

De Wijnmakerij stelt verder dat nadat CAH c.s. het vereiste van de benodigde toestemming van de CCAA in de erfpachtovereenkomst had geïntroduceerd zij daar vragen over heeft gesteld en dat haar door CAH c.s. was voorgehouden dat de toestemming slechts een formaliteit betrof. CAH c.s. heeft gemotiveerd betwist dat zij de Wijnmakerij heeft voorgehouden dat de vereiste toestemming slechts een formaliteit was en de Wijnmakerij heeft tegenover die betwisting onvoldoende gesteld ter onderbouwing van haar standpunt dat CAH c.s. haar dat wel zou hebben voorgehouden. De Wijnmakerij wist nadat zij van het vereiste van toestemming van de CCAA op de hoogte was geraakt dat die toestemming van groot belang was voor de uitvoering van de overeenkomst en de uitvoering van de werkzaamheden. In dit verband is nog relevant dat aan de Wijnmakerij in een eerder stadium toestemming was verleend op eigen risico met haar werkzaamheden op het terrein aan te vangen, aangezien de overeenkomsten tussen partijen nog niet waren getekend.

2.9.

De Wijnmakerij beroept zich erop dat de gedragingen van CAH c.s. kwalificeren als in strijd met de precontractuele goede trouw. Zij meent dat CAH c.s. door haar voor te houden dat de benodigde toestemming slechts een formaliteit betrof, bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat die toestemming door de CCAA zou worden verleend en dat de overeenkomsten tot stand zouden komen. Gelet op de verhouding en handelswijze van partijen is het niet onaannemelijk dat zij er beide vanuit gingen dat de vereiste toestemming door de CCAA zou worden verleend. Echter, zelfs als CAH c.s. de door de Wijnmakerij gestelde mededeling zou hebben gedaan geldt dat de Wijnmakerij wist dat niet CAH c.s. maar de CCAA de bevoegde autoriteit was (of is) om die toestemming te verlenen en zij had zich dienen te realiseren dat CAH c.s. voor zover zij uitlatingen heeft gedaan over het al dan niet verlenen van de toestemming tot het doen van dergelijke uitlatingen niet bevoegd was. Van een gerechtvaardigd vertrouwen zou wel sprake kunnen zijn geweest indien CAH c.s. de door de Wijnmakerij gestelde uitlatingen zou hebben gedaan, CAH c.s. zelf de bevoegde autoriteit was de toestemming te verlenen en zij dat vervolgens niet zou hebben gedaan. Daarvan is in dit geval geen sprake. De door de Wijnmakerij gestelde feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat door CAH c.s. bij haar terecht het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de toestemming zou worden verleend zijn door haar tegenover de gemotiveerde betwisting van CAH c.s. onvoldoende onderbouwd. Daarnaast slaagt het beroep van de Wijnmakerij niet, omdat zij aan de uitlatingen van CAH c.s. over de te verlenen toestemming voor zover die door CAH c.s. zijn gedaan geen gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen, nu zij wist dat CAH c.s. niet tot het doen van dergelijke uitlatingen bevoegd was en zij ook de vereiste toestemming niet kon verlenen. Door het ondertekenen van de erfpachtovereenkomst heeft de Wijnmakerij de verplichting op zich genomen de vereiste toestemming bij de CCAA aan te vragen en heeft zij ermee ingestemd dat er zonder die toestemming geen uitvoering zou kunnen worden gegeven aan de erfpachtovereenkomst.

Bedrog/misleiding/onzorgvuldig handelen

2.10.

De Wijnmakerij stelt voorts dat de gedragingen van CAH c.s. kunnen worden aangemerkt als bedrog en/of misleiding althans als onzorgvuldig handelen, omdat CAH c.s. reeds voor de start van de onderhandelingen ervan op de hoogte was dat de CCAA toestemming diende te verlenen en dat zij de Wijnmakerij daar op had moeten wijzen, dat het standpunt van de CCAA reeds bekend was en dat de opschortende voorwaarde van die toestemming niet in vervulling zou gaan zonder actie van CAH c.s. Door aldus tegenover de Wijnmakerij te handelen verkeerde zij in de veronderstelling dat de benodigde toestemming van de CCAA zou worden verleend en heeft zij haar activiteiten en investeringen voortgezet.

2.11.

De Wijnmakerij heeft niets gesteld waaruit de conclusie kan worden getrokken dat CAH c.s. reeds voorafgaand aan de start van de onderhandelingen van de benodigde toestemming van de CCAA op de hoogte was noch dat CAH c.s. reeds bekend was dat de CCAA haar toestemming zou onthouden. De Wijnmakerij stelt verder dat het voor CAH c.s. al vanaf het begin duidelijk was dat de toestemming niet zou worden verleend, omdat de verlening in strijd zou komen met de ICAO bepalingen waarvan CAH c.s., gelet op haar positie, de inhoud diende te kennen. CAH c.s. is echter desondanks de activiteiten van de Wijnmakerij blijven stimuleren waardoor de Wijnmakerij haar activiteiten heeft voortgezet en haar schade is opgelopen. De Wijnmakerij miskent met haar stellingen dat zij een eigen onderzoeksplicht heeft en dat zij, als het haar niet bekend is welke vergunningen benodigd zijn voor het kunnen uitvoeren van haar activiteiten, daar onderzoek c.q. navraag naar dient te doen. Van een onderneming mag immers worden verwacht dat zij (ook) zelf onderzoek doet naar de benodigde vergunningen voor het kunnen uitvoeren van haar activiteiten. Dit geldt te meer nu als onbetwist vaststaat dat in een eerdere versie van de erfpachtovereenkomst reeds de voorwaarde was opgenomen dat de Wijnmakerij diende zorg te dragen voor de benodigde vergunningen voor het uitvoeren van haar activiteiten en het aanvragen en verkrijgen van de vereiste vergunningen in het kader van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan, waarvan de toestemming van de CCAA deel uitmaakt. Hier komt nog bij dat de schade die de Wijnmakerij stelt te hebben geleden niet is veroorzaakt door het vereiste van de benodigde toestemming van de CCAA noch door het opnemen van dat vereiste (in de vorm van een opschortende voorwaarde) in de erfpachtovereenkomst, maar door het niet afgeven van die toestemming door de CCAA, een separate vennootschap voor wiens beslissingen CAH c.s. niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit alles neemt niet weg dat indien CAH c.s. van de benodigde toestemming op de hoogte zou zijn geweest het op haar weg had gelegen de Wijnmakerij daarover te informeren, maar uit de stellingen van de Wijnmakerij en de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat CAH c.s. op de hoogte was van de vereiste toestemming van de CCAA noch dat het haar reeds vanaf het begin duidelijk was dat de CCAA haar toestemming zou onthouden. Van bedrog en misleiding aan de zijde van CAH c.s. is dan ook niet gebleken. De door de Wijnmakerij aangevoerde feiten en omstandigheden leiden ook niet tot de conclusie dat CAH c.s. tegenover haar onzorgvuldig heeft gehandeld.

Onrechtmatig handelen

2.12.

Aan haar standpunt dat CAH c.s. onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld legt de Wijnmakerij grotendeels dezelfde feiten ten grondslag als aan haar standpunt dat CAH c.s. is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de erfpachtovereenkomst. Ten aanzien van deze grondslag wordt als volgt overwogen. Voor onrechtmatig handelen is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van CAH c.s. kan worden aangemerkt als een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met de wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De Wijnmakerij heeft niet aangevoerd op basis waarvan de conclusie kan worden getrokken dat CAH c.s. vanaf het begin wist of had moeten weten dat de toestemming van de CCAA een vereiste was. Dat zij het onbegrijpelijk vindt dat CAH c.s. dat niet wist is daarvoor onvoldoende. De Wijnmakerij stelt zich in dit verband (primair) nog op het standpunt dat CAH c.s. niet wettelijk verplicht was het vereiste van toestemming in de overeenkomst op te nemen en dat zij er dus voor had kunnen kiezen dat vereiste achterwege te laten. In haar conclusie van dupliek heeft CAH c.s. uitvoerig onderbouwd wat de grondslag is voor het vereiste van toestemming van de CCAA. De Wijnmakerij heeft tegenover die onderbouwing onvoldoende gesteld dat die toestemming geen verplicht vereiste is. In dit verband is nog relevant de stelling van de Wijnmakerij dat CAH c.s. de wet- en regelgeving behoort te kennen en haar daarom ook al in een eerder stadium van de onderhandelingen op de hoogte had kunnen stellen van de benodigde toestemming. De Wijnmakerij stelt voorts dat voor zover de benodigde toestemming van de CCAA wel op een wettelijke verplichting is gebaseerd CAH c.s. van die verplichting reeds vanaf het begin op de hoogte had moeten zijn geweest alsook voor de stelling dat CAH c.s. reeds van tevoren wist dat de toestemming niet zou worden verleend. Daartegenover heeft CAH c.s. gemotiveerd betoogd dat zij van tevoren niet van dit vereiste op de hoogte was, mede omdat zij geen ervaring heeft met een wijnmakerij. CAH c.s. heeft gemotiveerd betwist dat zij wist of had moeten weten dat de benodigde toestemming zou worden onthouden. Dit laatste is gelet op de door CAH c.s. verrichte inspanningen, zoals die blijken uit de in het geding gebrachte stukken, met betrekking tot de benodigde toestemming ook onwaarschijnlijk. Daar komt bij dat, zoals CAH c.s. terecht stelt, reeds in de eerste versie van de overeenkomst was opgenomen dat de Wijnmakerij diende zorg te dragen voor alle benodigde vergunningen. Zij kan haar verplichtingen niet volledig op CAH c.s. afschuiven en kan het ontbreken van kennis aan haar zijde over de benodigde vergunningen ook niet aan CAH c.s. tegenwerpen. De stellingen van de Wijnmakerij leiden gelet op de gemotiveerde betwisting van CAH c.s. dan ook niet tot de conclusie dat CAH c.s. onrechtmatig heeft gehandeld.

2.13.

Voor zover de Wijnmakerij meent dat het opnemen van de opschortende voorwaarde van de toestemming van de CCAA in de erfpachtovereenkomst van 2015 onrechtmatig is, omdat in de eerdere versies van de erfpachtovereenkomst die voorwaarde niet stond vermeld wordt als volgt overwogen. In eerdere versies van de erfpachtovereenkomst was wel de voorwaarde opgenomen dat de Wijnmakerij diende zorg te dragen voor alle vergunningen die vereist zijn voor de realisatie van de door de Wijnmakerij beoogde activiteiten (“(…) and all other permits required fort he realization of the Project, if any.”, artikel 5 lid 5 sub b van de concept erfpachtovereenkomst). Ten aanzien van de inhoud van de overeenkomsten staat als onbetwist vast dat partijen in de MoU zijn overeengekomen dat die overeenkomsten “substantially in accordance” met de concept overeenkomsten dienden te zijn. Niet kan worden gezegd dat een nadere uitwerking van een benodigde vergunning voor de realisatie van het project niet onder die voorwaarde valt, waardoor het opnemen van de opschortende voorwaarde ook op deze grond niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van CAH c.s.

2.14.

Indien het onrechtmatig handelen aan de zijde van CAH c.s. volgens de Wijnmakerij erin is gelegen dat CAH c.s. de onderzoeksresultaten van het onderzoek van ACI niet met haar heeft gedeeld geldt het volgende. Uit de standpunten van partijen blijkt dat de CCAA het onthouden van haar toestemming niet heeft gebaseerd op de inhoud van het rapport van de ACI. Verder blijkt uit hun standpunten dat uit het rapport van de ACI vermoedelijk blijkt dat er geen verhoogd risico is van een birdstrike. Indien de Wijnmakerij een procedure tegen de CCAA had willen beginnen, had zij die procedure ook zonder dat rapport kunnen beginnen. Verder had zij zich tot CAP kunnen richten met het verzoek het rapport in te zien of een afschrift van het rapport van CAP kunnen vorderen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt mede gelet op de geheimhoudingsplicht niet in te zien waarom CAH c.s. onrechtmatig tegenover de Wijnmakerij heeft gehandeld door het rapport niet aan haar af te geven.

Artikel 6:23 BW

2.15.

De Wijnmakerij beroept zich nog op artikel 6:23 lid 1 BW. Daarin is bepaald dat wanneer de partij die bij de niet-vervulling van een voorwaarde belang had, de vervulling heeft belet, de voorwaarde als vervuld geldt indien de redelijkheid en de billijkheid dat verlangen. De Wijnmakerij meent dat hiervan sprake is, omdat CAH c.s. bij de CCAA aanspraak hadden kunnen maken op het afgeven van de vereiste toestemming. De Wijnmakerij heeft geen nakoming van de overeenkomst kunnen vorderen, aangezien zij vanwege het uitblijven van financiering geen mogelijkheden had haar activiteiten voort te zetten. Uit het hiervoor overwogene volgt dat niet is gebleken dat CAH c.s. niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Ook in dit verband heeft de Wijnmakerij niet onderbouwd op welke wijze CAH c.s. bij de CCAA aanspraak had kunnen maken op het afgeven van de vereiste toestemming. Verder heeft CAH c.s. een voorstel gedaan de wijngaard te verplaatsen, maar heeft de Wijnmakerij met dat voorstel niet ingestemd. Overigens heeft de Wijnmakerij ook niet gesteld wat wel een redelijk voorstel zou zijn geweest. Het heeft er de schijn van dat vanuit haar optiek bezien de enige juiste oplossing was dat CAH c.s. ervoor zorg zou dragen dat de benodigde toestemming van de CCAA alsnog zou worden verleend. Nu niet is gebleken dat CAH c.s. de vervulling van de opschortende voorwaarde heeft belet, faalt het beroep op artikel 6:23 lid 1 BW.

Dwaling

2.16.

De Wijnmakerij beroept zich subsidiair op dwaling. Zij stelt dat zij de erfpachtovereenkomst van mei 2015 niet zou hebben getekend indien zij had geweten dat de CCAA haar toestemming zou onthouden. In dat geval zou de eerder tussen partijen gesloten overeenkomst van toepassing zijn gebleven en in die overeenkomst was geen opschortende voorwaarde met betrekking tot de vereiste toestemming van de CCAA opgenomen. De Wijnmakerij stelt voorts dat zij in een dergelijk geval de wijngaard en wijnmakerij probleemloos zou hebben kunnen exploiteren. Zij concludeert tot vernietiging van de erfpachtovereenkomst van mei 2015 (die is getekend op 21 september 2015). CAH c.s. meent dat de Wijnmakerij onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stellingen en voert aan dat uit het feit dat partijen over de erfpachtovereenkomst hebben onderhandeld volgt dat er geen sprake is van dwaling, omdat de Wijnmakerij wist wat zij met CAH c.s. overeenkwam en wat dat voor haar zou betekenen.

Met betrekking tot het beroep op dwaling wordt als volgt overwogen. De bewijslast van het beroep op dwaling rust op de Wijnmakerij. Uit haar stellingen en de door haar overgelegde producties blijkt geen onderbouwing voor haar standpunt dat CAH c.s. haar heeft voorgehouden dat de toestemming van de CCAA zou worden verleend, terwijl CAH c.s. vanaf het begin wist dat die toestemming door CCAA zou worden onthouden. Uit de omstandigheden waaronder de erfpachtovereenkomst is gesloten kan niet worden afgeleid dat CAH c.s. aan de Wijnmakerij een mededeling heeft gedaan die ertoe heeft geleid dat de overeenkomst door de Wijnmakerij is getekend en dat zij die overeenkomst anders niet zou hebben getekend. Het concept is immers tussen partijen besproken en niets wijst erop dat de Wijnmakerij enkel tekende omdat CAH c.s. haar had voorgehouden dat de toestemming door de CCAA wel zou worden verleend. Dat de Wijnmakerij haar activiteiten en haar investeringen heeft voortgezet, blijft voor haar rekening en risico. Bovendien heeft de Wijnmakerij onvoldoende invulling gegeven aan de op haar (voorafgaand aan het sluiten en ondertekenen van de erfpachtovereenkomst) rustende onderzoeksplicht. Het beroep op dwaling slaagt daarom niet. Overigens wordt opgemerkt dat dwaling op zich geen grondslag biedt voor het toekennen van schadevergoeding, maar enkel voor vernietiging van de overeenkomst.

Duur van de procedure die heeft geleid tot de overeenkomsten

2.17.

De Wijnmakerij verwijt CAH c.s. tot slot dat CAH c.s. de procedure van de erfpachtovereenkomst en de toestemming van de CCAA onnodig heeft vertraagd, althans dat CAH c.s. niets heeft gedaan om het proces te bespoedigen, waardoor de schade van de Wijnmakerij onnodig hoog is opgelopen. CAH c.s. betoogt dat zij de procedure niet onnodig lang heeft laten duren, omdat partijen een tijdpad van een jaar hadden afgesproken (van april 2014 – april 2015). Die termijn is vervolgens in onderling overleg verlengd tot juni 2015 en uiteindelijk is de overeenkomst in september 2015 getekend. De Wijnmakerij heeft onvoldoende gesteld dat de procedure door toedoen van CAH c.s. onnodig lang heeft geduurd en dat zij de procedure onnodig heeft vertraagd, zodat hiervan niet is gebleken.

Slotsom

2.18.

Uit de stellingen van partijen en uit de door hen overgelegde stukken blijkt dat er veel is gebeurd en dat zij aanvankelijk een goede relatie met elkaar onderhielden die naarmate de tijd vorderde en de benodigde stukken niet kwamen verslechterde. Uit haar verzoekschrift blijkt dat de vraag die de Wijnmakerij nog immer bezighoudt is waarom de CCAA de benodigde toestemming heeft geweigerd en verder dat zij niet begrijpt waarom in haar geval toestemming van de CCAA was benodigd voor haar activiteiten, terwijl in het verleden voor vergelijkbare activiteiten geen toestemming was vereist. Hieruit blijkt dat zij zich realiseert dat de CCAA verantwoordelijk is voor de afwijzing van de toestemming en niet CAH c.s. De schade die de Wijnmakerij stelt te hebben geleden is het gevolg van het niet verlenen van de toestemming door de CCAA en niet van het opnemen van de opschortende voorwaarde dat toestemming van de CCAA was benodigd. Ook impliciet kan CAH c.s. niet voor de door de Wijnmakerij geleden schade aansprakelijk worden gehouden, nu het vereiste van toestemming voortvloeit uit de regelgeving en de Wijnmakerij zelf een onderzoeksplicht had voor wat betreft het nagaan van de voor de door haar beoogde activiteiten benodigde vergunningen. Verder is niet komen vast te staan dat CAH c.s. niet aan de door haar op zich genomen inspanningsverplichting heeft voldaan, is niet gebleken van een wilsgebrek aan de zijde van de Wijnmakerij en is ook anderszins niet gebleken van aansprakelijkheid aan de zijde van CAH c.s. voor de door de Wijnmakerij geleden schade.

2.19.

De slotsom is dat de vorderingen van de Wijnmakerij zullen worden afgewezen. Dat betekent ook dat het verweer van CAH c.s. over het ontbreken van een ernstig verwijt aan de zijde van CAH waardoor er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid, geen bespreking behoeft.

2.20.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Wijnmakerij in de kosten van dit geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van CAH c.s. begroot op een bedrag van NAf 3.750 (3 punten x tarief 5) aan gemachtigdensalaris.

3 De beslissing

Het gerecht:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt De Wijnmakerij in de kosten van dit geding aan de zijde van CAH c.s. begroot op een bedrag van NAf 3.750;

3.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, rechter, en op 10 mei 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.