Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:47

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
500.00170/20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van Landsverordening integriteit door kandidaat-minister; verwerping n-o verweren, bewijsoverwegingen; schuld zonder strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 500.00170/20

Uitspraak: 12 maart 2021 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1961 in [geboorteplaats],

wonende in Curaçao, [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2021. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadslieden, mrs. O.E. Kostrzewski, H. Braam en A.K.E. Henriquez, advocaten in Curaçao.

De officier van justitie, mr. H. Oppe, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De raadslieden hebben primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, subsidiair vrijspraak van het ten laste gelegde, meer subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging en meest subsidiair dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Tenlastelegging

De tekst van de op de terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 (pagina’s doorgenummerd) aan dit vonnis gehecht en geldt als hier overgenomen.

De verdenking komt er - kort en zakelijk weergegeven - op neer dat de verdachte op 15 mei 2017 in strijd met de Landsverordening integriteit (kandidaat-)ministers (hierna: de Landsverordening integriteit) heeft gehandeld door informatie te verzwijgen in de ‘Verklaring kandidaat-minister” van 15 mei 2017, namelijk door geen nevenfuncties en -werkzaamheden op te geven en door geen volledige opgave te doen van vermogensbestanddelen (het niet vermelden van vier bankrekeningen), hetgeen subsidiair ten laste is gelegd als valsheid in geschrifte/gebruik maken van een vals geschrift.

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van het Gerecht

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat het Gerecht krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring bestaat - in onderlinge samenhang bezien - uit de volgende onderdelen:

  1. De Landsverordening integriteit is in strijd met hogere regelgeving en heeft geen juridische grondslag;

  2. Het openbaar ministerie handelt in strijd met het gelijkheid- en vertrouwensbeginsel en er is sprake van willekeur bij de vervolgingsbeslissing;

  3. De vervolgingsbeslissing is ingegeven door politieke motieven;

  4. De redelijke termijn is geschonden;

  5. Strafvorderlijke voorschriften zijn geschonden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen grond aanwezig is voor niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie.

Het Gerecht overweegt als volgt.

a.

De verdediging heeft betoogd dat de Landsverordening integriteit in strijd is met de Staatsregeling en het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, omdat de Staatsregeling niet voorziet in een delegatiebepaling en de inrichting van de Staat een constitutionele aangelegenheid is.

De verdediging heeft er in haar betoog terecht op gewezen dat het de rechter op grond van artikel 101 van de Staatsregeling niet is toegestaan om landsverordeningen te toetsen aan verenigbaarheid met de Staatsregeling. Reeds gelet hierop zal het Gerecht er geen oordeel over geven of de Landsverordening integriteit in strijd is met de Staatsregeling. Het Gerecht zal zich evenmin uitlaten over de vraag of de Landsverordening integriteit in strijd is met het Statuut, nu op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1989:AD5725) de vraag of de rechter een Landsverordening (gelijk aan een wet in formele zin) mag toetsen aan het Statuut ontkennend moet worden beantwoord.

De verdediging heeft voorts bepleit dat de Landsverordening integriteit meer in het bijzonder artikel 16 lid 3 van die Landsverordening, in strijd is met mensenrechtenverdragen, omdat die bepaling een inbreuk maakt op de onschuldpresumptie ex artikel 6 lid 2 EVRM en artikel 14 lid 2 BUPO.

Artikel 16 lid 3 van de Landsverordening integriteit bepaalt dat een minister met onmiddellijke ingang ontslag moet indienen bij de gouverneur indien hij of zij als verdachte wordt aangemerkt in een lopend strafrechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf. Het Gerecht is van oordeel dat een eventuele onverenigbaarheid van deze bepaling met de onschuldpresumptie geen enkele betekenis heeft voor het vervolgingsrecht van de officier van justitie. Het verweer wordt verworpen.

b.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie bij de beslissing tot vervolging heeft gehandeld uit willekeur en dat vervolging in strijd is met het gelijkheid- en vertrouwensbeginsel. Ter staving van het verweer heeft de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie in een vergelijkbare zaak - de zaak tegen minister Steven Martina - is overgegaan tot een voorwaardelijk sepot. Voorts is aangevoerd dat het openbaar ministerie door beleid en mededelingen in de pers het vertrouwen heeft gewekt dat (kandidaat-)ministers niet worden vervolgd ter zake van overtredingen van de Landsverordening integriteit.

Het Gerecht stelt voorop dat aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de (wijze van) vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Hiervan kan sprake zijn - bijvoorbeeld - omdat vervolging wordt ingesteld terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn of doordat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat voor die ongelijke behandeling een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat.

Schending gelijkheidsbeginsel

Zoals hiervoor is overwogen, kan de discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie om tot vervolging van een verdachte over te gaan, worden beperkt door de werking van de beginselen van een goede procesorde, het gelijkheidsbeginsel daaronder begrepen. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd en is niet aannemelijk geworden dat aan andere (kandidaat-) ministers een gelijk verwijt kan worden gemaakt. Voorts is het Gerecht van oordeel, mede gelet op de uitleg die de officier van justitie daarover heeft gegeven, dat het verwijt dat verdachte wordt gemaakt van wezenlijk andere aard is dan het verwijt dat aan minister Martina wordt gemaakt, zodat geen sprake is van een vergelijkbaar geval. Het Gerecht neemt bij dat oordeel in aanmerking dat minister Martina wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een vergadering van de Raad van Ministers over besluitvorming ten aanzien van zakelijke belangen die hij, al dan niet op juiste wijze, op afstand had gezet. Anders dan aan de verdachte wordt hem niet het verwijt gemaakt dat hij als kandidaat-minister zijn nevenactiviteiten of zakelijke belangen heeft verzwegen bij het invullen van de Verklaring (kandidaat-)minister. Reeds vanwege de omstandigheid dat geen sprake is van gelijke gevallen, is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Schending vertrouwensbeginsel

Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad is eerst sprake van schending van het vertrouwensbeginsel als vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij of zij niet (verder) zal worden vervolgd.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, op grond van de inhoud van het persbericht van de procureur-generaal van 22 mei 2019, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij niet zal worden vervolgd ter zake van overtreding van de Landsverordening integriteit. De mededeling van de procureur-generaal dat het debat over de invulling van de integriteitsnormen in de Staten, Raad van Ministers en door politieke ambtsdragers moet worden gevoerd en dat mede daardoor vervolging van minister Martina bij de strafrechter niet opportuun is, staat op gespannen voet met de vervolging van de verdachte, aldus de verdediging.

Vooropgesteld dient te worden dat genoemde mededeling van het openbaar ministerie is gedaan in de zaak tegen minister Martina en aan hem, zoals hiervoor overwogen, een ander verwijt wordt gemaakt. Het Gerecht houdt het ervoor dat de uitlatingen van de procureur-generaal in relatie tot integriteitsnormen uit de Landsverordening integriteit moeten worden begrepen in het kader van de zaak tegen Martina. Uit de inhoud van het persbericht kan niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie zich in het geheel onthoudt van strafvervolging ter zake van overtredingen van de Landsverordening integriteit. Het verweer wordt verworpen.

Schending verbod op willekeur

Het Gerecht begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat vervolging van overtredingen op de Landsverordening integriteit tegen het beleid van het openbaar ministerie indruist. Daartoe is aangevoerd dat het openbaar ministerie de verdachte heeft vervolgd voor een vermeende overtreding van de Landsverordening integriteit, terwijl het openbaar ministerie in dezelfde periode publiekelijk kenbaar maakte dat politiek debat over de Landsverordening integriteit moet plaatsvinden. Voorts heeft het openbaar ministerie bij de vervolging van de verdachte ten onrechte de conclusies uit het eindrapport van de Evaluatiecommissie Landsverordening integriteit niet in aanmerking genomen.

Het verbod op willekeur wordt ook wel omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Onderzocht moet worden of het openbaar ministerie naar willekeur de ene verdachte wel en de andere niet vervolgt hoewel de verdachten in een sterk vergelijkbare positie verkeren. Van die situatie is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. Zoals hiervoor al is aangegeven kan niet vastgesteld worden dat verdachte en minister Martina in een sterk vergelijkbare positie verkeerden. Verder kan naar het oordeel van het Gerecht, zoals eveneens hiervoor al uitgelegd, niet op basis van het bedoelde persbericht worden geconcludeerd dat het bestendig beleid is van het openbaar ministerie om overtreders van de Landsverordening integriteit (voorlopig) niet te vervolgen. Ten slotte ziet het Gerecht niet in dat (en op basis waarvan) het openbaar ministerie gehouden zou zijn om de beslissing tot onderzoek en vervolging af te laten hangen van de resultaten van het eindrapport van de Evaluatiecommissie Landsverordening integriteit. De aangevoerde omstandigheid dat het openbaar ministerie heeft bijgedragen aan de resultaten van het rapport van de Evaluatiecommissie acht het Gerecht daartoe niet voldoende. Het verweer wordt verworpen.

c.

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de vervolgingsbeslissing sprake zou zijn geweest van politieke motieven.

Het door de verdediging gestelde is, bij gebreke van enige relevante feitelijke onderbouwing daarvan, niet aannemelijk geworden en kan aldus niet leiden tot het door de verdediging gewenste gevolg. Het verweer wordt verworpen.

d.

De verdediging heeft voorts als grond voor niet-ontvankelijkheid aangevoerd dat de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM is geschonden, nu de zaak pas vier jaar nadat de verdachte de Verklaring (kandidaat-)minister heeft ingevuld voor de rechter is gebracht.

Het Gerecht overweegt dat op 12 september 2019 aangifte tegen de verdachte is gedaan ter zake van overtreding van artikel 9 van de Landsverordening integriteit. Op 24 januari 2020 heeft de procureur-generaal opdracht gegeven tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte. Het Gerecht neemt laatstgenoemde datum als uitgangspunt voor de aanvang van de vervolging. Het Gerecht wijst binnen twee jaar vonnis in deze strafzaak, zodat de redelijke termijn niet is overschreden. Het Gerecht overweegt ten overvloede dat gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid kan leiden (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.

e.

De verdediging heeft ten slotte bepleit dat strafvorderlijke voorschriften zijn geschonden, zodat ook om die reden de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat zonder wettelijke grondslag vertrouwelijke documenten betreffende de verdachte en haar man zijn opgevraagd en in het dossier zijn gevoegd.

Het Gerecht overweegt dat naar aanleiding van de aangifte tegen de verdachte een feitenonderzoek is ingesteld. Onderdeel van dat feitonderzoek en het daaropvolgende strafrechtelijke onderzoek is dat bij verschillende instanties wordt gevorderd (of gevraagd om) relevante informatie met betrekking tot de verdenking. Niet is gebleken dat het openbaar ministerie in dat verband strafvorderlijke bevoegdheden heeft geschonden, zodat reeds gelet hierop het verweer wordt verworpen.

Conclusie

Geen van bovenvermelde verweren, noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, dient te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, nu niet is gebleken, noch aannemelijk is geworden dat door de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. Ook overigens is er naar het oordeel van het Gerecht geen sprake van strijd met een behoorlijke procesorde die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Het Gerecht stelt vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Partiële vrijspraak (ACU bankrekeningen)

Het Gerecht is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte tot het doen van opgave van de ten laste gelegde ACU spaarrekeningen verplicht was, omdat niet kan worden vastgesteld dat die spaarrekeningen, op het moment dat de verdachte de Verklaring kandidaat-minister invulde, afzonderlijk of cumulatief het drempelbedrag van NAf. 20.000,00 bereikten. Op de terechtzitting is aan de orde geweest of artikel 9 lid 4 van de Landsverordening integriteit moet worden uitgelegd in die zin dat de bankrekeningen separaat, per bank/instelling of gezamenlijk (bij elkaar opgeteld) het bedrag van NAf. 20.000,00 moeten bereiken. Omdat niet kan worden vastgesteld dat op 15 mei 2017 de ACU spaarrekeningen de drempelwaarde van NAf. 20.000,00 bereikten (afzonderlijk of cumulatief), is deze kwestie voor de bewezenverklaring niet relevant. Het Gerecht komt tot de slotsom dat niet kan worden bewezen dat de verdachte gehouden was haar spaarrekeningen bij de ACU te vermelden in de verklaring, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 15 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017, te Curacao,

terwijl zij als kandidaat gehouden was naar waarheid duidelijk, stellig,

volledig en zonder voorbehoud een schriftelijke verklaring ten aanzien van

haar zakelijke belangen, nevenfuncties en nevenwerkzaamheden in te vullen,

te ondertekenen en in te dienen bij de kabinetsformateur, althans (die)

inlichtingen te verstrekken, in strijd met die bedoelde gehoudenheid

inlichtingen in strijd met de waarheid heeft gegeven of iets heeft verzwegen,

immers heeft zij toen en daar in een "Verklaring kandidaat-minister"

- onder de passage "Nauwkeurige omschrijving nevenfuncties en

nevenwerkzaamheden" een schuine streep geplaatst en (aldus) geen enkele

nevenfunctie of -werkzaamheid opgegeven, terwijl zij ten tijde van de

ondertekening van de verklaring voorzitter was van de stichting [stichting] en/of directeur van de onderneming [onderneming] en/of voorzitter, althans bestuurslid, van de vereniging [vereniging], en/of

- onder de passage "Overige vermogensbestanddelen" een schuine

streep geplaatst en (aldus) geen (volledige) opgave gedaan van (die)

vermogensbestanddelen, terwijl zij ten tijde van de ondertekening van de

verklaring drie (bank)rekeningen had bij ACU (Algemene Spaar- en Krediet

Coöperatie) en/of een (bank)rekening (rekening nummer [rekeningnummer]) had bij

de Maduro en Curiels Bank.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 februari 2021, inhoudende voor zover van belang:

Ik kan me niet precies herinneren op welke dag ik het formulier heb ingevuld, maar ik weet wel dat ik het formulier “Verklaring kandidaat minister” heb ingevuld op de dag waarop ik het formulier heb ondertekend, dus de datum die op het formulier staat vermeld (het Gerecht begrijpt: 15 mei 2017).

Het klopt dat ik sinds 21 november 2002 als directeur stond ingeschreven bij de onderneming van mijn man: “[onderneming]” Aan het eind van ieder jaar deed ik de administratie voor die onderneming. Het klopt dat ik in september 2019 ben uitgeschreven als directeur.

Het klopt dat ik sinds 19 oktober 2012 voorzitter was van de Stichting [stichting]. De projecten die wij met de stichting hebben verzorgd, waren vóór mei 2017 afgerond. Ik wist niet dat ik mij ook moest uitschrijven in het Handelsregister. Het was eenvoudiger om de stichting te laten bestaan tijdens mijn ministerschap dan na mijn periode als minister opnieuw een stichting op te moeten richten. Ik was niet bezig met die stichting en vond het daarom niet nodig om de stichting te vermelden op het formulier. Het klopt dat ik in september 2019 pas officieel als bestuurslid ben uitgeschreven bij de stichting.

Het klopt dat ik voorzitter ben geweest van de vereniging [vereniging]. Sinds maart 2015 ben ik geen voorzitter meer van de vereniging, maar ik was nog wel bestuurslid. De wijziging is per abuis niet doorgegeven aan de Kamer van Koophandel. Ik wist toen ook niet dat ik mij in het Handelsregister moest uitschrijven. Het klopt dat ik in september 2019 pas officieel ben uitgeschreven als bestuurslid van de vereniging.

Het klopt dat ik de MCB-bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] niet in de Verklaring Kandidaat Minister heb vermeld. Die bankrekening stond op naam van mij en mijn man. Het betreft een gezamenlijke rekening.

2. Ander geschrift, te weten een “Verklaring kandidaat minister” van 15 mei 2017 (pagina 82-84 van het doorgenummerde dossier), ingevuld en ondertekend door [verdachte], inhoudende:

[geschrift]

Bewijsoverwegingen

Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak bestaat in de kern gevat uit de volgende deelverweren:

  1. de verdachte was op grond van de Landsverordening integriteit niet verplicht haar nevenfuncties/-activiteiten en de ten laste gelegde vermogensbestanddelen te vermelden;

  2. de verdachte had geen kwade intentie bij het verzwijgen van haar nevenfuncties/-activiteiten en vermogensbestanddelen.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft op 15 mei 2017 het formulier “Verklaring kandidaat-minister” ingevuld en ondertekend en vervolgens, al dan niet via een ander, aangeboden aan de formateur. De verdachte heeft in die verklaring geen opgave gedaan van dat zij voorzitter was van de Stichting [stichting], directeur bij de onderneming van haar man “[onderneming]” en dat zij voorzitter/bestuurslid was van de vereniging [vereniging]. Evenmin heeft zij opgave gedaan van een bankrekening bij de MCB met het rekeningnummer: [rekeningnummer]. De vraag die thans voorligt is of de verdachte op grond van de Landsverordening integriteit gehouden was voornoemde functies en vermogensbestanddelen te vermelden op de “Verklaring kandidaat-minister”.

a.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de Landsverordening integriteit genoemde definitie van “nevenfunctie” aldus moet worden uitgelegd dat een kandidaat-minister slechts gehouden is tot het doen van opgave van nevenfuncties, als die nevenfuncties actief worden uitgeoefend. De entiteiten waarin de verdachte een (bestuurs)functie bekleedde ten tijde van het invullen van de verklaring waren dormant/niet actief, zodat de verdachte niet verplicht was die nevenfuncties te vermelden in de verklaring, aldus de verdediging.

Het Gerecht oordeelt anders en overweegt daartoe het volgende. De verdachte stond op 15 mei 2017 in de Kamer van Koophandel ingeschreven als voorzitter bij de stichting [stichting], voorzitter/bestuurslid bij de [vereniging] en als directeur bij [onderneming] Het Gerecht wil aannemen dat die entiteiten ten tijde van het invullen van de verklaring door de verdachte en tijdens het ministerschap van de verdachte niet actief waren, dan wel dat verdachte geen bestuur(der)sactiviteiten verrichtte. De verdachte was evenwel door haar inschrijving in de Kamer van Koophandel (in ieder geval voor de buitenwereld) nog betrokken bij die entiteiten nu de inschrijving een juridische basis biedt voor het feit dat iemand actief is als bestuurder van een rechtspersoon en zij kon derhalve ook nog steeds rechtshandelingen verrichten ten behoeve van die entiteiten. Door deze nevenfuncties niet te vermelden heeft de verdachte de formateur de gelegenheid ontnomen te beoordelen of eventueel (in de toekomst) sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling.

De verdediging heeft ten aanzien van de ten laste gelegde niet opgegeven bankrekening van de MCB bepleit dat de verdachte deze bankrekening niet in de verklaring hoefde te vermelden, omdat haar man feitelijk de beheerder was van die bankrekening en hij de bankrekening wel in de door hem ingevulde verklaring heeft opgegeven.

De kandidaat-minister moet op grond van artikel 9 lid 4 van de Landsverordening integriteit alle vermogensbestanddelen vermelden die de grens van NAf. 20.000,00 passeren. De verdachte hield ten tijde van het invullen van de verklaring meerdere bankrekeningen aan bij verschillende banken. De verdachte heeft in de Verklaring kandidaat-minister een aantal van die bankrekeningen vermeld, maar heeft nagelaten te vermelden een bankrekening bij de MCB die op naam van haar en haar man stond en waarop een bedrag van ongeveer NAf. 95.000,- stond. De verdachte

heeft ter terechtzitting verklaard dat haar man de bankrekening feitelijk beheerde en dat om die reden haar man wel, en zij niet, de bankrekening heeft vermeld in de verklaring. Het Gerecht overweegt dat de Landsverordening integriteit een dergelijk voorbehoud niet kent. Ingevolge de Landsverordening integriteit moeten immers alle vermogensbestanddelen worden vermeld die het drempelbedrag passeren en die gelinkt kunnen worden aan de kandidaat-minister. De bankrekening stond (mede) op naam van de verdachte en de drempelwaarde was bereikt. De verdachte was gelet hierop verplicht opgave te doen van de betreffende bankrekening. Dat de man van de verdachte in de door hem ingevulde verklaring wel opgave heeft gedaan van die bankrekening, doet aan het voorgaande niets af.

b.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte geen kwade intenties had bij het verzwijgen van de nevenfuncties/-activiteiten en zakelijke belangen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft afgewogen of de functies die zij bekleedde en de bankrekening die zij aanhield bij de MCB op enigerlei wijze haar integriteit konden schaden. Volgens de verdediging kon en mocht de verdachte oordelen dat dit niet het geval was en dat zij daarom de betreffende bankrekening en haar nevenfuncties niet hoefde te vermelden.

Het Gerecht overweegt als volgt. De Landsverordening integriteit, alsook de Verklaring kandidaat-minister, verplicht de kandidaat-minister om - zonder voorbehoud - opgave te doen van alle nevenfuncties en zakelijke belangen (die het drempelbedrag bereiken). De ratio hiervan is dat de formateur op de hoogte wordt gesteld van zakelijke- en financiële belangen van de kandidaat-minister en dat hij zich een oordeel kan vormen over eventuele (toekomstige) belangenverstrengeling. De formateur moet kunnen vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de aan hem verstrekte informatie. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het niet de kandidaat-minister die een afweging moet maken of nevenfuncties of andere zakelijke belangen de integriteit kunnen schaden, maar is die afweging in het kader van de Landsverordening integriteit voorbehouden aan de formateur. De verdachte heeft er bewust voor gekozen haar nevenfuncties en bankrekening bij de MCB niet te vermelden in de verklaring en heeft daarmee in strijd gehandeld met bepalingen uit de Landsverordening integriteit. Dat de verdachte geen criminele intenties had bij het verzwijgen van die informatie staat een bewezenverklaring van het ten laste gelegde niet in de weg. Voor de bewezenverklaring is namelijk vereist dat de verdachte opzet had op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in de artikelen 25 van de Landsverordening integriteit (kandidaat-)ministers juncto artikel 9 van die Landsverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Handelen in strijd met artikel 9 van de Landsverordening integriteit (kandidaat-) ministers, strafbaar gesteld bij artikel 25 van de Landsverordening integriteit (kandidaat-) ministers, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt, zodat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvolging. Hieraan is ten grondslag gelegd dat aan de kant van de verdachte sprake is van rechtsdwaling.

Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde, vereist is dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen.

Het Gerecht is van oordeel dat van een kandidaat minister mag worden verwacht dat zij zich vergewist van de op haar - in het kader van de aanstelling als minister -rustende verplichtingen. Indien en voor zover de verdachte vragen had, of er onduidelijkheid bestond, over welke informatie zij in de Verklaring kandidaat-minister moest vermelden, had zij daarover vragen kunnen stellen aan de formateur. Niet gesteld en niet aannemelijk is geworden dat de verdachte navraag heeft gedaan over welke informatie zij moest vermelden in de Verklaring kandidaat-minister, terwijl dit wel voor de hand had gelegen, mede gezien haar (toekomstige) positie. De verdachte had zich naar het oordeel van het Gerecht nader moeten laten informeren over de van toepassing zijnde regelgeving. Het voorgaande betekent naar het oordeel van het Gerecht dat de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt nu er geen sprake is van een verontschuldigbare rechtsdwaling. Het verweer wordt verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, zodat de verdachte strafbaar is.

Geen straf of maatregel

Het Gerecht heeft acht geslagen op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Na de verkiezingen in 2017 werd de verdachte in het kabinet Ruggenaath benoemd als Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport. Net als alle andere (kandidaat-)ministers moest de verdachte in het kader van haar benoeming de Verklaring kandidaat-minister invullen en in die verklaring onder meer opgave doen van haar nevenfuncties/-activiteiten en vermogensbestanddelen. De verdachte stond op het moment dat zij de verklaring invulde ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als voorzitter bij de charitatieve stichting [stichting] en een wandelclub met de naam [vereniging]. Tevens stond zij ingeschreven als directeur bij de onderneming van haar man, [onderneming]. Het Gerecht heeft bewezenverklaard dat de verdachte heeft nagelaten haar nevenfuncties en één bankrekening te vermelden op het desbetreffende formulier, terwijl zij daartoe op grond van de Landsverordening integriteit (kandidaat-)minister wel verplicht was. Door aldus te handelen heeft de verdachte de kabinetsformateur de gelegenheid ontnomen om te kunnen beoordelen of mogelijk (in de toekomst) sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling of andere integriteitskwesties.

Met betrekking tot de ernst van het feit overweegt het Gerecht het volgende. Het Gerecht stelt voorop dat het van groot belang is dat de kabinetsformateur op juiste wijze wordt ingelicht over welke (privé en/of zakelijke) belangen een kandidaat-minister heeft. De kabinetsformateur moet immers kunnen beoordelen of mogelijkerwijs belangenverstrengeling op de loer ligt. De kabinetsformateur is daarbij afhankelijk van de informatie die hem wordt aangeboden door de kandidaat-ministers en om tot een goed oordeel te kunnen komen, moet die aangedragen informatie juist en volledig zijn. Het Gerecht rekent het de verdachte aan dat zij de kabinetsformateur onjuist en onvolledig heeft ingelicht en de kabinetsformateur daardoor niet voorafgaand aan haar benoeming ten volle heeft kunnen toetsen of mogelijk (in de toekomst) sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling.

Naar het oordeel van het Gerecht zijn er evenwel termen aanwezig om over te gaan tot een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Het is het Gerecht niet gebleken dat de verdachte kwade bedoelingen had bij het verzwijgen van haar nevenfuncties. Het Gerecht ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verdachte de intentie had zichzelf - of aan haar gelieerde entiteiten – (financieel) te bevoordelen. Het Gerecht neemt in aanmerking dat de aan de verdachte gelieerde entiteiten tijdens het ministerschap van de verdachte geen (op winst gerichte) bedrijfsactiviteiten uitvoerden. Met betrekking tot de niet opgegeven bankrekening bij de MCB overweegt het Gerecht dat uit de omstandigheid dat haar man wel opgave van die bankrekening heeft gedaan, blijkt dat geen poging is gedaan de bankrekening uit het zicht van de kabinetsformateur te houden. Het Gerecht weegt voorts mee dat de verdachte vanwege deze strafzaak haar ontslag als minister heeft moeten indienen en dat de zaak nog steeds grote gevolgen voor haar heeft op zowel privé- als zakelijk gebied.

In het kader van straftoemeting heeft het Gerecht (wel) rekening gehouden met het politieke debat dat na het persbericht van het openbaar ministerie in de zaak van minister Martina heeft plaatsgevonden, dat heeft geresulteerd in het eindrapport van de Evaluatiecommissie Landsverordening integriteit. Eén van de aanbevelingen die wordt gedaan is om, ter voorkoming van eigen interpretaties door de respondenten, nader toe te lichten om welk soort nevenfuncties en nevenwerkzaamheden het gaat en hoe deze neergelegd moeten worden.

Verdachte is de eerste minister tegen wie vervolging is ingesteld wegens overtreding van de Landsverordening integriteit in een periode waarin blijkbaar het debat over de invulling en uitwerking van die verordening in volle gang was. Aan die keuze van het openbaar ministerie tot onderzoek en vervolging kan en zal het Gerecht, zoals hiervoor uitgelegd, niet tornen, echter leidt die keuze er wel toe dat, nu op geen enkele manier is gebleken dat verdachte met haar handelwijze enig voordeel voor haarzelf heeft beoogd te krijgen, in combinatie met de grote gevolgen die de rechtszaak voor verdachte heeft gehad, het Gerecht de toegevoegde waarde van een op te leggen straf niet inziet.

Het Gerecht ziet gelet op het vorenstaande aanleiding om toepassing te geven aan artikel 1:12 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G. Edelenbos, bijgestaan door mr. M. Witteman, zittingsgriffier, en op 12 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

De uitspraakgriffier

Bijlage 1 (tekst gewijzigde tenlastelegging)

Verdachte wordt ten laste gelegd:

Primair

dat zij op 15 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017, te Curacao,

terwijl zij als kandidaat gehouden was naar waarheid duidelijk, stellig,

volledig en zonder voorbehoud een schriftelijke verklaring ten aanzien van

haar zakelijke belangen, nevenfuncties en nevenwerkzaamheden in te vullen,

te ondertekenen en in te dienen bij de kabinetsformateur, althans (die)

inlichtingen te verstrekken, in strijd met die bedoelde gehoudenheid

inlichtingen in strijd met de waarheid heeft gegeven of iets heeft verzwegen,

immers heeft zij toen en daar in een "Verklaring kandidaat-minister"

- onder de passage "Nauwkeurige omschrijving nevenfuncties en

nevenwerkzaamheden" een schuine streep geplaatst en (aldus) geen enkele

nevenfunctie of -werkzaamheid opgegeven, terwijl zij ten tijde van de

ondertekening van de verklaring voorzitter was van de stichting [stichting] en/of directeur van de onderneming [onderneming] en/of voorzitter, althans bestuurslid, van de vereniging [vereniging], en/of

- onder de passage "Overige vermogensbestanddelen" een schuine

streep geplaatst en (aldus) geen (volledige) opgave gedaan van (die)

vermogensbestanddelen, terwijl zij ten tijde van de ondertekening van de

verklaring drie (bank)rekeningen had bij ACU (Algemene Spaar- en Krediet

Coöperatie) en/of een (bank)rekening (rekening nummer [rekeningnummer]) had bij

de Maduro en Curiels Bank;

Subsidiair

dat zij op 15 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curacao, opzettelijk een "Verklaring kandidaat-minister", zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valsheid heeft opgemaakt of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat zij in die "Verklaring kandidaat-minister"

- onder de passage "Nauwkeurige omschrijving nevenfuncties en nevenwerkzaamheden" een schuine streep heeft geplaatst en (aldus) geen enkele nevenfunctie of -werkzaamheid heeft opgegeven, terwijl zij ten tijde van de ondertekening van de verklaring voorzitter was van de stichting [stichting] en/of directeur van de onderneming [onderneming] en/of voorzitter, althans bestuurslid, van de vereniging [vereniging], en/ of

- onder de passage "Overige vermogensbestanddelen" een schuine streep heeft geplaatst en (aldus) geen (volledige) opgave gedaan van (die) vermogensbestanddelen, terwijl zij ten tijde van de ondertekening van de verklaring drie (bank)rekeningen had bij ACU (Algemene Spaar- en Krediet Cooperatie) en/of een (bank)rekening (rekening nummer [rekeningnummer]) had bij de Maduro en Curiels Bank;

en/of

dat zij op 15 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curacao opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste geschrift, te weten een "Verklaring kandidaat-minister", zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst en/of opzettelijk zodanig geschrift heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte die ''Verklaring kandidaat-minister" bij de kabinetsformateur heeft ingediend, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat zij in die "Verklaring kandidaat-minister"

- onder de passage "Nauwkeurige omschrijving nevenfuncties en nevenwerkzaamheden" een schuine streep heeft geplaatst en (aldus) geen enkele nevenfunctie of -werkzaamheid heeft opgegeven, terwijl zij ten tijde van de ondertekening van de verklaring voorzitter was van de stichting [stichting] en/of directeur van de onderneming [onderneming] en/of voorzitter, althans bestuurslid, van de vereniging [vereniging], en/of

- onder de passage "Overige vermogensbestanddelen" een schuine streep heeft geplaatst en (aldus) geen (volledige) opgave gedaan van (die) vermogensbestanddelen, terwijl zij ten tijde van de ondertekening van de verklaring drie (bank)rekeningen had bij ACU (Algemene Spaar- en Krediet Cooperatie) en/of een (bank)rekening (rekening nummer [rekeningnummer]) had bij de Maduro en Curiels Bank.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het de LandsRecherche d.d. 16 juli 2020, geregistreerd onder proces-verbaalnummer LrC- 2001 en de onderzoeksnaam “Puerta 2”.