Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:40

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
CUR201903955
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gewelddadige dood echtgenote, gevolgd door vermissing van echtgenoot. Echtgenoot erft niet van de overledene, maar houdt wel zijn aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap. Onwaardigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[de moeder van de vrouw],

[de broers en zussen van de vrouw],

allen wonende te Curaçao,

eisers,

gemachtigde: aanvankelijk mr. M. Bannenberg, thans dhr. […],

tegen

[de man],

laatstelijk wonende te [adres 1], Curaçao,

gedaagde, hierna te noemen ‘[de man]’,

niet in persoon verschenen,

vertegenwoordigd door de bewindvoerder over zijn goederen

[de dochter van de man],

wonende te Curaçao,

hierna te noemen ‘de dochter van [de man]’.

1 Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 23 oktober 2019;

- het vonnis van 13 januari 2020 (nietigverklaring exploot);

- de rolbeschikking van 15 juni 2020 (oproeping bewindvoerder);

- de conclusie van antwoord van 14 augustus 2020;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 oktober 2020;

- de conclusie van repliek van 23 november 2020;

- de conclusie van dupliek van 4 januari 2021.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

In dit vonnis wordt het volgende als vaststaand aangenomen:

a. a) [De man] (geboren in 1972) is in 1997 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [de vrouw] (geboren in 1976), hierna ‘[de vrouw]’. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

b) Op 20 december 2014 is [de man] in verzekering gesteld op verdenking van (door hem erkende) mishandeling van [de vrouw] en vernieling van haar auto. [De vrouw] werd die dag per ambulance van de echtelijke woning te [adres 1] naar het Sehos afgevoerd. [De vrouw] wilde geen aangifte doen tegen [de man] van de mishandeling, wel van de vernieling. Op 23 december 2014 werd [de man] in vrijheid gesteld in afwachting van de afdoening van de zaak door middel voorwaardelijk sepot. [De vrouw] had inmiddels haar intrek in een familiewoning te [adres 2] genomen.

c) [De vrouw] werd op zondag 4 januari 2015 in die woning in [adres 2] dood aangetroffen. Haar lichaam vertoonde diverse steekwonden. Naast haar hoofd lag een mes met ontbrekend/afgebroken lemmet. De forensisch patholoog heeft geconcludeerd dat [de vrouw] is gestorven als gevolg van steekletsel in de borst.

d) [De man] had [de vrouw] in de nacht daaraan voorafgaand in die woning opgezocht. Kort nadat [de vrouw]’s lichaam was gevonden, heeft de politie de pick-up van [de man] aangetroffen bij ‘Shut’ aan de noordkust van Curaçao. Sindsdien is [de man] spoorloos.

e) Bij uitspraak van dit gerecht van 28 augustus 2017 (zaaknummer AR 78936/2016, is de stichting Stichting Afwikkeling Nalatenschappen (SAN), hierna: ‘stichting SAN’, benoemd tot vereffenaar ter afwikkeling van de nalatenschap van [de vrouw] en tot onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van [de man].

f) Bij uitspraak van dit gerecht van 13 december 2018 (zaaknummer CUR201703034, ECLI:NL:OGEAC:2018:303) is de dochter van [de man] benoemd tot bewindvoerder over diens goederen (afwezigenbewind).

g) Door eisers als klagers is bij het hof een beklag gedaan ex artikel 15 Wetboek van Strafvordering terzake de niet-vervolging van [de man] (zaaknummer HAR71/2019). Nadat het hof bij tussenbeschikking de procureur-generaal had opgedragen de documenten betrekking hebbende op het (opsporings)onderzoek naar de dood van [de vrouw] in het geding te brengen, is het beklag bij eindbeschikking van 20 augustus 2020 afgewezen, omdat gebleken was dat het onderzoek nog gaande was en er geen sprake (meer) was van een situatie waarin van de vervolging van [de man] was afgezien. Het hof overwoog:

“Klagers wensen blijkens het klaagschrift vervolging van beklaagde wegens mishandeling en doodslag dan wel moord op [de vrouw]. Volgens de stellingen van klagers is er voldoende bewijs voorhanden om beklaagde te vervolgen. Volgens klagers doet de vermissing van beklaagde sinds 4 januari 2015, de dag dat [de vrouw] dood is aangetroffen, niets af aan dit standpunt. Volgens hen is de vervolging van beklaagde haalbaar en opportuun.

De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het strafrechtelijk onderzoek naar de dood van [de vrouw] in volle gang is en dat dit onderzoek zich in een gevoelige fase bevindt. Ook heeft de procureur-generaal naar voren gebracht dat beklaagde sinds 4 januari 2015 als verdachte is aangemerkt en dat er sindsdien een bevel tot aanhouding buiten heterdaad is uitgevaardigd. Daarenboven staat beklaagde ook internationaal gesignaleerd.

Het Hof is op grond van de dossierstukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel dat onder de huidige omstandigheden geen sprake is van een situatie van niet (verder) vervolgen door het openbaar ministerie, als bedoeld in artikel 15 eerste lid Sv.”

h) Tot de nalatenschap van [de vrouw] behoort onder meer haar aandeel in de voormalige echtelijke woning te [adres 1].

3 De vordering en het verweer

3.1

De vorderingen van eisers strekken ertoe dat:

- voor recht wordt verklaard dat [de man] noch zijn rechtsopvolgers gerechtigd zijn tot de nalatenschap van [de vrouw];

- voor recht wordt verklaard dat [de man] noch zijn rechtsopvolgers gerechtigd zijn tot [de man]’ aandeel in de huwelijkse gemeenschap van goederen;

- de nalatenschap en het aandeel van [de man] in de goederengemeenschap worden toegedeeld aan eisers, althans dat het gerecht in goede justitie de verdeling vaststelt;

- dat de kosten die eisers hebben gemaakt in verband met het overlijden van [de vrouw], een bedrag van NAf 23.470,24, ten laste van de boedel worden gebracht met veroordeling van [de man] (dan wel de vereffenaar) om deze kosten aan eisers te voldoen.

3.2

Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [de man] als de persoon die [de vrouw] heeft gedood geen voordeel mag trekken uit haar dood.

3.3

De dochter van [de man] heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat niet bewezen is dat [de man] [de vrouw] heeft gedood.

3.4

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

De partijen

4.1

Eisers zijn de moeder en de broers en zussen van wijlen [de vrouw]. Zij hebben als mogelijke erfgenamen van [de vrouw] - in het geval [de man] niet van [de vrouw] erft - belang bij de door hen ingestelde vorderingen.

4.2

Gedaagde [de man] was de echtgenoot van [de vrouw]. Volgens de dochter van [de man] leeft [de man] niet meer. Zij stelt dat zij sinds zijn verdwijning op 4 januari 2015 geen teken van leven meer van haar vader heeft ontvangen. Eisers daarentegen vermoeden dat [de man] op de vlucht is. Zijn auto is weliswaar leeg aangetroffen bij ‘Shut’, wat als een aanwijzing zou kunnen worden opgevat dat [de man] daar in het water is gesprongen om zich van het leven te beroven, maar er is volgens eisers sprake van een getuige, een visser, die hem van de auto heeft zien weglopen, en [de man] zou later zijn gezien bij Playa Santa Cruz, vanwaar hij met een boot naar Bonaire zou zijn gevlucht. Het openbaar ministerie beschouwt [de man] sinds de dood van [de vrouw] en […] verdwijning als verdachte en heeft een aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd en hem internationaal gesignaleerd.

4.3

In dit vonnis moet tot uitgangspunt worden genomen dat [de man] nog leeft. Er is geen overlijdensakte en zijn overlijden is niet vastgesteld. Daaraan doet niet af dat, naar het gerecht ambtshalve bekend is, bij beschikking van dit gerecht van 18 februari 2021 (zaaknummer CUR202001070, ECLI:NL:OGEAC:2021:38) op verzoek van de dochter van [de man] het rechtsvermoeden van diens overlijden is uitgesproken. Die beschikking is immers nog niet in kracht van gewijsde gegaan en er is derhalve ook nog geen sprake van een akte van inschrijving als bedoeld in artikel 1:417 BW met dwingende bewijskracht dat de vermiste op de in de akte vermelde dag is overleden.

4.4

De dochter van [de man] is als door het gerecht benoemd bewindvoerder bevoegd in deze zaak voor [de man] op te treden.

4.5

Terzijde merkt het gerecht hierbij op dat indien in dit geding als uitgangspunt zou zijn genomen dat [de man] (door zelfmoord, op 5 januari 2015) is overleden en indien recht was gedaan op dezelfde stellingen en stukken, maar dan tussen eisers enerzijds en de dochter van [de man] in haar hoedanigheid van diens (enige) erfgenaam anderzijds, tot een vergelijkbare beoordeling en beslissing zou zijn gekomen.

De nalatenschap van [de vrouw]

4.6

Tot de nalatenschap van [de vrouw] behoort haar aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Tot die huwelijksgoederengemeenschap behoort de voormalige echtelijke woning van [de vrouw] en [de man] te [adres 1]. Zowel eisers als de dochter van [de man] hebben zich in dit geding uitgesproken voor verkoop van de woning, met storting van de opbrengst (na voldoening van kosten) bij de notaris. Vereffenaar SAN heeft een verzoek bij dit gerecht ingediend ex artikel 1:441 BW tot tegeldemaking van de woning (zaaknummer CUR202001035). Het bijgevoegde taxatierapport vermeldt een waarde van NAf 315.000. De beslissing op dat verzoek is aangehouden in afwachting van de overlegging van een concrete (concept)koopovereenkomst, die er tot op heden niet is.

4.7

Van andere tot [de vrouw]’s nalatenschap en/of de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende vermogensbestanddelen van (geldelijke) betekenis is onvoldoende gebleken.

De erfopvolging bij versterf

4.8 [

De vrouw] heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Zij had geen kinderen. Vaststaat dat [de man] nog in leven was op het moment dat [de vrouw] stierf. Ingevolge artikel 4:10 BW is [de man] als echtgenoot [de vrouw]’s enige erfgenaam. Op grond van die bepaling heeft [de man] naast zijn eigen helft van de woning dus ook [de vrouw]’s helft verkregen. Dat is het uitgangspunt. Dat [de vrouw] en [de man] al enige tijd niet meer samenwoonden en dat [de vrouw], volgens eisers, van plan was scheiding aan te vragen, kan daar niet aan afdoen.

Is [de man] onwaardig om van [de vrouw] te erven?

4.9

Artikel 4:3 lid 1 BW bepaalt onder meer dat van rechtswege onwaardig is om uit de nalatenschap voordeel te trekken hij die onherroepelijk is veroordeeld de overledene te hebben omgebracht. Van een veroordeling van [de man] is geen sprake. De overige in artikel 4:3 lid 1 BW genoemde voorwaarden voor toepassing van dit artikel doen zich evenmin voor. [de man] is dan ook niet van rechtswege onwaardig.

4.10

Onder omstandigheden kan vererving door een erfgenaam echter zo stuitend zijn dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om hem als erfgenaam toe te laten. Dit volgt onder meer uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten in de zaak betreffende een geval van moord op een echtgenote gevolgd door zelfmoord (EHRM 1 december 2009, NJ 2010, 206, Velcea en Mazăre vs. Roemenië).

4.11

In het onderhavige geval zou vererving door [de man] stuitend en onaanvaardbaar zijn zoals hiervoor bedoeld. Het feit dat [de man] niet is vervolgd voor de dood van [de vrouw], is blijkens de hiervoor aangehaalde beschikking van het hof uitsluitend toe te rekenen aan het feit dat hij tot dusver onvindbaar is gebleken. In dit geding moet als vaststaand worden aangenomen dat i) [de man] [de vrouw] herhaaldelijk heeft mishandeld (facturen ambulance; productie 7), ii) dat hij in de maand voorafgaand aan haar dood nog wegens haar mishandeling in verzekering is gesteld, iii) dat hij in de nacht van 3 op 4 januari 2015 in [de vrouw]’s huis in [adres 2] is geweest, iv) dat het dode lichaam van [de vrouw] daar op 4 januari 2015 is aangetroffen, met wonden van messteken, v) dat de auto van [de man] die dag aan de noordkant bij ‘Shut’ is aangetroffen (een plaats die bekend staat als dumpplek voor afval, maar ook als plek waar men niet meer levend uit het water komt) en vi) dat [de man] zich niet bij de politie heeft gemeld. [De man] heeft voor dit alles geen verklaring gegeven. Dit leidt tot het oordeel dat in dit geding moet worden aangenomen dat [de vrouw] door [de man] om het leven is gebracht. Het is onaanvaardbaar om hem als erfgenaam van [de vrouw] toe te laten.

4.12 [

De man] is dus niet gerechtigd tot [de vrouw]’s nalatenschap. Artikel 4:10 lid 1 BW roept vervolgens de ouders, broers en zussen van de erflater als erfgenamen tot de nalatenschap. Eisers zijn derhalve [de vrouw]’s erfgenamen en daarmee gerechtigd tot 50% van de woning te [adres 1].

Kan [de man] aanspraak maken op de huwelijksgoederengemeenschap?

4.13

Eisers (in de plaats van [de vrouw]) en [de man] zijn samen de rechthebbenden in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Volgens eisers is echter onaanvaardbaar dat [de man] als de moordenaar van [de vrouw] deelt in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Zij stellen zich primair op het standpunt dat ook de helft van [de man] aan hen toekomt.

4.14

Ingevolge artikel 1:100 lid 1 BW geldt tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de regel van verdeling bij helfte. Indien onverkorte toepassing van die regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mag daarvan in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken (Hoge Raad 7 december 1990, NJ 1991, 593, Moordhuwelijk-arrest). Dergelijke omstandigheden doen zich hier niet voor. In het bijzonder is hier (anders dan de echtgenoot in genoemd arrest) niet aan de orde dat [de man] het huwelijk kort voor haar dood met [de vrouw] is aangegaan met het oog op haar vermogen of dat hij haar (anders dan de echtgenoot in genoemd arrest) heeft gedood om er financieel beter van te worden. Er is rechtens geen grond [de man] zijn aandeel in de gemeenschap (de woning) te ontzeggen.

4.15

Eisers hebben er in hun verzoekschrift melding van gemaakt dat de hypothecaire schuld als gevolg van het overlijden van [de vrouw] is komen te vervallen, waardoor [de man] financieel voordeel heeft behaald aan [de vrouw]’s dood (de woning is niet meer belast met hypotheek). Bij gebreke aan een voldoende concrete uiteenzetting en onderbouwing van deze stelling, zal daaraan worden voorbijgegaan.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

4.16

Op de comparitie van partijen hebben zowel eisers als de dochter van [de man] te kennen gegeven dat wat hen betreft de woning wordt verkocht. Daartoe zal bij dit vonnis ten behoeve van de verdeling worden beslist. Bepaald zal worden dat de verkoop ter hand wordt genomen door de stichting SAN, welke stichting als vereffenaar van de nalatenschap van [de vrouw] eerder al het hiervoor genoemde verzoek om verlof tot tegeldemaking heeft gedaan. Indien partijen het niet eens worden over een vraag- en laatprijs, zal de stichting hierover moeten beslissen. Indien de stichting deze taak (die niet alleen ziet op de vereffening van [de vrouw]’s nalatenschap maar ook op de verdeling van de huwelijksgemeenschap) niet op zich mocht willen nemen, is zij daarvan ontslagen en zullen partijen gezamenlijk tot verkoop moeten overgaan of zal het onder 4.6 bedoelde verzoek kunnen worden doorgezet.

4.17

Eisers hebben gevorderd dat bij de verdeling wordt bepaald dat NAf 23.470,24 ten laste van de boedel wordt gebracht voor kosten die zij hebben moeten maken als gevolg van de mishandeling en dood van [de vrouw]. Van dit bedrag zijn niet toewijsbaar de begrafeniskosten, nu eisers niet hebben weersproken dat die kosten zijn gedragen door [de vrouw]’s werkgever. De kosten van de ambulance (op 20 december 2014 en op de dag van [de vrouw]’s overlijden, NAf 915 per keer) zijn aan [de man] verknocht en dienen geheel voor zijn rekening te komen. Die kosten dient hij aan eisers te vergoeden. De overige door eisers opgevoerde kosten (productie 7 bij verzoekschrift) betreffen door hen betaalde facturen met betrekking tot de woning (met name Aqualectra en alarm) en kosten van juridische bijstand. Van al die kosten is aannemelijk dat deze ten behoeve van de gemeenschap hebben gestrekt. Het betreft een bedrag van (tot de datum van indiening van het verzoekschrift) in totaal (NAf 1.436,81 + 1.234,62 + 2.407,64 + 9.428,61 =) NAf 14.507,68. Beslist zal worden dat dit bedrag in mindering wordt gebracht op de netto-opbrengst van de woning en aan eisers moet worden voldaan.

Slotsom

4.18

Slotsom is dat [de man] niet van [de vrouw] erft en dat eisers gezamenlijk haar erfgenamen zijn. Eisers zijn voor de ene helft gerechtigd in de woning, [de man] voor de andere helft. De woning moet worden verkocht en de opbrengst daarvan moet, na aftrek van de kosten en na betaling aan eisers van het bedrag van NAf 14.507,68, gelijkelijk tussen eisers en [de man] - ieder de helft - worden verdeeld. Uit het aan [de man] toekomende deel moet aan eisers NAf 1.830 worden betaald terzake ambulancekosten.

4.19

In deze procedure zijn beide partijen gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Daarom zullen de proceskosten worden verrekend.

5 Beslissing

Het Gerecht,

5.1

verklaart voor recht dat [de man] niet toegelaten wordt als erfgenaam van [de vrouw] en dat eisers [de vrouw]’s erfgenamen zijn;

5.2

stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aldus vast i) dat de woning te [adres 1] door stichting SAN tegen een door die stichting te bepalen prijs wordt verkocht, ii) dat uit de opbrengst NAf 14.507,68 aan eisers wordt voldaan terzake tot aan 23 oktober 2019 gemaakte kosten, iii) dat ook de na die datum gemaakte kosten van beheer en verkoop van de woning uit de opbrengst worden voldaan en iv) dat het restant van de opbrengst bij helfte tussen enerzijds eisers en anderzijds [de man] wordt gedeeld, met dien verstande v) dat eerst uit [de man] deel NAf 1.830 aan eisers wordt voldaan;

5.3

bepaalt dat, indien stichting SAN niet (langer) bereid mocht blijken de verkoopwerkzaamheden op zich te nemen, partijen gezamenlijk tot verkoop tegen een door hen gezamenlijk te bepalen prijs dienen over te gaan;

5.4

verklaart de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.6

verzoekt de griffier een afschrift van dit vonnis ter kennisneming te sturen naar vereffenaar stichting SAN.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2021, in aanwezigheid van de griffier.