Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:30

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
CUR20201305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incassozaak lening bank. Overeengekomen vergoeding incassokosten afgewezen wegens Procesreglement 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR20201305

Vonnis van 15 maart 2021

inzake

[bank],

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

hierna te noemen: [bank],

gemachtigden: mr. A. Huizing en mr. E.J.J. Huizing,

tegen

[gedaagde],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend zonder gemachtigde.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het inleidend verzoekschrift met bijlagen (hierna: producties), op 19 mei 2020 ter griffie ingediend;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte tot wijziging van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

gedaagde] heeft op 14 november 2018 een persoonlijke leningsovereenkomst bij [bank] afgesloten voor een hoofdsom van NAf 46.550 ter herstructurering van een uitstaande lening. In de voorwaarden bij deze overeenkomst staat dat bij debetstanden op de rekening-courant van [gedaagde] een interestpercentage zal worden berekend van 18% per jaar over het uitstaande saldo. Bovendien is bepaald dat, als [bank] gerechtelijke stappen moet ondernemen om uitstaande debetstanden te doen innen, alle kosten die in dat verband worden gemaakt ten laste van [gedaagde] komen, waarbij is opgemerkt dat de incassokosten momenteel ongeveer 20% van de te innen vorderingen bedragen. Deze overeenkomst heeft een looptijd van 65 maanden en is geldig tot 24 maart 2024.

2.2. [

gedaagde] heeft ondanks aanmaningen gedurende meerdere maanden niet afgelost op haar lening.

2.3. [

gedaagde] heeft bij brief van 23 september 2019 de overeenkomst beëindigd en meegedeeld dat daarmee de openstaande schuld direct opeisbaar is. Bij brief van 25 september 2019 heeft een incassobureau [gedaagde] gesommeerd het openstaande bedrag, vermeerderd met een boeterente van 18% per jaar en de buitengerechtelijke incassokosten van 15% daarover, te voldoen.

3 Het geschil

3.1. [

bank] vordert – na vermindering van haar eis – dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt tot betaling van NAf 41.427,86, te vermeerderen met de overeengekomen boeterente van 18% per jaar vanaf 11 maart 2020 en met de overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten van 15% daarover, en in de proceskosten.

3.2. [

bank] legt aan deze vorderingen ten grondslag, dat [gedaagde] niet voldoet aan haar aflossingsverplichtingen op grond van de leningsovereenkomst.

3.3. [

gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd, maar verzocht of zij het openstaande bedrag mag aflossen tot aan het einde van de oorspronkelijke looptijd van de lening, indien mogelijk zonder 15% incassokosten.

4 De beoordeling

4.1.

De gevorderde hoofdsom, vermeerderd met de overeengekomen boeterente, zal als onweersproken worden toegewezen. Het Gerecht geeft partijen in overweging om na ontvangst van dit vonnis met elkaar in overleg te treden over een betalingsregeling.

4.2.

Op grond van deel G onder III van het Procesreglement 2018 worden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen naar rato van 1,5 punt van het liquidatietarief voor bodemzaken in eerste aanleg, als voldoende is gesteld en gebleken dat deze kosten daadwerkelijk en in redelijkheid zijn gemaakt, tenzij in het verzoekschrift ten genoegen van de rechter wordt aangetoond waarom een zodanige begroting niet op haar plaats is. [bank] heeft aangetoond dat zij daadwerkelijk en in redelijkheid buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, maar niet waarom voor een andere dan bovenstaande begrotingswijze moet worden gekozen. Het enkele feit, dat partijen iets afwijkends zijn overeengekomen, is hiertoe niet zonder meer voldoende. Gelet hierop wordt deze vordering toegewezen tot een bedrag van NAf 1.875 (1,5 punt x tarief 1.250).

4.3. [

gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van [bank] worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op:

explootkosten NAf 361,46

griffierecht NAf 750,00

salaris gemachtigde NAf 2.500,00 (2 punten x tarief 1.250) +

totaal: NAf 3.611,46.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [bank] van NAf 41.427,86, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar vanaf 11 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [bank] van NAf 1.875,00;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [bank], tot op heden begroot op NAf 3.611,46;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, rechter, en op 15 maart 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.