Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:160

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
13-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
CUR202003923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Discriminatie op basis van seksuele oriëntatie. Uitsluiting van paren van gelijk geslacht van het huwelijk in het Burgerlijk Wetboek is in strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 3 Staatsregeling, zeker bij gebreke van een gelijkwaardig wettelijk alternatief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202003923

Vonnis d.d. 13 september 2021

in de zaak van:

1 de stichting HUMAN RIGHTS CARIBBEAN FOUNDATION,

2. [ [EISERES SUB 2],

2. [ [EISERES SUB 3],

gevestigd en wonend te Curaçao,

eiseressen,

gemachtigden: mrs. E.A.D.M.E.J. Wever en M.F. Murray,

tegen

de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, hierna: ‘het Land’,

zetelend te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en P.C.M. Tweeboom.

1 Verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 6 oktober 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 17 augustus 2021.

2 Vordering en verweer

2.1

Eiseressen vorderen dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. Huwelijk

I. voor recht verklaart dat de zinsnede ‘een man en een vrouw’ van artikel 1:30 Burgerlijk Wetboek (BW) en ook de overige bepalingen in de wet of andere regelgeving waarin ervan uit wordt gegaan dat een huwelijk alleen kan worden aangegaan tussen een man en een vrouw, in strijd is met artikel 3 en/of artikel 12 Staatregeling van Curaçao (Staatsregeling) en/of artikel 39 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut) en/of artikel 12 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 14 juncto artikel 8 EVRM en/of artikel 2, 23 en 26 Internationaal Verdrag voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR); en

II. voor recht verklaart dat het Land daardoor onrechtmatig handelt jegens eiseressen; en

III. bepaalt en/of voor recht verklaart dat artikel 1:30 BW, althans de zinsnede ‘een man en een vrouw’, ex artikel 101 Staatsregeling geen toepassing vindt, met dien verstande dat voor eiseressen, of ieder afzonderlijk, die bepaling en alle met het huwelijk te maken wettelijke bepalingen en regelgeving zodanig dienen te worden toegepast dat twee personen, zij het een man met een vrouw, een man met een man of een vrouw met een vrouw, een huwelijk kunnen aangaan; en

IV. voor recht verklaart of bepaalt dat het Land, middels de ambtenaar van de burgerlijke stand, gehouden is, als en wanneer eiseressen sub 2 en 3 zich bij de burgerlijke stand begeven met het doel met elkaar te trouwen, indien zij aan de formele vereisten voldoen, een akte van ondertrouw op te maken en hen voor de wet te laten huwen;

V. althans, steeds datgene voor recht verklaart dat recht doet aan de strekking en de bedoeling van het verzoek;

B. Geregistreerd partnerschap

I. indien geen verplichting bestaat om het huwelijk open te stellen, voor recht verklaart dat het niet aanbieden van een alternatief zoals een geregistreerd partnerschap of andere rechtsfiguur die recht doet aan de positieve verplichting die op het Land in dat verband rust, in strijd is met artikel 12 en/of 26 Staatsregeling en/of artikel 14 en/of artikel 8 EVRM; en

II. voor recht verklaart dat het Land daardoor onrechtmatig handelt jegens eiseressen;

III. althans, steeds datgene voor recht verklaart dat recht doet aan de strekking en de bedoeling van het verzoek.

2.2

Het Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3

Op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang, zal hierna worden ingegaan.

3 Beoordeling

Ontvankelijkheid eiseres sub 1

3.1

Eiseres sub 1 stelt zich blijkens haar statuten onder meer ten doel op te komen voor gelijke rechten en een gelijke behandeling van mensen, ongeacht hun seksuele oriëntatie, en het daartoe voeren van rechtszaken. Gelet op deze doelstelling is (ook) eiseres sub 1 ontvankelijk in haar vorderingen.

Inzet van deze zaak

3.2

Eiseressen 2 en 3 zijn beiden vrouw. Zij hebben een affectieve relatie met elkaar en wonen ruim tien jaar samen. Zij willen trouwen, maar het Curaçaose Burgerlijk Wetboek kent alleen het huwelijk tussen een man en een vrouw. Eiseressen vinden het onrechtvaardig dat de wet stellen van gelijk geslacht uitsluit van het huwelijk en voor die personen niet eens voorziet in een geregistreerd partnerschap of een soortgelijk stelsel. Volgens eiseressen is de wet op dit punt in strijd met de Staatsregeling (de Curaçaose grondwet) en met het ook voor Curaçao geldende EVRM, meer in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod.

3.3

Het Land bestrijdt dat sprake is van ongeoorloofd onderscheid. Volgens het Land kunnen eiseressen geen aanspraak maken op een huwelijk en bestaat voor het Land ook geen verplichting een geregistreerd partnerschap in te voeren. Volgens het Land kunnen mensen van gelijk geslacht met een duurzame relatie de juridische en financiële consequenties van die relatie afdoende regelen met bestaande instrumenten als een samenlevingscontract en een testament.

Wettelijk kader

3.4

De volgende wettelijke bepalingen staan centraal in deze zaak:

Artikel 1:30 BW

1. Het huwelijk kan slechts bestaan tussen een man en een vrouw.

2. De wet beschouwt het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen.

Artikel 3 Staatsregeling

Allen die zich in Curaçao bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.

Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Memorie van Toelichting art. 3 Staatsregeling:

In de eerste zin van dit artikel is het gelijkheidsbeginsel opgenomen. Het gelijkheidsbeginsel is een fundamenteel beginsel voor een democratische rechtsstaat en omvat het rechtsbeginsel van gelijke behandeling van gelijke gevallen. Het gelijkheidsbeginsel geeft de opdracht aan de wetgever, het bestuur en de rechter om bij het stellen van regels of het nemen van beslissingen in concrete gevallen alleen de ter zake doende en gerechtvaardigde verschillen van die gevallen in aanmerking te nemen. Met het gelijkheidsbeginsel zal dus niet alleen rekening moeten worden gehouden bij het toepassen van wettelijke voorschriften, maar ook bij het vaststellen daarvan. In dit verband zij opgemerkt, dat het gebod van gelijke behandeling in gelijke gevallen voor de wetgever een extra gewicht krijgt, nu de rechter de bevoegdheid krijgt daden van de wetgever te beoordelen op hun grondwettigheid waar het betreft de klassieke grondrechten (artikel 101).

[…] In de tweede volzin is het discriminatieverbod opgenomen. Het betreft hier een aanscherping van het gebod tot gelijke behandeling. De woorden “of op welke grond dan ook” breiden het verbod van discriminatie uit tot andere dan de in deze volzin genoemde discriminatiegronden. […]

Artikel 26 Staatsregeling

Het gezin wordt beschermd door de overheid. De overheid treft maatregelen ter bevordering van een gezond gezinsleven.

Memorie van Toelichting art. 26 Staatsregeling

In dit artikel wordt het gezin erkend als een (sociale) eenheid binnen de maatschappij, die bescherming van de overheid geniet. Het gezin bestaat in principe uit de ouders en hun kinderen. Het gezin kan ook bestaan uit een alleenstaande moeder of een alleenstaande vader en haar/zijn kinderen, en tevens uit andere wettelijke vertegenwoordigers en de onder hun gezag ressorterende kinderen. Ook een stel zonder kinderen kan een gezin zijn in de zin van dit artikel. Het is overigens aan de rechter om in de rechtspraktijk verdere juridische invulling te geven aan het begrip “gezin”.

[…]

In dit verband dient ook gewezen te worden op artikel 8 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn gezinsleven (eerste lid). […]

Artikel 101 Staatsregeling

De rechter treedt niet in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling, behoudens de toetsing aan de grondrechten genoemd in de artikelen 3 tot en met 21. Landsverordeningen vinden geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een of meer van deze bepalingen.

Memorie van Toelichting art. 101 Staatsregeling

[…] Noch de inhoud van een landsverordening, noch de wijze van

totstandkoming van een landsverordening mag door de rechter aan de Staatsregeling

worden getoetst, behoudens toetsing aan de klassieke grondrechten genoemd in de

artikelen 3 tot en met 21. Landsverordeningen blijven buiten toepassing als de rechter ze in strijd oordeelt met deze klassieke grondrechten.

Homoseksualiteit en Curaçao

3.5

Eiseressen hebben met verwijzing naar wetenschappelijke artikelen gesteld dat homoseksuele oriëntatie een kwestie van geaardheid is en biologisch is bepaald. Het Land stelt daarentegen dat de wetenschap er nog niet uit is en dat niet uit te sluiten is dat homoseksualiteit een keuze is. Deze tegenwerping van het Land acht het gerecht in het licht van de wetenschappelijke onderbouwingen te vrijblijvend en onvoldoende onderbouwd. Het gerecht zal als feitelijk uitgangspunt nemen dat seksuele oriëntatie voor in elk geval het overgrote deel van de mensen een gegeven is, een eigenschap, een geaardheid, en dat dit ook geldt voor mensen die vallen op personen van hetzelfde geslacht. Het gerecht neemt dus als vaststaand aan dat (ook) homoseksualiteit een kwestie van biologische aanleg is, geen keuze.

3.6

Eiseressen hebben het aantal homoseksuele personen in Curaçao geschat op 10% van de bevolking, zo’n 16.000 mensen. Het Land stelt hiertegenover dat er geen cijfers bekend zijn en dat hier nog onderzoek naar moet worden verricht. Voor de hier aan de orde zijnde vorderingen is het aantal echter niet van belang. Feit is dat een deel van de burgers van Curaçao homoseksueel is. Affectieve relaties en het samenwonen van partners van hetzelfde geslacht behoren ook hier tot de maatschappelijke werkelijkheid.

3.7

Volgens het Land zou een meerderheid van de bevolking van Curaçao openstelling van het huwelijk strijdig achten met haar religieuze opvattingen. Die stelling, die door eiseressen is betwist, vindt geen steun in de stukken. Wel blijkt uit het rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek waarnaar het Land heeft verwezen, dat kerkgenootschappen een belangrijke maatschappelijke positie innemen in Curaçao. Volgens dat rapport, dat is gebaseerd op een in 2015 verricht onderzoek, bezoekt 35,5% van de ondervraagden wekelijks een kerk, moskee, synagoge of tempel en 20% maandelijks. Daaruit kan echter niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat al deze mensen openstelling van het huwelijk of invoering van geregistreerd partnerschap strijdig zouden achten met hun (religieuze) opvattingen, en nog minder dat zij die opvattingen aan anderen zouden willen tegenwerpen.

3.8

Datzelfde CBS-rapport bevat gegevens over de mate van acceptatie in Curaçao van homoseksuele personen. Op de vraag ‘Heeft u bezwaar om mensen uit deze lijst als buren te hebben?’ scoren ‘Homoseksuelen’ ongeveer hetzelfde als ‘Grote gezinnen’: ruim 75% van de ondervraagden antwoordt ‘Nee’, ongeveer 20% ‘Ja’ en 5% heeft geen mening. Met de stelling ‘Homoseksuele mannen en lesbische vrouwen moeten op gelijke wijze behandeld worden als heteroseksuele personen’ is 70% van de ondervraagden het eens.

3.9

Er zijn in dit geding geen aanwijzingen gebleken dat de acceptatie sinds 2015 is afgenomen. Eerder is sprake van aanwijzingen voor een toenemende acceptatie. Gewezen kan worden op de volgende ontwikkelingen:

in Curaçao:

 In 2018 is door statenleden Walroud en Mc William een initiatiefwetsvoorstel ingediend tot openstelling van het huwelijk voor homoseksuele paren.

 Aan de statenverkiezingen van maart 2021 namen 15 politieke partijen deel. Afgaand op het door het Land overgelegde artikel uit de Amigoe, waren vijf partijen voorstander van openstelling van het huwelijk (DP, KEM, KUMUN, PIN en Vishon) en stonden drie partijen open voor geregistreerd partnerschap (MAN, PAR, PNP). Uit de openbare verkiezingsuitslagen (www.kse.cw) blijkt dat die acht partijen samen meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen kregen (44.265 van de 84.846 stemmen), waaruit in elk geval kan worden geconcludeerd dat de standpunten van deze partijen over de wettiging van homoseksuele relaties meer dan de helft van de kiezers er niet van heeft weerhouden op deze partijen te stemmen.

binnen het Koninkrijk:

 In Aruba is, nadat in 2016 door vier statenleden een daartoe strekkend voorstel was ingediend, in het Burgerlijk Wetboek een regeling opgenomen van het geregistreerd partnerschap dat kan worden aangegaan door twee personen, al dan niet van gelijk geslacht. De datum van inwerkingtreding was 1 september 2021.

 In Nederland is in 1998 het geregistreerd partnerschap ingevoerd, gevolgd door openstelling van het huwelijk in 2001.

 Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennen de openstelling van het huwelijk sinds 2010.

 Ingevolge artikel 40 Statuut dient Curaçao de in andere landen binnen het Koninkrijk gesloten huwelijken tussen personen van gelijk geslacht te erkennen. Tot maatschappelijke onrust heeft dit niet geleid.

in de regio:

 In een aantal landen in Latijns-Amerika is het huwelijk in de afgelopen jaren opengesteld voor paren van gelijk geslacht: in bijvoorbeeld Colombia (2016), Brazilië (2013) en Argentinië (2010) kunnen homoseksuele stellen trouwen. Datzelfde geldt voor delen van Mexico en het merendeel van de staten van de Verenigde Staten, waaronder Florida (2015).

Onderscheid ten aanzien van paren van gelijk geslacht

3.10

Wereldwijd, in de regio, binnen het Koninkrijk en in Curaçao zelf, is de afgelopen decennia in toenemende mate geaccepteerd dat twee individuen van gelijk geslacht een affectieve relatie met elkaar hebben en op gelijke wijze als paren van verschillend geslacht met elkaar samenleven. Dit leidt in Curaçao niet tot maatschappelijke problemen. De gegroeide acceptatie heeft in veel landen ook geleid tot een wettelijke erkenning van affectieve relaties van paren van gelijk geslacht door ofwel openstelling van het huwelijk ofwel een wettelijke invoering van een vorm van partnerschap die soortgelijke gevolgen heeft als het wettelijk huwelijk.

3.11

Dat paren van gelijk geslacht in Curaçao geen huwelijk kunnen sluiten, heeft voor de betrokkenen gevolgen.

3.12

In de eerste plaats heeft het bevestigen van een affectieve relatie door een huwelijk emotionele, symbolische en immateriële waarde. Het Constitutional Court of South Africa (in welk land het huwelijk in 2006 is opengesteld) verwoordde dit in zijn uitspraak van 1 december 2005 (Fourie and Bonthuys) als volgt:

‘[71] The exclusion of same-sex couples from the benefits and responsibilities of marriage, accordingly, is not a small and tangential inconvenience resulting from a few surviving relics of societal prejudice destined to evaporate like the morning dew. It represents a harsh if oblique statement by the law that same-sex couples are outsiders, and that their need for affirmation and protection of their intimate relations as human beings is somehow less than that of heterosexual couples. It reinforces the wounding notion that they are to be treated as biological oddities, as failed or lapsed human beings who do not fit into normal society, and, as such, do not qualify for the full moral concern and respect that our Constitution seeks to secure for everyone. It signifies that their capacity for love, commitment and accepting responsibility is by definition less worthy of regard than that of heterosexual couples.

[72] It should be noted that the intangible damage to same-sex couples is as severe as the material deprivation. To begin with, they are not entitled to celebrate their commitment to each other in a joyous public event recognised by the law. They are obliged to live in a state of legal blankness in which their unions remain unmarked by the showering of presents and the commemoration of anniversaries so celebrated in our culture. […] It follows that, given the centrality attributed to marriage and its consequences in our culture, to deny same-sex couples a choice in this respect is to negate their right to self-definition in a most profound way.’

3.13

Daarnaast zijn aan een huwelijk ook juridische gevolgen (met onder meer financiële consequenties) verbonden. Artikel 1:30 lid 1 BW leidt er in zijn huidige redactie toe dat deze rechten die het huwelijk biedt aan heteroseksuele echtparen (zoals onder meer op het gebied van fiscaal recht, pensioenrecht en erfrecht), worden onthouden aan koppels van gelijk geslacht.

3.14

Het Land heeft aangevoerd dat homoseksuele stellen de juridische en financiële consequenties van hun relatie afdoende kunnen regelen met bestaande instrumenten als een samenlevingscontract en een testament, en door te kiezen voor bijvoorbeeld verzekeraars die geen onderscheid maken tussen homo- en hetero-seksuele partners. In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) - zie Vallianatos v Griekenland, 2013 en Oliari v Italië, 2016 - is echter al uitgemaakt dat een dergelijke contractuele ‘lappendeken’ niet gelijkwaardig is aan een wettelijk stelsel als het huwelijk of het geregistreerd partnerschap.

Onderscheid is in strijd met het gelijkheidsbeginsel

3.15

Vastgesteld moet worden dat een discrepantie is ontstaan tussen de sociale werkelijkheid (met ook paren van gelijk geslacht) en de rechten en bevoegdheden die het personen- en familierecht in het Burgerlijk Wetboek aan Curaçaose burgers biedt. Voor dit onderscheid bestaat geen redelijke en objectieve rechtvaardiging, temeer omdat, zoals hiervoor is overwogen, homoseksuele oriëntatie geen vrije keuze is maar het gevolg van een met het individu onveranderlijk verbonden eigenschap. De huidige uitsluiting van paren van gelijk geslacht van het huwelijk zonder alternatief in de vorm van een wettelijk geregeld partnerschap, is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod van artikel 3 Staatsregeling en daarmee ontoelaatbaar.

3.16

De stelling van het Land dat nog onderzocht dient te worden hoe de Curaçaose bevolking tegenover openstelling van het huwelijk of invoering van een geregistreerd partnerschap staat, kan, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet leiden tot het oordeel dat eiseressen nog veel langer moeten wachten op het respecteren van hun grondrecht van gelijke behandeling. In zijn algemeenheid geldt bovendien dat in een rechtsstaat de toepasselijkheid van klassieke grondrechten op een minderheid niet afhankelijk kan worden gesteld van de mening van de meerderheid. Het gaat niet voor niets om grondrechten.

3.17

Het Land heeft met verwijzing naar een overgelegd ‘trouwarrangement’ nog aangevoerd dat Curaçaose stellen van gelijk geslacht voor hun huwelijkssluiting kunnen uitwijken naar Bonaire. Afgezien van de daaraan verbonden kosten en praktische bezwaren, wordt daarmee het principiële karakter van de zaak miskend. Over de grondrechten van zijn burgers moet een land zelf waken.

Geregistreerd partnerschap als alternatief?

3.18

Ter zitting is door beide partijen bevestigd dat het hiervoor genoemde initiatiefwetsvoorstel-Walroud/Mc William tot openstelling van het huwelijk inmiddels uit het wetgevingstraject is gehaald. Er is geen aanwijzing dat het Land anderszins werkt aan wetgeving die de ongelijke behandeling kan wegnemen.

3.19

Het Land heeft benadrukt dat uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat het aan de verdragsstaten zelf is om te kiezen voor openstelling van het huwelijk of voor een vergelijkbaar alternatief. Dat is op zichzelf juist, maar daarmee is nog niet gezegd dat in Curaçao stellen van gelijk geslacht geen recht zouden hebben op gelijke behandeling door openstelling van het huwelijk. Eiseressen hebben op goede grond gesteld dat dit steeds per verdragsstaat moet worden beoordeeld en dat het verdragsstaten vrijstaat hun burgers ruimere grondrechten toe te kennen dan opgenomen in het EVRM. Het EVRM biedt een minimum-standaard voor mensenrechten. Verdedigbaar is, zoals eiseressen doen, dat de Curaçaose Staatsregeling op het punt van de gelijke behandeling van homoseksuele paren een ruimere bescherming biedt dan het EVRM. Anders dan het EVRM (artikel 12), kent onze Staatsregeling immers geen bepaling die het huwelijk tussen man en vrouw uitdrukkelijk tot uitgangspunt neemt. Uit artikel 26 Staatsregeling, dat ziet op de bescherming van het gezin, blijkt niet dat paren van gelijk geslacht niet als zodanig worden aangemerkt. De bepalingen van de Staatsregeling zelf bieden dus (anders dan het EVRM) geen houvast voor de aanname dat bij de vraag wie mag trouwen onderscheid naar geslacht in beginsel toelaatbaar is.

3.20

Als aan paren van gelijk geslacht ‘slechts’ een geregistreerd partnerschap zou worden geboden, en geen huwelijk, zou ook dan sprake zijn van een onderscheid op basis van seksuele oriëntatie. De vraag of voor een dergelijk onderscheid - in de terminologie van het EHRM - particularly convincing and weighty reasons bestaan en dus of daarvoor in de hedendaagse Curaçaose situatie een redelijke en objectieve rechtvaardiging is, zal in dit geding niet kunnen worden beantwoord. Dit alleen al omdat Curaçao nu eenmaal geen (voorstel tot) regeling van geregistreerd partnerschap of iets vergelijkbaars kent, en de verschillen met een huwelijk dus niet kunnen worden gewogen.

3.21

Wat in elk geval wel duidelijk is, is dat de huidige uitsluiting van paren van gelijk geslacht van het burgerlijk huwelijk zonder alternatief in de vorm van een wettelijk geregeld partnerschap, ontoelaatbaar discriminatoir is.

Taak rechter en de te bieden rechtsbescherming

3.22

Ingevolge artikel 101 Staatsregeling dient de rechter landsverordeningen (zoals het Burgerlijk Wetboek) aan de grondrechten genoemd in de artikelen 3 tot en met 21 Staatsregeling te toetsen, en dus ook aan het discriminatieverbod van artikel 3. Artikel 101 Staatsregeling bepaalt voorts dat landsverordeningen geen toepassing vinden indien deze toepassing niet verenigbaar is met deze grondrechten.

3.23

De in artikel 1:30 lid 1 BW besloten liggende uitsluiting van stellen van gelijk geslacht van het huwelijk is - in elk geval bij gebreke van een gelijkwaardig alternatief - in strijd met het grondrecht van artikel 3 Staatsregeling.

3.24

Buiten toepassing laten van artikel 1:30 lid 1 BW, althans het discriminerende deel daarvan, is naar het oordeel van het gerecht echter geen reële mogelijkheid. Onder meer de consequenties die dit zou meebrengen voor derden (bijvoorbeeld biologische vaders van binnen een huwelijk van twee vrouwen geboren kinderen) en de doorwerking in andere wetsartikelen en regelingen, zijn binnen het bestek van dit geding niet te overzien. Het ligt bovendien in de sfeer van de wetgever om eventuele alternatieven te wegen en om keuzes te maken, waaronder op het gebied van afstamming (titel 11) en gezag (titel 14). Vooralsnog zal moeten worden volstaan met de vaststelling dat artikel 1:30 lid 1 BW in strijd is met artikel 3 Staatsregeling en dat het Land met die uitsluiting jegens eiseressen onrechtmatig handelt. Een verdergaande beslissing zou bij de hier aan de orde zijnde materie de taak en bevoegdheid van de rechter te buiten gaan.

3.25

Nu voor recht zal worden verklaard dat sprake is van strijd met artikel 3 Staatsregeling, hebben eiseressen onvoldoende belang bij een afzonderlijke uitspraak over de vraag in hoeverre artikel 1:30 lid 1 BW zich verhoudt met het EVRM en het IVBPR.

Slotsom

3.26

Uit het voorgaande volgt dat de uitsluiting in Curaçao van paren van gelijk geslacht van het burgerlijk huwelijk - in elk geval bij gebreke van een alternatief zoals een geregistreerd partnerschap of vergelijkbare rechtsfiguur - in strijd is met het grondrecht van gelijke behandeling neergelegd in artikel 3 Staatsregeling. Met die uitsluiting handelt het Land onrechtmatig jegens eiseressen. Het gerecht zal volstaan met een daartoe strekkende verklaring voor recht. De materie leent zich bij de huidige stand van zaken niet voor een verdergaande rechterlijke beslissing. Het is bij uitstek aan de wetgever maatregelen te treffen die een einde maken aan de ongeoorloofde discriminatie in ons Burgerlijk Wetboek van paren van gelijk geslacht.

Uitvoerbaarheid bij voorraad en proceskosten

3.27

De te geven verklaring voor recht kan naar haar aard niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De beslissing over de proceskosten wel. Het Land zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het Gerecht:

4.1

verklaart voor recht dat - in elk geval bij gebreke van een alternatief zoals een geregistreerd partnerschap of vergelijkbare rechtsfiguur - de uitsluiting in artikel 1:30 lid 1 BW van paren van gelijk geslacht van het huwelijk in strijd is met artikel 3 Staatsregeling en dat het Land door die uitsluiting onrechtmatig handelt jegens eiseressen;

4.2

veroordeelt het Land in de kosten van het geding aan de zijde van eiseressen gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 609,15 aan oproepingskosten en NAf 2.500 voor salaris gemachtigde;

4.3

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van griffier mr. G. Benedictus op 13 september 2021 in het openbaar uitgesproken.