Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:155

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-07-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
CUR202001419 en CUR202001420
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is woonachtig in Bonaire. Zij heeft in Curaçao aangifte inkomstenbelasting gedaan als buitenlands belastingplichtige en daarbij een pensioen van het Algemeen Pensioenfonds Curaçao (APC), een Curaçaose AOV- uitkering en huuropbrengsten van haar voormalige woonhuis in Curaçao in het belastbaar inkomen begrepen. In geschil is of belanghebbende premieplichtig is voor de AVBZ en meer in het bijzonder of het pensioen en de AOV- uitkering leiden tot heffing van premie AVBZ. Het Gerecht is van oordeel dat op grond van artikel 4, lid 1 Landsverordening AVBZ een niet-ingezetene slechts verzekerd is als hij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in Curaçao geniet. Daarvan is hier geen sprake, zodat belanghebbende niet verzekerd en dus ook niet premieplichtig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 juli 2021

BBZ nrs. CUR202001419 en CUR202001420

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Bonaire,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn op 6 juli 2018 aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ voor het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar- en premie-inkomen van NAf 166.011, resulterend in een verschuldigd bedrag van respectievelijk NAf 42.474 en NAf 2.641.

1.2

Belanghebbende heeft op 6 september 2018 tegen de aanslagen bezwaar gemaakt.

1.3

De Inspecteur heeft op 3 april 2020 het bezwaar tegen de aanslagen afgewezen. De aanslagen zijn gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende heeft op 1 juni 2020 pro-forma beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

Belanghebbende heeft op 3 juli 2020 het beroepschrift nader aangevuld.

1.5

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2021 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A] verbonden aan [Q]. Namens de Inspecteur is verschenen [B]. De Inspecteur heeft ter zitting een nader stuk overgelegd. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter de zitting geleid via een videoverbinding. De rechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is sinds 1 augustus 2015 woonachtig in Bonaire. Belanghebbende is in Bonaire in dienstbetrekking werkzaam. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar 2016 aangifte inkomstenbelasting gedaan als buitenlands belastingplichtige.

2.2

Belanghebbende heeft in de aangifte een belastbaar inkomen van NAf 92.529 aangegeven. Dit inkomen omvat een pensioen van het Algemeen Pensioenfonds Curaçao (APC) van NAf 78.891, een Curaçaose AOV- uitkering van NAf 4.962 en huuropbrengsten van haar voormalige woonhuis in Curaçao van NAf 8.676.

2.3

Belanghebbende is in Bonaire op basis van het Besluit zorgverzekering verzekerd voor ziektekosten.

2.4

Bij het opleggen van de aanslagen heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen en het premie-inkomen van belanghebbende vastgesteld op NAf 166.011.

2.5

In de beroepsfase heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen en het premie-inkomen overeenkomstig de aangifte vastgesteld op NAf 92.529. Van de vermindering heeft de Inspecteur een schermprint overgelegd.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of belanghebbende premieplichtig is voor de AVBZ. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of het pensioen en de AOV- uitkering leiden tot heffing van premie AVBZ.

3.2

Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend. Zij stelt dat zij niet verzekerd is voor de AVBZ omdat zij reeds in Bonaire verzekerd is met een aan de AVBZ gelijke verzekering. Zij concludeert tot vernietiging van de aanslag premie AVBZ.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend en concludeert tot handhaving van de in beroepsfase verminderde aanslag premie AVBZ.

4 OVERWEGINGEN

Schending hoorplicht

4.1

Op grond van artikel 30, lid 4, Algemene landsverordening landsbelastingen (hierna: ALL) wordt de belanghebbende in de bezwaarfase gehoord als hij daar in zijn bezwaarschrift om heeft verzocht. In het onderhavige geval heeft belanghebbende in het bezwaarschrift verzocht te worden gehoord.

4.2

De Inspecteur heeft nagelaten belanghebbende te horen. De Inspecteur heeft geen omstandigheden aangevoerd die noopten tot afwijking van artikel 30, lid 4, ALL. Naar het oordeel van het Gerecht is belanghebbende door de gang van zaken bij het horen benadeeld. Het Gerecht zal de uitspraak op bezwaar reeds daarom vernietigen. Nu belanghebbende het Gerecht heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien, zal het Gerecht de zaak niet terugwijzen naar de Inspecteur (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495).

Aanslag inkomstenbelasting

4.3

De Inspecteur heeft hangende deze beroepsprocedure het belastbaar inkomen voor de aanslag inkomstenbelasting 2016 overeenkomstig het beroepschrift verminderd tot NAf 92.529. Dit brengt mee dat het beroep niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden.

4.4

Daarmee komt het belang aan deze beroepsprocedure te ontvallen (vgl. HR 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4755; HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988; HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43). Nu belanghebbende geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep, dient dit beroep blijkens voornoemde jurisprudentie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Aanslag premie AVBZ

Wettelijke regeling

4.5

Ingevolge artikel 1, letter h, Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (hierna: LAVBZ) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder ingezetene: degene die blijkens inschrijving krachtens een rechtsgeldige verblijfstitel in het bevolkingsregister is opgenomen en metterwoon in Curaçao is gevestigd.

4.6

Artikel 4, lid 1 LAVBZ bepaalt dat verzekerd ingevolge deze landsverordening is degene die:

a. ingezetene is; of

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in de Nederlandse Antillen verrichte arbeid, aan loonbelasting onderworpen is.

4.7

Artikel 4, lid 2 LAVBZ luidt: bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. De wetgever heeft aan deze bepaling uitvoering gegeven in het Landsbesluit beperking kring van verzekerden AVBZ (hierna: Landsbesluit).

4.8

Ingevolge artikel 7 van het Landsbesluit is niet verzekerd ingevolge de landsverordening, degene die, geen ingezetene zijnde, in het genot is gesteld van een pensioen of een periodieke uitkering ten laste van de begroting van de Nederlandse Antillen of van een der tot de Nederlandse Antillen behorende eilandengebieden, dan wel van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen, en die onder overlegging van door het bevoegd gezag van een andere mogendheid afgegeven schriftelijke verklaring ten genoegen van het Uitvoeringsorgaan kan aantonen dat op hem een voorziening van die andere mogendheid van toepassing is, waaraan hij dezelfde of nagenoeg dezelfde rechten kan ontlenen als aan de landsverordening.

Verzekerd op basis van de LAVBZ?

4.9

Blijkens de vaststaande feiten is belanghebbende geen ingezetene van Curaçao maar zij geniet wel een pensioen en een AOV-uitkering uit Curaçao. Beoordeeld dient te worden of belanghebbende ingevolge artikel 4, lid 1, letter b LAVBZ verzekerd is voor de AVBZ. In dit verband is van belang de vraag of zij ter zake van ‘verrichte arbeid’ aan loonbelasting is onderworpen. Voor de uitleg van deze bepaling is de Landsverordening op de loonbelasting 1976 van belang (LLB).

4.10

Ingevolge artikel 2 van de LLB is aan loonbelasting onderworpen de werknemer die in dienstbetrekking staat of loon geniet uit een vroegere dienstbetrekking.

4.11

De AOV-uitkering is een periodieke uitkering. De AOV-uitkering leidt ingevolge voormelde bepaling van de LLB niet tot heffing van loonbelasting. Het pensioen wordt als loon uit een vroegere dienstbetrekking wel betrokken in de heffing van loonbelasting. Naar het oordeel van het Gerecht leidt het pensioen echter niet tot heffing van premie AVBZ. Nu artikel 4, lid 1, letter b LAVBZ niet de term ‘vroegere dienstbetrekking’ of ‘vroeger verrichte arbeid’ hanteert betekent dit dat van de niet-ingezetenen slechts zij, die werkelijk tot de categorie loontrekkenden behoren, door deze bepaling in de verzekering worden opgenomen. Niet-ingezetenen die loon uit een vroegere dienstbetrekking genieten zijn derhalve niet verzekerd.

4.11.1

In de Memorie van Toelichting op de LAVBZ zijn ook geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat onder de term ‘verrichte arbeid’ van artikel 4, lid 1, letter b ook dient te worden begrepen ‘vroeger verrichte arbeid’. In de Memorie van Toelichting is bij de toelichting bij artikelen 2, 3 en 4 enkel vermeld dat:

“Ook deze bepalingen zijn zoveel mogelijk afgestemd op die van de overige volksverzekeringen. In verband met de aanvulling in de definitie van “ingezetene” in artikel 1, onderdeel i, is het eerste lid van artikel 2 niet langer een voorziening opgenomen ter bepaling waar een individu feitelijk woont. Verder zij verwezen naar hetgeen in de Algemene Beschouwingen onder “Kring der verzekerden” naar voren is gebracht.”

4.11.2

In verband hiermee merkt het Gerecht op dat de regelgeving betreffende de volksverzekering (Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (artikel 5, lid 2) en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (artikel 6, lid 2) geen aanknopingspunten biedt voor een andere conclusie. Dit geldt eveneens voor hetgeen in de Algemene Beschouwingen over de kring der verzekerden is vermeld.

Het Landsbesluit

4.12

Volgens de Nota van toelichting strekt het Landsbesluit ertoe de kring van verzekerden - in verband met dubbele verzekering en dubbele premieheffing - te beperken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is belanghebbende reeds op basis van artikel 4 LAVBZ, niet onderworpen aan de premieheffing AVBZ.

4.13

Het Gerecht overweegt ten overvloede dat belanghebbende ook op basis van artikel 7 van het Landsbesluit uitgesloten zou zijn van de premieheffing. Het staat immers vast dat belanghebbende in Bonaire verzekerd is voor ziektekosten. Partijen zijn het over eens dat belanghebbende op basis van die verzekering dezelfde of nagenoeg dezelfde dekking heeft als onder de LAVBZ. Over de in artikel 7 van het Landsbesluit bedoelde verklaring heeft belanghebbende onweersproken aangevoerd dat door het bevoegd gezag geen schriftelijke verklaring (meer) wordt verstrekt. Onder deze omstandigheden kan belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht niet in de heffing van premie AVBZ worden betrokken.

Slotsom

4.14

Gelet op het voorgaande is belanghebbende niet premieplichtig voor de AVBZ. Het beroep inzake de aanslag premie AVBZ is derhalve gegrond.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2

In artikel 15, lid 2 LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

5.3

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.4

Daarnaast dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2016 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de aanslag premie AVBZ 2016 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de AVBZ;

- vermindert de aanslag premie AVBZ naar een premie-inkomen van nihil;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en uitgesproken op 23 juli 2021, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx.

De griffier is buiten staat te tekenen. De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500