Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:126

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
CUR201903736
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vergunning tot tijdelijk verblijf met gezinshereniging als doel. Niet voldaan aan het uitlandigheids- en het middelenvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.G.G. Verkade, advocaat,

en

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigden: mrs. G.B. Steward en S.X.T. Hato, advocaten.

Procesverloop

Bij beschikking van 24 augustus 2018 (de primaire beschikking) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 7 juni 2018 om een vergunning tot tijdelijk verblijf, met als doel gezinshereniging, afgewezen.

Bij beschikking van 1 juli 2019 (de bestreden beschikking) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar van 4 december 2018 (het bezwaar) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld (het beroep) en dit vervolgens aangevuld (de aanvulling).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 16 februari 2021 plaatsgevonden. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, die vergezeld was door mevrouw Y. Hu, tolk. Verschenen zijn ook [S.W] ([W]), moeder van eiseres, en de heer [W.C] ([C]), vader van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hato.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Curaçao toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Ltu kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister van Justitie worden geweigerd:

  1. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;

  2. indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

2. Op grond van het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake de Landsverordening Toelating en Uitzetting (P.B. 1966, no. 17), zoals gewijzigd en het Toelatingsbesluit (P.B. 1985, no. 57) zoals gewijzigd, van juni 2006 (de HIG), geldt, voor zover hier van belang, het navolgende.

Vreemdelingen dienen een verzoek voor eerste toelating tot Curaçao in het buitenland af te wachten (het uitlandigheidsvereiste) (paragraaf 3.1.1). Indien de vreemdeling reeds illegaal op Curaçao verblijft, kan zijn aanvraag worden afgewezen op grond van artikel 9 van de Ltu (paragraaf 3.1.2).

Een vreemdeling dient zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan, om voor toelating in aanmerking te komen (het middelenvereiste) (paragraaf 3.7). Dat een vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt kan worden aangetoond door (onder meer) een inkomen uit arbeid in loondienst. Middelen van bestaan worden als duurzaam beschouwd, indien deze voor de periode van (de verlenging van) het verblijf beschikbaar zijn. Bij aanvragen voor echtgenoten dient de vreemdeling die voor zijn echtgeno(o)t(e) van vreemde nationaliteit toelating aanvraagt, het normbedrag van NAf 3.000,- bruto per maand aan inkomsten aan te tonen om aan de voorwaarde van voldoende middelen van bestaan te voldoen. Bij aanvragen voor kinderen van vreemde nationaliteit dient naast het hierboven genoemde normbedrag als aanvullende financiële zekerheid voor kinderen van 12 jaar en ouder het normbedrag van NAf 500,- bruto per maand per kind te worden bijgeteld (paragraaf 3.7, onderdeel a).

3. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) heeft, voor zover hier van belang, eenieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

4. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1996 in China, staat sinds 8 oktober 2013 ingeschreven in de Basisadministratie Persoonsgegevens van Curaçao en is sindsdien hier woonachtig. Zij was tot aan 30 september 2017 in het bezit van een geldige verblijfstitel.

Bij beschikking van 30 augustus 2017 is haar aanvraag van 1 juni 2017 om verlenging van die verblijfstitel afgewezen, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij studerend is dan wel financieel afhankelijk is van haar ouders; daarnaast heeft eiseres niet aangetoond dat haar ouders over voldoende middelen van bestaan beschikken om haar verblijf hier te lande te bekostigen. Het door haar tegen die afwijzing gemaakte bezwaar is bij beschikking van 10 april 2018 niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Daartegen heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de eerdergenoemde afwijzing onherroepelijk is geworden.

Eiseres heeft vervolgens op 7 juni 2018 opnieuw een aanvraag voor vergunning tot tijdelijk verblijf, met als doel gezinshereniging (de verblijfsaanvraag), ingediend. Bij de primaire beschikking is de verblijfsaanvraag afgewezen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan het uitlandigheidsvereiste. Het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar is bij de bestreden beschikking ongegrond verklaard.

5. Aan de bestreden beschikking heef verweerder – kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft voldaan aan het uitlandigheidsvereiste en niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor de periode van haar verblijf in Curaçao. De afwijzing levert geen schending op van artikel 8 van het EVRM, omdat er geen sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht van eiseres op familie- en gezinsleven, althans is de inmenging niet onrechtvaardig te achten. Eiseres heeft geen schrijnende of klemmende argumenten aangevoerd waaruit voor Curaçao een positieve verplichting zou voortvloeien om aan haar een verblijfstitel op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in het kader van gezinsvorming/gezinshereniging toe te kennen. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard, aldus verweerder.

6. Aan het bezwaar heeft eiseres – kort weergegeven – het navolgende ten grondslag gelegd. Ten onrechte heeft verweerder nagelaten een belangenafweging te maken en toe te lichten waarom de verblijfsaanvraag, gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiseres, toch moest worden afgewezen. De afwijzing leidt tot beëindiging van haar voortgezet verblijf in Curaçao en levert daarom een inmenging op in de uitoefening van haar recht op familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Dit betekent dat verweerder een belangenafweging had moeten maken en daarbij een ‘fair balance’ in acht had moeten nemen tussen het belang van eiseres enerzijds en het Curaçaose algemeen belang anderzijds. Die belangenafweging had in haar voordeel moeten vallen. Eiseres woont sinds 2013 op Curaçao, gaat hier naar school en heeft hier vrienden en vriendinnen. Behalve haar hoogbejaarde grootouders, heeft eiseres geen familieleden meer die in China wonen. Zij is financieel geheel afhankelijk van beide ouders. Haar ouders, die hier rechtmatig verblijf hebben en haar garantstellers zijn, hebben een eigen bedrijf en dragen zodoende bij aan de economie en de arbeidsmarkt van Curaçao. Zij beschikken over voldoende middelen om haar verblijf hier te lande kunnen bekostigen. Gelet hierop levert de afwijzing een ongerechtvaardigde inmenging op in de uitoefening van haar recht op familie- en gezingsleven. Tenslotte heeft verweerder geen rekening mee gehouden dat de afwijzing tot gevolg heeft dat eiseres gedwongen zal zijn terug te keren naar China, hetgeen getuigt van onevenredige hardheid, aldus nog steeds eiseres.

7. Het Gerecht oordeelt als volgt.

7.1

Niet in geschil is dat eiseres sinds 1 oktober 2017 niet meer in het bezit is geweest van een geldige verblijfstitel en dat het uitlandigheidsvereiste op haar van toepassing is. Nu eiseres niet aan het uitlandigheidsvereiste heeft voldaan, had verweerder reeds op grond daarvan de bevoegdheid om de verblijfsaanvraag op grond van artikel 9 van de Ltu bij de bestreden beschikking af te wijzen.

7.2

Afgezien daarvan, heeft eiseres naar het oordeel van het Gerecht ook niet aan het middelenvereiste voldaan en kon verweerder ook om die reden de verblijfsaanvraag op grond van artikel 9 van de Ltu afwijzen. Ter toelichting dient het volgende.

Niet in geschil is dat op grond van de HIG op de aanvraag van eiseres het normbedrag van NAf 42.000,- per jaar van toepassing is. Eiseres heeft bij de aanvraag twee inkomensverklaringen van Inspectie der Belastingen over het belastingjaar 2017 ingediend. Daaruit blijkt dat haar ouders, [W] en [C], in dat jaar gezamenlijk een belastbaar inkomen hebben gehad van [NAf 18.303 + NAf 16.166 =] NAf 34.469. In de bezwaarprocedure heeft eiseres ter onderbouwing van haar standpunt dat zij wel aan het middelenvereiste voldeed daarnaast een viertal werkgeversverklaringen1 omtrent het bruto maandinkomen van beide ouders in 2018 en 2019 overgelegd. Naar het oordeel van het Gerecht heeft verweerder terecht deze stukken niet meegenomen bij zijn toets of aan het middelenvereiste is voldaan, reeds om de reden dat eiseres geen andere documenten van een officiële instantie heeft overgelegd ter ondersteuning van die werkgeversverklaringen. Het had wel op haar weg gelegen om dat te doen, nu die werkgeversverklaringen door [W], in haar hoedanigheid van directeur van de desbetreffende vennootschappen, is ondertekend. Dat verweerder het noodzakelijk heeft gevonden dat andere stukken van een officiële instantie worden overgelegd ter verificatie van die werkgeversverklaringen, is daarom niet onredelijk.

Ten aanzien van de door eiseres overgelegde MCB bankverklaring van 14 mei 2018 en die van 16 april 2019, waaruit blijkt dat [C] een spaarrekening heeft met een tegoed ‘in de low five figures’, geldt dat daaruit niet kan worden afgeleid dat het om duurzame inkomsten gaat, zodat verweerder ook deze stukken terecht niet heeft meegenomen bij zijn toets.

7.3

Beoordeeld moet nog worden of verweerder, ondanks dat eiseres niet aan het uitlandigheids- en het middelenvereiste heeft voldaan, de aanvraag op grond van een evenwichtige belangenafweging toch had moeten toewijzen. Het door eiseres op dit punt gedane beroep op verboden inmenging in het recht op familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM slaagt naar het oordeel van het Gerecht niet. De bij beschikking van 30 augustus 2017 afgewezen eerdere aanvraag voor voortgezet verblijf is inmiddels onherroepelijk (r.o. 4). Dit betekent dat verweerder terecht de verblijfsaanvraag heeft aangemerkt als een eerste aanvraag voor toelating, zodat aan eiseres geen verblijfstitel ontnomen is die haar tot het gezinsleven hier te lande in staat stelde. Van inmenging in de zin van artikel 8 van het EVRM is dus geen sprake.

Het Gerecht is verder van oordeel dat zodanig bijzondere feiten en omstandigheden, dat uit het recht op respect voor het familie- of gezinsleven een positieve verplichting voortvloeit om ten behoeve van eiseres niettemin een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen, niet aannemelijk zijn geworden. Dat eiseres sinds 2013 bij haar ouders op Curaçao woont en financieel afhankelijk van hen is, hier naar school gaat, en behalve haar hoogbejaarde grootouders geen familie meer in China heeft, levert onvoldoende grond op om aan haar belang bij toewijzing van de verblijfsaanvraag groter gewicht toe te kennen dan aan het met de afwijzing te dienen algemeen belang (het economisch welzijn van het land). In haar nadeel weegt zwaar dat zij niet heeft aangetoond over voldoende bestaansmiddelen te beschikken voor de duur van het beoogd verblijf, waarbij ook nog komt dat zij tot haar 18de jaar in China heeft gewoond, meerderjarig is en geen sterk verblijfsrecht op Curaçao heeft opgebouwd (minder dan vijf jaar legaal verblijf).

7.4

Tenslotte is niet aannemelijk geworden dat de afwijzing van de verblijfsaanvraag tot onevenredige hardheid leidt. De enkele stelling dat zij als gevolg van die afwijzing gedwongen is terug te keren naar China is daartoe onvoldoende. Het Gerecht neemt hierbij in aanmerking dat het eiseres nog steeds vrij staat om vanuit het buitenland een nieuw verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf, met als doel gezinshereniging, in te dienen. De afwijzing staat daaraan niet in de weg. Dat zij school zal missen, maakt het voorgaande niet anders.

8. Gelet op dit alles luidt de conclusie dat het beroep ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.J. Martijn, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021 te Curaçao, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. zie hoofdstuk 5 van de Lar.

1 Twee werkgeversverklaringen van [SBR] N.V. van 7 juni 2018 en twee werkgeversverklaringen van [KXM] N.V. van 23 april 2019.