Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2021:111

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
CUR201904231 en CUR201904232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. In geschil is of de Inspecteur de waarde per waardepeildatum 1 januari 2014 te hoog heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende kan de waarde van de onroerende zaak mede gelet op de recessie in Curaçao, op de waardepeildatum (1 januari 2014) niet hoger zijn dan NAf 850.000. Het betoog van belanghebbende slaagt niet. Nu geen van beide partijen erin is geslaagd de door haar voorgestane waarde aannemelijk te maken, stelt het Gerecht, gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, de waarde in goede justitie vast op NAf 1.075.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 16 april 2021

BBZ nrs. CUR201904231 en CUR201904232

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn ter zake van [adres] (hierna: de onroerende zaak) op 13 november 2018 en 20 november 2018 aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) voor de jaren 2014 en 2018 opgelegd naar een waarde van NAf 1.800.000.

1.2

Belanghebbende heeft op 7 januari 2019 daartegen bezwaren gemaakt.

1.3

Belanghebbende heeft op 12 november 2019 beroepen ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.4

De Inspecteur heeft op 16 oktober 2020 alsnog een uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij de aanslagen OZB 2014 en 2018 verminderd tot aanslagen naar een waarde van NAf 1.100.000.

1.5

Belanghebbende heeft op 5 november 2020 het beroepschrift nader gemotiveerd.

1.6

De Inspecteur heeft op 24 november 2020 een verweerschrift ingediend.

1.7

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2020 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen en bijgestaan door [A]. Namens de Inspecteur is verschenen [B]. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter vanuit het gerechtsgebouw in Aruba de zitting geleid via een videoverbinding. Belanghebbende heeft een pleitnota (met drie bijlagen) overgelegd. Aan het eind van de zitting is het onderzoek aangehouden om de Inspecteur de gelegenheid te geven om op het schrijven van 5 november 2020 te reageren.

1.8

De Inspecteur heeft de gelegenheid gekregen om uiterlijk 27 januari 2021 een reactie te geven op het stuk van belanghebbende. In het feit dat van deze gelegenheid geen gebruik is gemaakt, heeft de rechter aanleiding gezien het onderzoek op 29 januari 2021 te sluiten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een vrijstaande woning die is ingedeeld in een entree, woon-/eetkamer, vijf slaapkamers, kantoor, vier badkamers, gastentoilet, keuken, berging, was-/berghok, garage, overdekte achterporch en zwembad met pooldeck. De onroerende zaak heeft een perceel oppervlakte van 1.490 m² met een bebouwde oppervlakte van 400 m2.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de Inspecteur de waarde per waardepeildatum 1 januari 2014 te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2

Belanghebbende concludeert tot een vermindering van de aanslagen naar een waarde van NAf 850.000. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de aanslagen overeenkomstig de in de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde van NAf.1.100.000.

4 OVERWEGINGEN

Beroep niet tijdig beslissen op bezwaar

4.1

Belanghebbende heeft op 12 november 2019 beroepen ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op het bezwaar tegen de aanslagen OZB 2014 en 2018. Hangende onderhavige beroepsprocedure heeft de Inspecteur op 16 oktober 2020 alsnog uitspraken gedaan op het bezwaar. Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij deze beroepen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Deze beroepen zijn mitsdien niet-ontvankelijk.

4.2

De door belanghebbende ingestelde beroepen van 12 november 2019 worden ook geacht te zijn gericht tegen de (reële) uitspraken op bezwaar van 16 oktober 2020 (GEA Curaçao 17 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:57). Ook deze uitspraken zijn dus onderwerp van onderhavige procedure. Het schrijven van 5 november 2020 wordt aangemerkt als een nadere motivering van het beroep.

Ontvankelijkheid bezwaar

4.3

Ingevolge artikel 9, lid 1, Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 (hierna: LOZB) kan de belanghebbende slechts in het eerste jaar van het vijfjarig tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld, bezwaar indienen bij de Inspecteur tegen de vastgestelde waarde. Dit betekent dat in het tijdvak 2014-2018 alleen bezwaar tegen de vastgestelde waarde mogelijk is over het jaar 2014. Het bezwaar van belanghebbende voor de onderhavige jaren 2014 en 2018 is gericht tegen de vastgestelde waarde. Het bezwaar voor het jaar 2014 is mitsdien ontvankelijk en het bezwaar voor het jaar 2018 is niet-ontvankelijk.

4.4

Dit neemt evenwel niet weg dat als in onderhavige procedure voor het jaar 2014 de vastgestelde waarde wordt verminderd, deze verminderde waarde heeft te gelden voor het gehele tijdvak 2014-2018.

Vastgestelde waarde

4.5

Op grond van artikel 5, lid 2 LOZB wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Ingevolge lid 3 van artikel 5 LOZB wordt voor een onroerende zaak waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, de waarde bepaald door systematische vergelijking.

4.6

Belanghebbende bepleit gemotiveerd een lagere waarde. In dat geval rust op de Inspecteur de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.

4.7

Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van NAf 1.100.000 heeft de Inspecteur ter zitting erop gewezen dat de waarde zoals die als heffingsgrondslag diende voor het tijdvak 2007-2011 ten tijde dat de Grondbelastingverordening 1908 nog gold, als uitgangspunt is genomen. De Inspecteur wijst erop dat deze waarde is aangehouden hoewel vanaf 2007 wel sprake is geweest van een waardestijging van huizenprijzen op de markt. De Inspecteur wijst erop dat in het onderhavige tijdvak bovendien een verbouwing heeft plaatsgevonden in het jaar 2015. De waarde voor het gehele tijdvak is echter gelijk gebleven. De verbouwing is derhalve niet meegenomen voor de waardebepaling in het onderhavige tijdvak 2014-2018.

4.8

Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2014 niet te hoog is vastgesteld. De waarde is niet onderbouwd door systematisch vergelijking. Vergelijkingsobjecten ter onderbouwing van de waarde zijn niet genoemd.

4.9

Dit betekent overigens niet dat de door belanghebbende bepleite waarde zonder meer als juist kan worden aanvaard (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300). Naar het oordeel van het Gerecht heeft ook belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door hem bepleite waarde juist is. Ter onderbouwing van deze waarde heeft belanghebbende een taxatierapport overgelegd waarin staat dat de onroerende zaak op 9 januari 2019 is getaxeerd op een waarde van NAf 1.100.000. Als bijlage van de pleitnota heeft belanghebbende een taxatierapport van 24 november 2020 overgelegd waarin de onroerende zaak is getaxeerd op NAf 1.115.000, alsmede een taxatierapport van 4 december 2018 waarin een woning die op loopafstand van de onroerende zaak is gelegen is getaxeerd op NAf 675.000.

4.9

Volgens belanghebbende kan de waarde van de onroerende zaak mede gelet op de recessie in Curaçao, op de waardepeildatum (1 januari 2014) niet hoger zijn dan NAf 850.000. Het betoog van belanghebbende slaagt niet. De waarde in de ingebrachte taxatierapporten is niet bepaald aan de hand van vergelijkingsobjecten (systematische vergelijking). Niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de getaxeerde waarde tot stand is gekomen. Bovendien heeft belanghebbende niet onderbouwd hoe de waarde in de taxatierapporten is herleid tot de door hem voorgestane waarde op de waardepeildatum.

4.10

Nu geen van beide partijen erin is geslaagd de door haar voorgestane waarde aannemelijk te maken, stelt het Gerecht, gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, de waarde in goede justitie vast op NAf 1.075.000.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Bezwaarfase

5.1

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beroepsfase

5.2

Het Gerecht ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Het Gerecht acht aannemelijk dat sprake is van beroepsmatige bijstand van [A].

5.3

In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

5.4

Anders dan belanghebbende voorstaat, vindt het Gerecht geen aanleiding voor een integrale vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand. De Inspecteur treft immers niet het verwijt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Evenmin is sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

5.5

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.6

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de taxatiekosten. Ingevolge artikel 1 onderdeel b van het Besluit komen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht voor vergoeding in aanmerking. De kosten van het uitbrengen van een taxatierapport zijn aan te merken als kosten van een deskundige (vgl. HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8639). Deze kosten komen daarom in beginsel in aanmerking voor een vergoeding. De taxatierapporten bevatten echter geen informatie over de waarde op de peildatum en de waarde is ook niet bepaald volgens de systematische vergelijking (vgl. HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770 en Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5293, (r.o. 2.23.2)). De kosten van de taxatierapporten komen daarom niet in aanmerking voor vergoeding. Daarbij komt dat uit het taxatierapport van 24 november 2020 niet blijkt dat het door een taxateur is opgesteld.

Griffierecht

5.7

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen inzake de aanslagen OZB 2014 en OZB 2018 gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar van 16 oktober 2020;

-vermindert de aanslag OZB 2014 tot een aanslag naar een waarde van NAf 1.075.000;

- verklaart het bezwaar tegen de aanslag OZB 2018 niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen rechter, en uitgesproken op 16 april 2021, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500