Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:69

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
CUR201802359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening pensioenrechten nabestaandenpensioen duurtetoeslag regres schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201802359

Vonnis d.d. 2 maart 2020

inzake

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.G. Bannenberg,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. drs. A.J. Henriquez.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het inleidend verzoekschrift met producties, op 19 juli 2018 ter griffie ingediend;

  • -

    de op 1 oktober 2018 ter griffie ingediende eiswijziging;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 12 november 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 31 januari 2019 en de door de vrouw op voorhand toegestuurde nadere producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 16 april 2019 en de door partijen bij die gelegenheid – al dan niet op voorhand toegestuurde – overgelegde nadere producties;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens conclusie van antwoord in reconventie van 13 mei 2019;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie (tevens repliek in reconventie) van 8 juli 2019;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van 9 september 2019.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

a. Partijen zijn op 24 oktober 1985 in gemeenschap van goederen gehuwd.

Bij beschikking van 11 februari 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens is bevolen om tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan, met benoeming van notaris mr. A.M.P. Eshuis of één van zijn plaatsvervangers voor het geval partijen het niet binnen een maand na de beschikking eens werden over de keuze voor een notaris. Verder werd de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op NAf 400,- per maand.

Het huwelijk is op 21 april 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de Burgerlijke Stand.

De man ontvangt sinds 1 mei 2015 een pensioenuitkering van NAf 4.726,42 netto (inclusief duurtetoeslag) van het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao (hierna: APC). Ten behoeve van pensioendeling wordt daarop een bedrag van NAf 700,- ingehouden.

Aan de vrouw wordt sinds september 2015 een bedrag van NAf 700,- ten titel van pensioenverdeling voldaan.

Daarnaast ontvangt de vrouw – naar aanleiding van het door haar ten laste van de man gelegde executoriale derdenbeslag onder APC – de bijdrage in haar levensonderhoud van NAf 400,- rechtstreeks van het APC.

Bij brief van 21 juni 2018 heeft de vrouw de man verzocht om mee te werken aan de verdeling van de door de man opgebouwde pensioenrechten.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert – na haar laatste eiswijziging bij conclusie van repliek - om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“I primair: om met ingang van 5 mei 2015 de door de man opgebouwde pensioenrechten aan hem toe te delen onder veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw, een bedrag van NAF 3.223,37 maandelijks, zijnde de helft van het maandelijks uitgekeerde bruto pensioen, een en ander zolang dit pensioen aan hem wordt uitgekeerd, of indien dit niet toewijsbaar is, toedeling aan de vrouw van 50% van de waarde van het pensioen (bruto) ineens, beide vorderingen met een dwangsom van NAF 250 per dag voor iedere dag dat hij hiervan in gebreke blijft na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en onder verrekening van het hiervoor onder punt 9 genoemde bedrag;

II subsidiair: veroordeling van de man tot het geven van opdracht aan het Algemeen Pensioenfonds van Curacao om de helft van het maandelijks uit te keren pensioen (inclusief indexeringen) rechtstreeks aan haar over te maken op rekening bij Banco di Caribe, genummerd 323293-01 ten name gesteld van [eiseres], een en ander met ingang van 1 mei 2015 en zolang de pensioenuitkering voortduurt met een dwangsom van NAF 250 per dag voor iedere dag dat hij hiervan in gebreke blijft na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en onder verrekening van het hiervoor onder punt 9 genoemde bedrag;

III aan de man te bevelen kosteloos aan verzoekster te verstrekken de jaaropgaven 2016, 2017 en waar mogelijk 2018 inzake de door APC verstrekte pensioenuitkering.

IV veroordeling van de man in de proceskosten van het geding.

V [aanvullend] dan wel – indien de verdeling door de Rechter wordt gelast – de man te verplichten een op te leggen afkoopbedrag ten titel van verdeling van pensioenrechten c.q. de gemeenschap op eerste verzoek van de vrouw af te storten onder een door de vrouw aan te wijzen op Curaçao gevestigde verzekeraar; alle vorderingen uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.”

3.2.

De vrouw legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Nu partijen geen andere verdeling zijn overeengekomen dienen de pensioenrechten conform het Boon/Van Loon-arrest tussen partijen te worden verdeeld. De onder I en II gevorderde bedragen dienen verrekend te worden met het bedrag van NAf 700,- dat de vrouw sinds september 2015 maandelijks ontvangt. Bij onvoorwaardelijke toewijzing is de vrouw bereid afstand te doen van haar recht tot een bijdrage in haar levensonderhoud. De vrouw verzoekt inzage in de hoogte van de aan de man uitbetaalde bruto pensioenuitkering in 2016, 2017 en 2018 en doet daartoe een beroep op het inzagerecht op grond van artikel 843a Rv. Omdat de vrouw onnodig op kosten is gejaagd doordat de man niet bereid was om zijn medewerking te verlenen aan de verdeling verzoekt zij, ondanks de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten zijn, de man in de proceskosten te veroordelen.

3.3.

De man heeft het volgende tot verweer gevoerd. De man is niet gehouden aan een partiële scheiding en deling mee te werken terwijl de vrouw niet rept over de overige boedelbestanddelen. De gevorderde proceskostenveroordeling is niet terecht. Het niet reageren door de man op een éénmalig schrijven kan niet als weigering worden beschouwd. Bij de boedelverdeling moet rekening worden gehouden met het voorschot op het pensioen van de man dat de vrouw sinds 1 september 2015 ontvangt en de aflossingen van de man op de hypotheekschuld (sinds 25 maart 2011 tot 24 oktober 2018: NAf 148.232,77), op een lening bij ACU (NAf 23.879,62 in totaal) en op een lening bij RBC (NAf 16.289,02 in totaal).

in conventie

3.4.

De man vordert in reconventie – na wijziging van zijn eis bij conclusie van dupliek - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de verdeling als volgt vast te stellen:

- “zijnde toewijzing aan [gedaagde] van i. de contante waarde van het bij APC opgebouwd pensioen, ii. de schuld bij de RBC-bank t.n.v. [gedaagde], iii. de schuld aan Deurwaarderskantoor Curaçao t.n.v. [gedaagde] en iv. de schuld aan ACU t.n.v. [gedaagde];

- voorts toewijzing aan [eiseres] van i. de schuld aan MCB t.n.v. [eiseres] en ii. de schuld aan ACU t.n.v. [eiseres];

- met voldoening van [eiseres] aan [gedaagde] van het bedrag van ANG 54.042,38, welke het resultante is van de verrekening van de vorderingen tussen Partijen inzake i. de overbedeling van [gedaagde] ex verdeling, ii. voorschotbetalingen ex pensioenuitkering [gedaagde] aan [eiseres], iii. de door [gedaagde] voldane aflossingen van de schuld aan Deurwaarderskantoor Curaçao t.n.v. [gedaagde], iv. de door [gedaagde] voldane aflossing van APC schuld t.n.v. [gedaagde] en v. de door [gedaagde] voldane aflossingstermijnen terzake RBC schuld t.n.v. [gedaagde];

- voorts te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de notariële akte van verdeling, zoals bedoeld in artikel 3:300 BW.

- kosten rechtens.”

3.5.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van de man.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van gemeenschappelijke goederen kunnen bereiken, dan kan de rechter de wijze van verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Het Gerecht zal, het voorgaande in aanmerking nemende, de gemeenschap van partijen verdelen op de hierna te bepalen wijze.

peildatum

4.2.

Nu het huwelijk van partijen in ontbonden vóór de inwerkingtreding van het nieuwe huwelijksvermogensrecht per 1 januari 2012 geldt ingevolge het toepasselijke overgangsrecht als wettelijke peildatum voor de bepaling van de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, in dit geval 21 april 2011.

omvang en samenstelling

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat de huwelijksgemeenschap op de peildatum bestond uit de volgende bestanddelen:

activa

1. De contante waarde van het pensioen van de man dat met de vrouw moet worden verrekend;

passiva

2. Een persoonlijke lening bij de RBC Bank op naam van de man waarvan het openstaande saldo op 4 februari 2011 NAf 33.652,87 bedroeg;

3. De aan Deurwaarderskantoor Curaçao overgedragen hypotheekschuld waarvan het openstaande saldo op 24 maart 2011 NAf 168.095,31 bedroeg;

4. Een persoonlijke lening bij de ACU op naam van de man waarvan het openstaande saldo op de peildatum NAf 23.879,62 bedroeg;

5. Een persoonlijke lening bij de MCB Bank op naam van de vrouw waarvan het openstaande saldo op 29 april 2011 NAf 28.306,60 bedroeg;

6. Een persoonlijke lening bij de ACU op naam van de vrouw waarvan het openstaande saldo op 22 maart 2011 NAf 9.728,35 bedroeg.

pensioen

4.4.

Op grond van het arrest Boon/Van Loon (HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/502), dienen de door partijen voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten te worden verdeeld. Bij die verdeling zijn de regels in acht te nemen die de Hoge Raad in dit arrest heeft geformuleerd. Die regels brengen mee dat de verdeling dient te geschieden in de vorm van verrekening van de waarde van de vóór en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. De wijze van verrekening van de pensioenrechten dient aan de hand van de redelijkheid en billijkheid plaats te vinden. Daarbij zijn in het algemeen twee methoden gebruikelijk: 1) een eenmalige uitkering van de contante waarde, of 2) een pensioendeling bij helfte na ingang van het pensioen, neerkomend op een maandelijks bedrag.

4.5.

De man heeft een opgave overgelegd van het APC gedateerd 8 juli 2015 waaruit blijkt dat de gekapitaliseerde waarde van de door de man opgebouwde pensioenrechten op 21 april 2011 NAf 475.099,- bedraagt, en de gekapitaliseerde waarde van het aandeel van de vrouw daarin (rekening houdende met het haar toekomende bijzondere nabestaandenpensioen) NAf 180.787,-. Deze opgave wordt als uitgangspunt genomen, aangezien inhoudelijke bezwaren tegen de juistheid van die berekeningen door de vrouw niet voldoende gemotiveerd zijn gesteld. Het APC heeft, conform de uitspraak waarnaar de vrouw heeft verwezen, het aan de vrouw toekomende nabestaandenpensioen dat – als zijnde naar zijn aard verknocht aan de vrouw – niet voor verdeling in aanmerking komt, terecht wel in de verrekening betrokken (vgl. ECLI:NL:PHR:2004:AO6998 ten aanzien van het incidenteel beroep).

duurtetoeslag

4.6.

De vrouw heeft terecht opgemerkt dat ook de duurtetoeslag bij de verdeling van de pensioenrechten dient te worden betrokken. Dit aangezien sprake is van rechten die op het tijdstip van de ontbinding reeds bestonden als voorwaardelijke vorderingsrechten. Met andere woorden: die rechten zijn vóór het tijdstip van de ontbinding opgebouwd. Zij zijn weliswaar niet opgebouwd door middel van premiebetaling, maar zij zijn wel opgebouwd doordat de man gedurende een periode vóór het tijdstip van de ontbinding (dus vóór 21 april 2011) voldeed aan de voorwaarden als bedoeld in de circulaire van 7 april 1981, terwijl ook die circulaire vóór 21 april 2011 is uitgebracht. Ook moet worden aangenomen dat sprake is van een "niet te verwaarlozen band" met de vrouw als bedoeld in voornoemd arrest Boon/Van Loon, op dezelfde voet als er geweest zou zijn indien gedurende het huwelijk (of voordien) premie was betaald voor de opbouw van pensioen-aanspraken. (zie ECLI:NL:OGHACMB:2017:118 en ECLI:NL:HR:2000:AA7690)

4.7.

Volgens de opgave van APC bedraagt de ‘huwelijkse’ duurtetoeslag die gerelateerd is aan het totale ouderdomspensioen dat is opgebouwd tijdens de huwelijksperiode per 21 april 2011 NAf 11.028,- per jaar. Concrete omstandigheden op grond waarvan voor dit onderdeel van het pensioen een andere formule zou moeten worden toegepast dan die wordt gebruikt bij de berekening van de contante waarde van het ouderdomspensioen zijn niet aangevoerd. Met inachtneming van die formule wordt de contante waarde van de ‘huwelijkse’ duurtetoeslag geacht (11.028 x 10,87828 =) NAf 119.965,67 te bedragen.

4.8.

De conclusie van het voorgaande is dat, in geval van een eenmalige uitkering van de contante waarde van de volledige pensioenuitkering, in beginsel een bedrag van NAf 240.769,83 (NAf 180.787 + ½ x 119.965,67) dient te worden toebedeeld aan de vrouw.

aftrek voorschot

4.9.

Partijen zijn het erover eens dat op hetgeen aan de vrouw toekomt in het kader van de verdeling van het pensioen van de man, het sinds september 2017 door het APC reeds aan de vrouw als voorschot uitgekeerde bedrag van NAf 700,- per maand in mindering moet worden gebracht. Tot op heden bedraagt het in mindering te brengen bedrag NAf 37.800,- (54 maanden x 700), te vermeerderen met de tot aan de feitelijke verdeling van de pensioenrechten nog door de vrouw te ontvangen bedragen.

onderlinge draagplicht passiva

4.10.

Vooropgesteld wordt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW. Bovendien is het niet mogelijk door verdelingshandelingen wijzigingen aan te brengen in de in artikel 1:102 BW neergelegde aansprakelijkheid van partijen jegens schuldeisers. In de onderlinge verhouding tussen partijen dient ieder van hen voor de helft bij te dragen in de schuld tenzij daaromtrent anders wordt overeengekomen (artikel 1:100 BW) of een afwijkende draagplicht heeft te gelden op gronden van redelijkheid en billijkheid. Indien, ten slotte, één van partijen, daartoe aangesproken door de schuldeiser, meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem aangaat, heeft hij voor het meerdere een regresrecht op de andere partij (artikel 6:10 BW). Nu de man in reconventie heeft gevorderd de schulden in de verdeling te betrekken zullen deze worden ‘verdeeld’ in die zin dat de onderlinge draagplicht van partijen voor die schulden wordt vastgesteld.

4.11.

Dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van de onder 2 tot en met 6 vermeldde schulden op de peildatum 21 april 2011 is niet (meer) in geschil.

4.12.

Voor wat betreft de schulden op naam van de man wordt op grond van de beschikbare gegevens uitgegaan van de onder 4.3 genoemde saldi. Ervan uitgaande dat de man deze schulden – voor zover dat nog niet is gedaan – volledig zal aflossen zal de man een regresvordering hebben op de vrouw van NAf 112.814,- (33.652,87 + 168.095,51 + 23.879,62 = 225.628 : 2).

4.13.

Voor wat betreft de schulden op naam van de vrouw wordt op grond van de beschikbare gegevens uitgegaan van de onder 4.3 genoemde saldi. Ervan uitgaande dat de vrouw deze schulden – voor zover dat nog niet is gedaan – volledig zal aflossen zal de vrouw een regresvordering hebben op de man van NAf 19.017,48 (28.306,60 + 9.728,35 = 38.034,95 : 2).

resumerend

4.14.

Resumerend leidt het voorgaande tot de volgende conclusies:

- De man dient ter zake van verrekening pensioen NAf 240.769,83 aan de vrouw te voldoen, te verrekenen met NAf 37.800 aan voorschotten en de tot aan de feitelijke verdeling van de pensioenrechten door de vrouw nog te ontvangen voorschotten;

- Ervan uitgaande dat partijen ieder de op hun naam staande schulden zullen aflossen zal de man – na verrekening – een regresvordering hebben op de vrouw van NAf 93.796,52 (112.814 - 19.017,48).

wijze verdeling en verrekening

4.15.

De man wenst de pensioenrechten te verrekenen door middel van de voldoening van een eenmalige uitkering van de contante waarde van het pensioen aan de vrouw. In dat geval dient de man – na verrekening – vooralsnog aan de vrouw te voldoen een bedrag van NAf 109.173,31 (= 240.769,83 - 37.800 - 93.796,52) minus de tot aan de feitelijke verdeling van de pensioenrechten door de vrouw nog te ontvangen voorschotten. De man heeft zich echter niet uitgelaten over de vraag of hij in staat is daartoe een som ineens te betalen. De man zal zich daarover nader dienen uit te laten.

4.16.

De vrouw heeft haar primaire vordering onder I om de pensioenrechten te verrekenen middels een (al dan niet rechtstreeks door het APC aan haar te betalen) periodieke uitkering gehandhaafd. Zij heeft niet uitgelaten over de vraag hoe zij in die situatie de regresvordering van de man met betrekking tot de gemeenschapsschulden zal voldoen. Een berekening van het APC waaruit de hoogte van de aan de vrouw toekomende periodieke uitkering blijkt is niet overgelegd. Vooralsnog lijkt echter niet waarschijnlijk dat de achterstallige uitkering vanaf de datum waarop de man pensioengerechtigd werd afdoende is voor voldoening van de regresvordering. De vrouw zal eveneens in de gelegenheid worden gesteld zich daarover nader uit te laten.

4.17.

In geval van verrekening van de pensioenrechten middels een periodieke uitkering zal de man in de gelegenheid moeten worden gesteld om bij akte een berekening van het APC in het geding te brengen waaruit de hoogte van de maandelijkse aanspraak van de vrouw op haar aandeel in het APC-pensioen van de man met ingang van de pensioendatum blijkt.

voortzetting comparitie van partijen

4.18.

Het Gerecht zal een voortzetting van de comparitie van partijen gelasten om (uitsluitend) de wijze van verdeling en verrekening nader te bespreken. Deze comparitie zal mede worden benut om te onderzoeken of thans niet alsnog een minnelijke regeling kan worden bereikt. In het geval op de comparitie geen (volledige) overeenstemming wordt bereikt zal na de comparitie in beginsel een eindvonnis worden gewezen. Met het oog daarop wordt partijen gevraagd zich terdege op de comparitie van partijen voor te bereiden en zo mogelijk tevoren reeds een en ander met elkaar af te stemmen.

4.19.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

beveelt een verschijning van partijen voor het bespreken van de wijze van verdeling en verrekening en het beproeven van een minnelijke regeling, in het stadhuis, Wilhelminaplein 4, op vrijdag 20 maart 2020 om 09:15 uur ten overstaan van ondergenoemde rechter;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Wannyn, rechter, en op 2 maart 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.