Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:62

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
CUR201802497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst met overheidsstichting; “afscheidsbeleid”?; opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

EXPERIENTIA N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. R.A. Diaz,

en

de stichting

STICHTING STUDIEFINANCIERING CURAÇAO,

gevestigd in Curaçao,

verweerster in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez.

Partijen worden hierna ook aangeduid als Experientia en SSC.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop in de hoofdzaak blijkt uit:

- het vonnis in incident van 11 maart 2019 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie van antwoord/eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie, met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie;

- de aanvullende producties van Experientia;

- de behandeling ter zitting van 13 februari 2020;

- de pleitnota van mr. Henriquez.

1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

SSC is een zogenoemde overheidsstichting, belast met het verlenen van (financiële) steun aan Curaçaose studenten.

2.2.

In 2011 is SSC onder leiding komen te staan [directeur], eerst in hoedanigheid van voorzitter van het (toenmalige) bestuur, later als (enig) statutair bestuurder, onder toezicht van een Raad van commissarissen (RvC).

2.3.

Vanaf 2012 heeft SSC met Experientia overeenkomsten gesloten op grond waarvan Experientia trainingen aan aankomende studenten (en hun ouders) verzorgde, met als doel hen beter voor te bereiden op het studentenleven binnen of buiten Curaçao zodat er minder studenten voortijdig hun studie zouden beëindigen (zogenoemde ‘drop-outs’).

2.4.

Partijen hebben drie opeenvolgende overeenkomsten voor één jaar gesloten, gevolgd door een overeenkomst voor drie jaar vanaf 2015. De overeenkomsten voorzien in een vergoeding voor Experientia van NAf 1.357,50 per student die buiten Curaçao gaat studeren en NAf 685 per student die in Curaçao gaat studeren.

2.5.

Op 15 mei 2017 is opnieuw een overeenkomst voor de duur van drie jaren tot stand gekomen. De overeenkomst voorziet in de mogelijkheid van tussentijdse opzegging met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

2.6.

Op 27 mei 2017 is een nieuwe regering van Curaçao aangetreden.

2.7.

Op 13 juli 2017 is [directeur] geschorst door de RvC.

2.8.

Op 23 augustus 2017 is [directeur] ontslagen.

2.9.

Op 16 maart 2018 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden, bij welke gelegenheid SSC heeft gezegd de samenwerking niet te willen voortzetten.

2.10.

Bij brief van 5 juni 2018 heeft SSC aan Experientia laten weten zich op het standpunt te stellen dat de overeenkomst nietig is.

3 Het geschil

3.1.

Experientia vordert het volgende, weergegeven zoals omschreven in het verzoekschrift:

Weshalve het U.E.A. moge behagen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de onderhavige Dienstverleningsovereenkomst gesloten door partijen op 15 mei 2017 rechtsgeldig tot stand is gekomen en rechtskracht heeft tussen partijen tot dat deze is verlopen of anderszins rechtsgeldig is geëindigd en dat deze Dienstverleningsovereenkomst in het geheel dient te worden nagekomen door SSC t.a.v. Experientia en dat SSC aansprakelijk is voor de door Experientia te lijden schade wegens niet nakomen van de Dienstverleningsovereenkomst door SSC het voorgaande op straffe van een door SSC ten faveure van Experientia te verbeuren dwangsom die door uw gerecht in goede justitie zal worden bepaald in het geval dat SSC ingebreke mocht blijven met het door uw gerecht te geven bevel tot nakomen en voorts SSC te veroordelen tot het betalen aan Experientia van het bedrag van Naf. 686.895,00, vermeerderd met de vergoeding voor de studenten die een financieringsaanvraag hebben ingediend om op Curacao te blijven studeren, althans een door U.E.A. in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente voor de tranche/studiejaar 2017 - 2018, althans dat U.E.A. de maatregelen beveelt welke opportuun en juist zijn gezien de omstandigheden die de verhouding tussen partijen beheersen en de gevolgen daarvan m.b.t. de onderhavige Dienstverleningsovereenkomst d.d. 15 mei 2017. Kosten Rechtens.

3.2.

SSC vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst nietig is en voorts voorwaardelijk, namelijk voor het geval de overeenkomst niet nietig is, deze te ontbinden.

3.3.

Partijen voeren over en weer verweer.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De vordering is gebaseerd op het standpunt van Experientia dat tussen partijen een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen, die ten onrechte niet door SSC is nagekomen. SSC heeft zich in de eerste plaats verweerd met het standpunt dat de overeenkomst nietig is.

4.2.

SSC heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is, omdat deze (door [directeur]) is aangegaan terwijl de volgens de statuten vereiste goedkeuring van de RvC ontbrak. Experientia heeft niet betwist dat het door SSC bedoelde goedkeuringsvereiste uit de statuten voortvloeit. Kennelijk doet SSC dus een beroep op een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [directeur] als bedoeld in artikel 2:10 lid 2 BW. Aangenomen dat de RvC het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet heeft goedgekeurd, was [directeur] dus niet bevoegd om namens SSC de overeenkomst aan te gaan. Het ontbreken van een volgens de statuten vereiste goedkeuring leidt ertoe dat het besluit van [directeur] om namens SSC de overeenkomst met Experientia aan te gaan nietig is (artikel 2:21 lid 2 BW). Dat besluit betreft in dit geval een rechtshandeling die tot een wederpartij (Experientia) is gericht. De nietigheid van een dergelijk besluit kan niet aan de wederpartij worden tegengeworpen indien deze het gebrek (het ontbreken van de vereiste goedkeuring) niet kende of behoefde te kennen (artikel 2:22 lid 2 BW).

4.3.

Bij repliek heeft Experientia een verklaring overgelegd van de (toenmalige) voorzitter van de RvC, inhoudende dat de RvC destijds het aangaan van de overeenkomst heeft goedgekeurd. Het gerecht begrijpt het standpunt van Experientia in die zin dat zij ervan is uitgegaan dat de RvC de vereiste goedkeuring had gegeven en dat zij niet wist en ook niet hoefde te weten dat die goedkeuring gebrekkig was. In het licht van het bepaalde in artikel 2:22 lid 2 BW heeft SSC hierop onvoldoende concreet gereageerd. Zij heeft betoogd dat van een rechtsgeldig besluit van de RvC tot goedkeuring van de overeenkomst geen sprake is geweest, omdat het andere lid van de RvC daarbij niet betrokken is geweest en ook geen sprake is van een schriftelijk besluit van de RvC. Of de RvC nu wel of niet rechtsgeldig tot goedkeuring van de overeenkomst heeft besloten kan echter in het midden blijven. Waar het hier om gaat is of Experientia van die (vermeende) gebreken wist of moest weten. Uit de stellingen van Experientia volgt een ontkennend antwoord op die vraag en de reactie op die stellingen van SSC leidt niet tot een andere conclusie.

4.4.

De conclusie hiervan is dat de (gestelde) nietigheid van het besluit om namens SSC de overeenkomst aan te gaan niet aan Experientia kan worden tegengeworpen. In het midden kan blijven of de goedkeuring van de RvC wel echt nodig was.

4.5.

In de tweede plaats heeft SSC zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met de goede zeden en de openbare orde (artikel 3:40 lid 1 BW). SSC doet een beroep op de zogenoemde “afscheidsbeleid”-jurisprudentie. Het is vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (bijvoorbeeld GHvJ 1 maart 2002, NJ 2002/376; GHvJ 18 oktober 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BU3565; GHvJ 20 november 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY5788) dat een door de overheid gesloten overeenkomst nietig kan zijn wegens strijd met de openbare orde, indien een dergelijke overeenkomst vlak voor een bestuurswisseling wordt gedaan met als kenbaar motief het volgende bestuur, waarvan men aanneemt dat dit anders zou beslissen, voor een voldongen feit te stellen, met de consequenties van dien voor de schaarse openbare middelen. Het volgend bestuur zou hierdoor onaanvaardbaar kunnen worden belemmerd in het in vrijheid uitoefenen van zijn publieke taak. Tegen de achtergrond van het feit dat de overeenkomst is gesloten kort na de verkiezingen en vlak voor het aantreden van de nieuwe regering, meent Experientia dat de overeenkomst met toepassing van deze rechtspraak nietig is.

4.6.

Het gerecht verwerpt dit standpunt en wijst daartoe op de volgende omstandigheden:

i. De onderhavige overeenkomst staat niet op zichzelf, maar vormt in wezen een voortzetting van een samenwerking die al sinds 2012 bestond en waartoe in het verleden al vier overeenkomsten waren gesloten. De laatste van die eerdere overeenkomsten was ook aangegaan voor een periode van drie jaren. Gesteld noch gebleken is dat de financiële lasten voor SSC uit hoofde van de nieuwe overeenkomst groter waren dan die welke uit de eerdere overeenkomsten voortvloeiden. Ter zitting heeft Experientia onbetwist gesteld dat de voorwaarden van de onderhavige overeenkomst gelijk waren aan die van de voorafgaande overeenkomsten. De nieuw aangegane overeenkomst leidde dus in geen enkel opzicht tot een breuk met het verleden. Het enkele feit dat SSC geen offertes bij andere aanbieders heeft aangevraagd legt hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal.

Niet gebleken is van concrete aanwijzingen voor het standpunt dat de komende regeringswissel een rol heeft gespeeld bij de beslissing om de overeenkomst aan te gaan. In feite komt SSC niet verder dan de stelling dat [directeur] “een andere politieke achtergrond […] heeft dan de huidige regering.” Dat enkele feit is onvoldoende om bij te dragen aan de conclusie dat [directeur] de nieuwe regering voor het blok heeft willen zetten.

Ook overigens valt niet in te zien dat met het aangaan van de overeenkomst kenbaar beoogd werd de nieuwe regering voor een voldongen feit te plaatsen. De overeenkomst zelf voorziet immers in de mogelijkheid om deze tussentijds met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden op te zeggen. SSC zat dus niet ‘vast’ aan de overeenkomst, noch aan de daaruit voortvloeiende kosten. Van een onaanvaardbare belemmering van de nieuwe regering in de besteding van schaarse middelen is in zoverre geen sprake geweest.

SSC heeft onbetwist gesteld dat haar financiële positie ten tijde van het aangaan van de overeenkomst precair was en dat zij aanvullende middelen van het Land nodig had om te kunnen blijven functioneren. Daarbij past volgens SSC niet dat een kostbare overeenkomst voor de duur van drie jaren wordt aangegaan. Het gerecht volgt SSC hierin niet. De moeilijke financiële positie ten spijt, feit is dat Experientia al vijf jaar lang het trainingsprogramma voor SSC had verzorgd, kennelijk vanuit de overtuiging van SSC dat zij hier per saldo baat bij zou hebben. Dat is een beleidskeuze, waarvan niet kan worden gezegd dat die in redelijkheid niet gemaakt kon worden. Gesteld noch gebleken is overigens dat de met de overeenkomsten met Experientia gemoeide kosten er de oorzaak van waren dat SSC nog niet op eigen benen kon staan.

Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat is voldaan aan de in de rechtspraak ontwikkelde voorwaarden voor een geslaagd beroep op artikel 3:40 lid 1 BW.

4.7.

Ter zitting heeft SSC verklaard dat de met Experientia gesloten overeenkomst “overigens” buiten de doelomschrijving van SSC valt. Zij heeft deze opmerking niet toegelicht. Als SSC heeft bedoeld de overeenkomst wegens statutaire doeloverschrijding te willen vernietigen (artikel 2:13 lid 2 BW), geldt dat zij dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. SSC heeft de statutaire doelomschrijving niet in het geding gebracht. Bovendien valt op voorhand niet in te zien dat het verminderen van het aantal drop-outs niet past binnen de doelstelling van SSC. Het behoort kennelijk mede tot de taak van SSC om toe te zien op de terugbetaling door studenten van aan hen verstrekte leningen. Aangenomen mag worden dat de mogelijkheid om een lening terug te betalen groter is als de student niet voortijdig met de studie stopt.

4.8.

De overeenkomst is dus rechtsgeldig tot stand gekomen en niet nietig of vernietigbaar. Experientia vordert onder meer een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit deel van de vordering is toewijsbaar.

4.9.

Uit de vordering blijkt ook dat Experientia aanspraak maakt op nakoming van de overeenkomst door SSC. Daaruit leidt het gerecht af dat de overeenkomst in de visie van Experientia nog steeds bestaat. In dit standpunt kan zij niet worden gevolgd. Het gerecht licht dit als volgt toe.

4.10.

Na het ontslag van [directeur] hebben partijen kennelijk voor het eerst met elkaar gesproken op 16 maart 2018. Bij die gelegenheid heeft SSC laten weten de samenwerking onder de overeenkomst niet te willen voortzetten. Vast staat dat Experientia de uitlatingen van SSC ook in die zin heeft begrepen. In haar eigen brief aan SSC van 22 maart 2018 (productie VIII bij verzoekschrift) schrijft zij immers:

Ik heb begrepen dat uw opdracht was om mij mede te delen dat gezien de financiële situtie van SSC en het feit dat het de bedoeling is om de door Experientia N.V. aan SSC te verlenen diensten in de toekomst door het ministerie van OWSC uit te laten voeren, de onderhavige dienstverleningsovereenkomst beëindigd dient te worden.

4.11.

In juridische zin kan deze uitlating van SSC tijdens het gesprek van 16 maart 2018 niet anders worden begrepen dan als een opzegging van de overeenkomst. Eén ding was na dat gesprek immers zonneklaar: SSC wilde niet verder met Experientia. Het verder strekkende standpunt dat SSC daarna heeft ingenomen (namelijk dat de overeenkomst nietig is dan wel met terugwerkende kracht moet worden ontbonden) maakt duidelijk dat SSC bereid was die beëindiging van de samenwerking zo nodig eenzijdig te realiseren. Uit dat verder strekkende standpunt kan niet worden afgeleid dat SSC de mogelijkheid om zich te beroepen op opzegging heeft prijs gegeven. Het beroep van SSC op de artikel 7:408 en 7:411 BW wijst eerder op het tegendeel. Nu uit de overeenkomst blijkt dat voor een tussentijdse opzegging geen vormvereisten gelden, is de conclusie dat de (mondelinge) opzegging van 16 maart 2018 heeft geleid tot het einde van de overeenkomst.

4.12.

Dit betekent dat de vordering gericht op nakoming door SSC van de overeenkomst niet toewijsbaar is.

4.13.

De vordering strekt mede tot het verkrijgen van schadevergoeding. Experientia meent dat SSC ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst en dat zij daarom gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Met betrekking tot dit standpunt overweegt het gerecht het volgende.

4.14.

Tot het moment waarop de overeenkomst is geëindigd moest SSC haar verplichtingen uit de overeenkomst nakomen. Nu partijen een opzegtermijn van drie maanden zijn overeengekomen, was SSC dus verplicht de overeenkomst nog tot drie maanden na het moment van opzegging na te komen. Experientia heeft gesteld dat zij op grond van de overeenkomst aanspraak had op een eerste deelbetaling. Dat heeft SSC niet betwist. De desbetreffende factuur heeft Experientia op 11 april 2018 aan SSC doen toekomen. Uit die factuur en uit de stellingen van Experientia leidt het gerecht af dat die factuur is gebaseerd op een geschat aantal studenten, omdat SSC geen opgave heeft gedaan van het aantal studenten voor het studiejaar 2017/2018. Dit laatste heeft SSC ook niet betwist. Vast staat ook dat zij de factuur niet heeft voldaan. In zoverre is sprake van een tekortkoming aan de zijde van SSC. Deze moet haar worden toegerekend. SSC is dus schadeplichtig.

4.15.

De schade die het gevolg is van deze tekortkoming kan bij de huidige stand van zaken niet op verantwoorde wijze worden begroot. De berekeningen van Experientia zijn immers gebaseerd op de – onjuiste – opvatting dat de overeenkomst tot op heden nog altijd voortduurt. Daarom zal het gerecht partijen verwijzen naar de schadestaatprocedure. De schadevergoeding zal gebaseerd moeten worden op basis van een vergelijking van de situatie waarin SSC is tekort geschoten (dat wil zeggen schending van haar verplichting om het aantal studenten aan Experientia op te geven en het niet betalen van de eerste deelbetaling) met de hypothetische situatie waarin SSC wel aan deze verplichtingen zou hebben voldaan. Voor toepassing van artikel 7:411 BW is hier geen plaats, nu blijkens de stellingen van Experientia op grond van de overeenkomst al loon is verschuldigd voor de volbrenging van de opdracht.

4.16.

SSC moet worden beschouwd als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Zij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van Experientia. Bij de begroting van het salaris zal het gerecht uitgaan van tarief 5, nu het belang van de zaak nog niet kan worden vastgesteld. De proceskosten worden begroot op NAf 6.870 aan griffierecht, NAf 349,05 aan explootkosten en NAf 3.750 aan salaris.

in reconventie

4.17.

Gelet op het oordeel in conventie bestaat geen grond om voor recht te verklaren dat de overeenkomst van 15 mei 2017 nietig is.

4.18.

SSC vordert wijziging of ontbinding van de overeenkomst met terugwerkende kracht tot 15 mei 2017 wegens onvoorziene omstandigheden. Volgens SSC bestaan die onvoorziene omstandigheden uit het gegeven dat de overeenkomst bij wijze van “afscheidsbeleid” tot stand is gekomen, uit de steeds erger wordende financiële situatie van het Land, de voor SSC dreigende subsidiekorting, de huidige overschrijding van de subsidie en de brand bij de belastingdienst.

4.19.

De vordering is klaarblijkelijk gebaseerd op artikel 6:258 BW. Op grond van die bepaling kan een overeenkomst worden gewijzigd of ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Uit deze omschrijving volgt dat sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden en dat de rechter terughoudend moet zijn bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid om de overeenkomst te wijzigen of te ontbinden. Bovendien is vereist dat partijen de desbetreffende omstandigheden daadwerkelijk niet hebben voorzien.

4.20.

Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. Van een overeenkomst bij wijze van “afscheidsbeleid” is, gelet op het oordeel in conventie, geen sprake. Zou dat overigens anders zijn, dan zou die omstandigheid niet onvoorzien zijn. De financiële problemen van het Land en van SSC zijn (ook) niet onvoorzien. Dat volgt uit de stellingen van SSC zelf. SSC zelf heeft betoogd dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst “de penibele financiële situatie van de overheid” publiekelijk bekend was en dat zowel [directeur] als Experientia wisten dat SSC de financiële lasten gemoeid met de overeenkomst niet zou kunnen dragen. Verder valt niet in te zien waarom de brand bij de belastingdienst een omstandigheid die meebrengt dat de overeenkomst niet in stand zou kunnen blijven. De vordering is dus niet toewijsbaar.

4.21.

SSC zal worden veroordeeld in de proceskosten van Experientia, die worden begroot op NAf 1.875 voor salaris.

5 De beslissing

Het gerecht:

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst van 15 mei 2017 rechtsgeldig tot stand is gekomen;

5.2.

veroordeelt SSC tot vergoeding van de schade van Experientia als gevolg van de in 4.14 bedoelde tekortkoming, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.3.

veroordeelt SSC in de proceskosten van Experientia, begroot op

NAf 10.969,05;

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af;

5.7.

veroordeelt SSC in de proceskosten van Experientia, begroot op NAf 1.875.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2020.