Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:55

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
CUR201901763 en CUR201901764
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen aangifte omzetbelasting gedaan omdat zij het aangiftebiljet nimmer heeft ontvangen. Op grond van artikel 6, lid 4 ALL

in samenhang met artikel 6, lid 1 ALL ontstaat de aangifteplicht pas wanneer de Inspecteur de vermoedelijk belastingplichtige daartoe heeft uitgenodigd. De Inspecteur heeft echter op generlei wijze de verzending van de uitnodiging aannemelijk gemaakt. Het Gerecht gaat daarom ervan uit dat aan belanghebbende geen uitnodiging tot het doen van aangifte omzetbelasting is uitgereikt. In dat geval kan geen sprake zijn van het ten onrechte niet doen van aangifte. Van een verzuim is derhalve geen sprake. De verzuimboete dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
CFN 2020/51 met annotatie van Mr. K.M.G. Demandt
NTFR 2020/1525 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 maart 2020

BBZ nrs. CUR201901763 en CUR201901764

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 19 november 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak juli 2018 opgelegd van NAf 1.000 (nr. 0218154659007).

1.2

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 november 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak augustus 2018 opgelegd van NAf 1.000 (nr. 0218154984108). Daarbij is een verzuimboete opgelegd van NAf 100 vanwege het niet tijdig doen van aangifte.

1.3

Belanghebbende heeft op 21 december 2018 tegen de naheffingsaanslagen en verzuimboetes bezwaar gemaakt.

1.4

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 26 april 2019 de naheffingsaanslagen en de verzuimboetes gehandhaafd.

1.5

Belanghebbende heeft op 16 mei 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A] van [Q]. Namens de Inspecteur is verschenen [B].

2 BEOORDELING VAN HET BEROEP INZAKE DE NAHEFFINGSAANSLAGEN

2.1

De Inspecteur heeft hangende deze beroepsprocedure per e-mail aan belanghebbende meegedeeld dat de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken juli en augustus 2018 vernietigd zullen worden. Dit brengt mee dat die beroepen niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kunnen leiden.

2.2

Daarmee komt het belang aan deze beroepsprocedure te ontvallen (vgl. HR 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4755; HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988; HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43). Nu belanghebbende geen belang meer heeft bij een uitspraak op deze beroepen, dienen deze beroepen blijkens voornoemde jurisprudentie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.3

In het belang van een efficiënte afdoening van de onderhavige procedure gaat het Gerecht echter niet over tot een niet-ontvankelijkverklaring, maar tot een gegrondverklaring van de beroepen. Een andere benadering zou immers meebrengen dat indien de Inspecteur nadien zijn toezegging dat de naheffingsaanslagen omzetbelasting zullen worden vernietigd, niet gestand zou doen, belanghebbende voor afdwinging van de toezegging zich tot de (burgerlijke) rechter dient te wenden.

3 BEOORDELING VAN HET BEROEP INZAKE DE VERZUIMBOETE

Zonder aangiftebiljet geen aangifteplicht

3.1

Bij het niet tijdig doen van aangifte voor de omzetbelasting is ingevolge artikel 14, lid 4 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (ALL) in samenhang met artikel 18, lid 2 ALL sprake van een verzuim indien de aangifte niet is gedaan binnen vijftien dagen na het einde van het tijdvak, in het onderhavige geval dus uiterlijk 15 september 2018. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan. In dat verband heeft belanghebbende gesteld dat zij het aangiftebiljet voor het tijdvak augustus 2018 nimmer heeft ontvangen.

3.2

Anders dan de Inspecteur voorstaat, leidt de enkele omstandigheid dat iemand belastingplichtig is voor de omzetbelasting, op zichzelf genomen niet ertoe dat hij verplicht is aangifte te doen. Op grond van artikel 6, lid 4 ALL in samenhang met artikel 6, lid 1 ALL (https://www.navigator.nl/vakstudie/WKNL_CSL_606/openCitation/id6c6826f2374ec074991733f840564af9)ontstaat de aangifteplicht pas wanneer de Inspecteur de vermoedelijk belastingplichtige daartoe heeft uitgenodigd.

3.3

In het onderhavige geval is door belanghebbende gesteld dat zij het aangiftebiljet voor het tijdvak augustus 2018 nimmer heeft ontvangen. Het ligt dan op de weg van de Inspecteur om aannemelijk te maken dat de uitnodiging tot het doen van aangifte op het adres van de belanghebbende is ontvangen of aangeboden dan wel de belanghebbende anderszins heeft bereikt, waarbij de Inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending van de uitnodiging naar het juiste adres (vgl. HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268). De Inspecteur heeft echter op generlei wijze de verzending van de uitnodiging aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum de uitnodiging is verzonden (vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1176). Het Gerecht gaat daarom ervan uit dat aan belanghebbende geen uitnodiging tot het doen van aangifte omzetbelasting is uitgereikt.

In dat geval kan geen sprake zijn van het ten onrechte niet doen van aangifte. Van een verzuim is derhalve geen sprake. De verzuimboete dient te worden vernietigd.

Opvatting Gemeenschappelijk Hof van Justitie

3.4

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft in uitspraken van 14 januari 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:3 en 13 februari 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:31, geoordeeld dat de verplichting tot het doen van aangifte reeds voortvloeit uit de belastingplicht voor de winstbelasting, zonder dat daarvoor door de Inspecteur een aangiftebiljet hoeft te worden uitgereikt. Indien aan die opvatting ten grondslag ligt dat een dergelijke aangifteverplichting niet alleen geldt voor de winstbelasting, maar voor alle aangiftebelastingen, dan heeft die opvatting ook betekenis voor onderhavige zaak over de omzetbelasting. In dat geval gaat het Gerecht met onderhavige uitspraak contrair aan voornoemde opvatting van het Gemeenschappelijk Hof. Hierna zal het Gerecht dit afwijkende oordeel motiveren.

Wettelijke regeling

3.5

De ALL luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 6

  1. De Inspecteur kan aan een ieder die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte.

  2. Een ieder die daartoe een verzoek doet, wordt in ieder geval uitgenodigd tot het doen van aangifte.

  3. (…)

  4. Een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen door de in de uitnodiging:

a. gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud (…) in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden;

b. (…)

Artikel 8

  1. Met betrekking tot belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, moet de aangifte worden gedaan bij de Inspecteur of de Ontvanger.

  2. Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het einde van dat tijdvak. (…)

  3. Het tijdvak waarover voor de loonbelasting en de omzetbelasting aangifte moet worden gedaan is de kalendermaand.

  4. (…)

  5. De belastingplichtige dan wel inhoudingsplichtige die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald de Inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

Artikel 14

  1. In geval de belastingverordening voldoening van in een tijdvak verschuldigde belasting dan wel afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting voorschrijft, is de belastingplichtige dan wel de inhoudingsplichtige gehouden binnen vijftien dagen na afloop van dat tijdvak de belasting overeenkomstig de aangifte te betalen bij de Ontvanger.

  2. (…)

  3. (…)

  4. In geval over een belastingtijdvak geen belasting is verschuldigd, moet aangifte worden gedaan binnen vijftien dagen na het einde van dat tijdvak.

Artikel 18

  1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 7, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste NAf 2.500,- kan opleggen.

  2. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste NAf 2.500,- kan opleggen.

  3. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het tweede lid bedoelde boete vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan.

Artikel 19

  1. Indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem een boete van ten hoogste Afl. 10.000,- kan opleggen.

  2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de Inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.

  3. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid bedoelde boete vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Artikel 30

6. Indien het bezwaar is gericht tegen een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is gedaan, of niet volledig is voldaan aan de verplichting ingevolge de artikelen 40, 40a, 41, 42 en 43 wordt de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij gebleken is dat, en zo ja in hoeverre, deze onjuist is.

Artikel 31

4. Het Gerecht wijst het beroep af indien ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is gedaan of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 40, 40a, 41, 42 en 43 tenzij gebleken is, dat, en zo ja in hoeverre, de uitspraak onjuist is.

Artikel 49

1. Degene die ingevolge de belastingverordening verplicht is tot:

a. het binnen een gestelde termijn doen van aangifte en dat niet binnen de gestelde termijn, onjuist of onvolledig doet;

b. (…);

wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie of (…).

2. Degene die zich opzettelijk schuldig maakt aan een in het eerste lid omschreven strafbaar gesteld feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van de vijfde categorie of (…).

3.6

De Landsverordening omzetbelasting (LOB) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 12

De belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Wetgeving Europees Nederland

3.7

In Europees Nederland is in artikel 6, lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaald dat de Inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is, kan uitnodigen tot het doen van aangifte. Deze bepaling is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 6, lid 1 ALL.

3.8

In artikel 8, lid 1 AWR is bepaald dat ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden is aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Deze bepaling is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 6, lid 4 ALL.

3.9

In artikel 25, lid 3 en artikel 27e, lid 1 AWR is bepaald dat als de vereiste aangifte niet is gedaan het bezwaar respectievelijk beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de belastingaanslag respectievelijk uitspraak op bezwaar onjuist is. In deze bepalingen is de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast geregeld in het geval de belastingplichtige de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Deze bepalingen zijn nagenoeg gelijkluidend aan artikel 30, lid 6 en artikel 31, lid 3 ALL.

3.10

In artikel 67a AWR is bepaald dat als de belastingplichtige de aangifte voor een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven, niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, dit een verzuim vormt waarvoor de Inspecteur een verzuimboete kan opleggen. Deze bepaling is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 18, lid 1 ALL.

3.11

In artikel 67b AWR is bepaald dat als de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, dit een verzuim vormt waarvoor de Inspecteur een verzuimboete kan opleggen. Deze bepaling is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 18, lid 2 ALB. Bij de uitleg van laatstgenoemde bepaling kan daarom aansluiting worden gezocht bij de uitleg die wordt gegeven aan artikel 67b AWR.

3.12

In artikel 69, lid 1 AWR is bepaald dat degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting. Deze bepaling is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 49, lid 1, letter a, in samenhang met artikel 49, lid 2 ALL.

Jurisprudentie Hoge Raad

3.13

Voor zover bekend heeft de belastingkamer van de Hoge Raad zich in het kader van de bestuurlijke boete van 67b AWR (verzuim bij aangiftebelasting) nimmer erover uitgelaten wanneer ‘de aangifte’ niet is gedaan. Wel heeft de belastingkamer zich daarover uitgelaten in het kader van de bestuurlijke boete van artikel 67d AWR (vergrijpboete bij aanslagbelasting). Verder heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich in het kader van de strafrechtelijke bepaling van artikel 69, lid 1 AWR uitgesproken over het niet doen van ‘een bij de belastingwet voorziene aangifte’. Ook heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in het kader van de omkering van de bewijslast uitspraken gewezen over het niet doen van ‘de vereiste aangifte’. Hieronder volgt een weergave van deze jurisprudentie.

3.14

Met betrekking tot de omkering van de bewijslast ter zake van een aanslagbelasting heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van HR 28 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2688, BNB 1979/170, het volgende overwogen:

“dat aan dit middel ten grondslag ligt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, nu voor de heffing van de vermogensbelasting zelfs in het geheel geen aangifte is gedaan hoewel dit, ook bij het geheel volgen van belanghebbendes opvattingen over de geschilpunten wel had behoren te geschieden;

dat krachtens artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de verplichting tot het doen van aangifte ontstaat door de uitreiking van een aangiftebiljet en uit de stukken waarvan de Hoge Raad kennis neemt blijkt dat een aangiftebiljet A voor de inkomstenbelasting 1972 is uitgereikt doch niet een aangiftebiljet B voor de inkomstenbelasting 1972 en de vermogensbelasting 1973;

dat mitsdien de verplichting tot het doen van aangifte voor de vermogensbelasting 1973 niet is ontstaan, zodat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden;”

3.15

Met betrekking tot de omkering van de bewijslast ter zake van een aangiftebelasting heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van HR 21 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2367, het volgende overwogen:

“3.2. Nu de Inspecteur in zijn vertoogschrift heeft vermeld, dat belanghebbende ter zake van het naheffingstijdvak geen aangiftebiljet is uitgereikt, is 's Hofs oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte, als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, niet heeft gedaan, niet begrijpelijk. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. (…)”

3.16

In het kader van de strafrechtelijke bepaling van artikel 69, lid 1 AWR heeft de strafkamer van de Hoge Raad ter zake van een aangiftebelasting in zijn arrest van HR 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, het volgende overwogen:

“4.4. Gelet op het bepaalde in art. 53, eerste lid, Wet op de accijns in verbinding met art. 8, eerste lid, AWR en art. 10, eerste lid, AWR, ontstaat de verplichting tot het doen van aangifte niet als gevolg van een uit de heffingswet - te dezen: de Wet op de accijns - voortvloeiende belastingschuld, maar wordt zij eerst in het leven geroepen door de uitreiking op de voet van art. 6, eerste lid, AWR door de Inspecteur van een aangiftebiljet; daardoor wordt de vermoedelijk belastingplichtige uitgenodigd tot het doen van aangifte. Daaraan doet het bepaalde in de art. 52a en 53a van de Wet op de accijns niet af, nu die voorschriften slechts bewerkstelligen dat de termijn waarbinnen de verschuldigde accijns op aangifte moet worden voldaan, wordt verkort.

4.5.

Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat aan [A] B.V. en/of [B] B.V. in de bewezenverklaarde periode de vereiste uitnodigingen tot het doen van aangifte zijn gedaan. Dit betekent dat het Hof, zo het van oordeel is geweest dat zodanige uitnodiging te dezen niet is vereist, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bestanddeel "een bij de belastingwet voorziene aangifte" als bedoeld in art. 69, eerste lid, AWR, dan wel, indien het ervan is uitgegaan dat zodanige uitnodiging wel is vereist, de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.”

3.17

Met betrekking tot een vergrijpboete bij een aanslagbelasting heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:971, het volgende overwogen:

“2.3.1. Op grond van het bepaalde in artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan (onder meer) een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet is gedaan.

2.3.2.

Van het niet doen van aangifte in de hiervoor bedoelde zin is alleen sprake indien de Inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180). (…)”

3.18

Met betrekking tot de omkering van de bewijslast ter zake van een aanslagbelasting heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268, het volgende overwogen:

“2.2.1. Op grond van artikel 27e in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR, dient het hoger beroep, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

2.2.2.

Van het niet doen van de vereiste aangifte in de hiervoor bedoelde zin kan alleen sprake zijn indien de Inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 25 oktober 2013, nr. 12/00287, ECLI:NL:HR:2013:971, BNB 2013/252 en HR 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180). Het ligt op de weg van de Inspecteur aannemelijk te maken dat de uitnodiging tot het doen van aangifte op het adres van de belanghebbende is ontvangen of aangeboden dan wel de belanghebbende anderszins heeft bereikt, waarbij de Inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending van de uitnodiging naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112).

2.2.3.

Uit het onder 2.1.1 weergegeven oordeel volgt niet dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitnodiging naar het juiste adres is verzonden, maar slechts dat het Hof ten aanzien van de herinnering en de aanmaning aannemelijk heeft geacht dat deze op het adres van belanghebbende zijn ontvangen of aangeboden. Dat is echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte. ’s Hofs oordeel dat belanghebbende geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot het doen van aangifte en de daaraan verbonden conclusie dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, geeft derhalve ofwel blijk van een miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 2.2.2 is overwogen, ofwel behoefde nadere motivering, die echter ontbreekt.”

Beoordeling

3.19

Gelet op bovenvermelde eensluidende jurisprudentie kan van het niet doen van ‘de (vereiste) aangifte’ alleen sprake zijn indien de Inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte. Naar het oordeel van het Gerecht zou het niet van een consequente wetstoepassing getuigen als aan het niet (tijdig) doen van ‘de aangifte’ in het kader van de verzuimboete bij een aangiftebelasting, een andere uitleg zou worden gegeven dan aan het niet (tijdig) doen van ‘de aangifte’ in het kader van de vergrijpboete bij een aanslagbelasting, aan het niet doen van ‘een bij de belastingwet voorziene aangifte’ in het kader van een strafrechtelijke bepaling en aan ‘de vereiste aangifte’ in het kader van de omkering van de bewijslast.

3.20

Voornoemde uitleg brengt mee dat de aangifte omzetbelasting niet is gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de wettelijke termijn van vijftien dagen heeft laten verstrijken. Anders dan de Inspecteur voorstaat, leidt de enkele omstandigheid dat iemand belastingplichtig is voor de omzetbelasting, op zichzelf genomen dus niet ertoe dat hij verplicht is aangifte te doen. Op grond van artikel 6, lid 4 ALL in samenhang met artikel 6, lid 1 ALL (https://www.navigator.nl/vakstudie/WKNL_CSL_606/openCitation/id6c6826f2374ec074991733f840564af9)ontstaat de aangifteplicht pas wanneer de Inspecteur de vermoedelijk belastingplichtige daartoe heeft uitgenodigd, hetgeen in het onderhavige geval niet is gebeurd.

4 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

4.1

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.2

In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

4.3

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

4.4

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen omzetbelasting juli en augustus 2018;

- vernietigt de verzuimboete;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 19 maart 2020, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500