Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:50

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
CUR201903703
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tewerkstellingsvergunning voor UNHC-statushouder. Het verblijf van de vreemdeling is in strijd met de Ltu, dus de afwijzing is terecht.

Schending hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

de naamloze vennootschap [eiseres],

gevestigd te Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. Henriquez,

en

de minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (SOAW),

verweerder,

gemachtigde: mr. L.M. Pietersz, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 17 april 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tewerkstellingsvergunning (twv) voor [de vreemdeling] (de vreemdeling) afgewezen (de afwijzing).

Bij beschikking van 9 augustus 2019 (de bestreden beschikking) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het Gerecht heeft de zaak ter openbare zitting behandeld op 12 maart 2020. Eiseres werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door [directeur van eiseres], directeur van eiseres, en de vreemdeling. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen (Lav) is het een werkgever verboden een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder c, is het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomsten met andere mogendheden dan wel bij een voor Curaçao verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, wordt een tewerkstellingsvergunning geweigerd indien deze een vreemdeling betreft die gehandeld heeft in strijd met de bij of krachtens de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) gegeven regels.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Ltu wordt behalve in de artikelen 1 en 3 vermelde personen niemand in de Nederlandse Antillen toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

2. Eiseres heeft een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van de vreemdeling aangevraagd voor de functie ‘beheerster’.

Aan de bij de bestreden beschikking gehandhaafde afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat voor het doen verrichten van de arbeid waarop de tewerkstellingsvergunning betrekking heeft, arbeidskrachten op de lokale arbeidsmarkt beschikbaar zijn. Hierdoor is er sprake van de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Lav genoemde afwijzingsgrond. Daarnaast verblijft de vreemdeling op Curaçao, terwijl zij niet in het bezit is van een geldig verblijfsdocument. De vreemdeling handelt hiermee in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Ltu, waardoor ook sprake is van de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Lav genoemde afwijzingsgrond. Tot slot is er sprake van de in artikel 11, aanhef en onder e, van de Eav genoemde afwijzingsgrond, nu de vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning in de aan de aanvraag voorafgaande periode van minimaal vier weken reeds arbeid verrichtte voor eiseres.

3. De beroepsgrond dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, slaagt.

3.1.

Verweerder heeft in de bestreden beschikking nieuwe afwijzingsgronden aan eiseres tegengeworpen. Verweerder had eiseres daarom in de gelegenheid moeten stellen daarover haar zienswijze naar voren te brengen. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten en eiseres ten onrechte niet op haar bezwaar gehoord. De bestreden beschikking is dan ook genomen in strijd met artikel 64 van de Lar. Het beroep is reeds hierom gegrond. De bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

4. Het Gerecht ziet evenwel aanleiding om te bepalen dat de rechtgevolgen van de te vernietigen beschikking geheel in stand blijven.

4.1.

Anders dan appellante betoogt, is het bepaalde bij artikel 3, aanhef en onder c, van de Lav hier niet van toepassing. De vreemdeling, die een zogeheten UNHCR-status heeft, wordt op grond van afspraken van het Land Curaçao met de UNHCR tijdelijk niet als illegale vreemdeling uitgezet in afwachting van opvang in een bij het Vluchtelingenverdrag aangesloten land. Die afspraken strekken er evenwel niet toe dat UNHCR-statushouders zonder tewerkstellingsvergunning mogen werken in Curaçao. Hier geldt dus onverminderd het verbod op grond van artikel 2 van de Lav.

4.2.

Nu het verblijf van de vreemdeling in Curacao in strijd is met de Ltu – zij beschikt immers niet over een bij de Ltu voorziene verblijfstitel – heeft verweerder de aanvraag om verlening van een tewerkstellingsvergunning terecht met toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Lav afgewezen.

4.3.

Reeds op grond van het voorgaande is de tewerkstellingsvergunning terecht afgewezen, zodat de overige beroepsgronden geen bespreking behoeven.

5. Omdat het Gerecht het beroep gegrond verklaart, bepaalt het dat het Land Curaçao aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.

6. Verder ziet het Gerecht aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep bij het Gerecht redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt het Gerecht op grond van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op NAf 1.400,- toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van NAf 700,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep tegen de bestreden beschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden beschikking;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van haar proceskosten in beroep tot een bedrag van NAf 1.400,- (zegge: duizendvierhonderd Nederlands-Antilliaanse guldens);

  • -

    draagt het Land Curaçao op het door eiseres betaalde griffierecht van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig Nederlands-Antilliaanse guldens) aan eiseres te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020 te Curaçao, in aanwezigheid van mr. H.L. Loef, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. zie hoofdstuk 5 van de Lar.