Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:33

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
CUR201904349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslagname door werknemer; werkgever heeft er niet op mogen vertrouwen dat werknemer daadwerkelijk ontslag heeft willen nemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.A. van den Berg,

tegen

de naamloze vennootschap

ECONOMIC USED CAR SALES PARTS & RENTALS N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

vertegenwoordigd door haar bestuurder.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    het verzoekschrift van 20 november 2019, met producties;

  • -

    de behandeling ter zitting van 28 januari 2020.

1.2.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Verzoekster is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam geweest voor verweerster. De laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep tot 16 oktober 2019.

2.2.

Voor haar werkzaamheden ontving verzoekster een salaris dat bestond uit een vast deel en uit commissies over de verkopen van auto’s. In de periode van 15 maart 2019 tot 28 juni 2019 ontving verzoekster gemiddeld een netto maandloon van

NAf 2.070,83.

2.3.

Op 1 juli 2019 heeft zich een incident voorgedaan, waarbij een woordenwisseling is ontstaan tussen de directeur van verweerster en verzoekster. Na die woordenwisseling is verzoekster uit het gebouw van verweerster vertrokken. Zij is daarna niet meer teruggekomen.

2.4.

Verzoekster heeft zich naar aanleiding van een en ander gewend tot SOAW.

2.5.

Bij brief van 16 juli 2019 heeft verzoekster de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich beschikbaar gehouden om de werkzaamheden te verrichten.

2.6.

Bij brief van 20 augustus 2019 heeft verweerster verzoekster geïnformeerd dat zij niet meer bij haar in dienst is sinds 1 juli 2019.

3 Het geschil

3.1.

Verzoekster verzoekt het volgende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

Verzoekster toe te laten kosteloos te mogen procederen;

— het gegeven ontslag te vernietigen en verweerster te veroordelen het achterstallig loon vanaf 1 juli 2019, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening, aan verzoekster te voldoen, alsmede het loon van verzoeker ad. ANG 2.070,83 netto per maand, door te betalen tot 16 oktober 2019;

— de voorgaande geldbedragen te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;

— niet opgenomen vakantiedagen ten belope van 6,9 dagen aan Casaldarnos uit te betalen;

Voorwaardelijke vordering

in het geval het bovenstaande wordt afgewezen of verzoekster van die vordering mocht afzien,

— verweerster te veroordelen om:

— een cessantia-vergoeding aan verzoekster uit te keren van den weeksalaris ;

— een maandsalaris ad. ANG 2.070,83 (netto) aan Casaldarnos uit te betalen uit hoofde van de niet in acht genomen opzegtermijn ingevolge artikel 7A:1615i BW;

— niet opgenomen vakantiedagen ten belope van 6,9 dagen aan Casaldarnos uit te betalen;

— de voorgaande geldbedragen te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;

— een ontslagvergoeding aan Casaldarnos te betalen van ANG 2.070,83 netto, althans een door het Gerecht vast te stellen alternatief bedrag aan ontslagvergoeding te bepalen.

Kosten rechtens.

3.2.

Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concludeert tot afwijzing van het verzoek.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering is gebaseerd op de veronderstelling van verzoekster dat zij door verweerster op staande voet is ontslagen. Verweerster betwist dat. Volgens verweerster heeft zij verzoekster niet ontslagen, maar heeft verzoekster zelf op 1 juli 2019 ontslag genomen. Vanwege dit standpunt van verweerster zal het gerecht er in het vervolg van deze beschikking van uitgaan dat van een ontslag door verweerster geen sprake is geweest.

4.2.

Vaststaat dat verzoekster sinds 1 juli 2019 geen salaris meer heeft gekregen. Volgens verweerster is dat terecht, omdat verzoekster sinds die datum ook niet meer heeft gewerkt. Op haar beurt betwist verzoekster dat zij zelf ontslag heeft genomen. Het gerecht zal dus moeten beoordelen of verweerster er in redelijkheid op heeft mogen vertrouwen dat verzoekster daadwerkelijk zelf ontslag heeft genomen.

4.3.

Een vrijwillig genomen ontslag heeft in de regel voor de werknemer ernstige gevolgen, zoals het verlies van inkomen en de cessantia-uitkering. Wil een werkgever een werknemer aan een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen houden, dan is vereist dat er sprake is van een verklaring of een gedraging van de zijde van de werknemer die duidelijk en ondubbelzinnig gericht is op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit is al lange tijd vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 28 mei 1982, NJ 1983/2 en HR 20 september 1991, NJ 1991/785) en geldt ook in Curaçao (zie bijvoorbeeld Gemeenschappelijk Hof van Justitie 29 april 2008, ECLI:NL:OGHNAA:2008:BD8948).

4.4.

In deze zaak zijn partijen het niet eens over wie precies wat heeft gezegd tijdens de woordenwisseling van 1 juli 2019. Volgens verweerster heeft verzoekster gezegd dat zij ontslag zou nemen (waarop de directeur van verweerster iets heeft gezegd als: “daar is de deur”), terwijl volgens verzoekster de directeur heeft gezegd dat zij moest vertrekken.

4.5.

Als al zou moeten worden aangenomen dat verzoekster heeft gezegd dat zij ontslag zou nemen, dan nog geldt dat verweerster in de gegeven omstandigheden niet mocht uitgaan van een vrijwillige ontslagname door verzoekster. Duidelijk is immers dat, wat er ook gezegd is, dit is gezegd in de hitte van een woordenstrijd. Juist vanwege de ernstige consequenties van een ontslagname door een werknemer, lag het op de weg van verweerster, als goed werkgever, om in de dagen na het incident bij verzoekster te checken of zij daadwerkelijk ontslag heeft willen nemen. Vaststaat dat verweerster een dergelijk initiatief niet heeft genomen. Zij heeft kennelijk genoegen genomen met de constatering dat verzoekster zelf op de eerste werkdag na het incident niet op het werk is verschenen en ook geen contact heeft opgenomen. Mogelijk kan gezegd worden dat dit wel van verzoekster had mogen worden verwacht, maar in de verhouding tussen partijen moet zwaarder wegen dat verweerster zelf geen enkel initiatief heeft ontplooid.

4.6.

Hierbij komt dat het voor verweerster ook anderszins al spoedig duidelijk moet zijn geworden dat verzoekster geen ontslag heeft willen nemen. Vaststaat immers dat verzoekster zich al binnen enkele dagen na het incident tot SOAW heeft gewend en dat vervolgens verweerster door SOAW is benaderd in het kader van een bemiddelingspoging. Hoe dan ook heeft verzoekster al bij brief van 16 juli 2019 aan verweerster laten weten dat zij terug wil naar het werk. Ook uit deze omstandigheden moet het voor verweerster duidelijk zijn geworden dat verzoekster niet zelf ontslag heeft willen nemen.

4.7.

Nu aldus van een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verzoekster geen sprake is, althans verweerster verzoekster niet mag houden aan een ontslagname, betekent dit dat de arbeidsovereenkomst niet tot een einde is gekomen. Nu verzoekster zich beschikbaar heeft gehouden om de werkzaamheden te verrichten en het in de gegeven omstandigheden voor risico van verweerster komt dat verzoekster geen werkzaamheden heeft verricht, heeft verzoekster recht op doorbetaling van haar salaris.

4.8.

Verzoekster heeft concreet onderbouwd gesteld dat voor wat betreft haar maandelijkse inkomen moet worden uitgegaan van een bedrag van NAf 2.070,83 netto. Verweerster heeft dit niet betwist. Tot betaling van dit salaris over de periode van 1 juli 2019 tot 16 oktober 2019 zal verweerster worden veroordeeld. De wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW is toewijsbaar, zij het dat deze zal worden gematigd tot 10%. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de respectieve vervaldata van de verschillende salaristermijnen.

4.9.

Verzoekster heeft onbetwist gesteld dat zij nog aanspraak heeft op uitbetaling van haar loon over 6,9 niet genoten vakantiedagen. Ook tot betaling hiervan zal verweerster worden veroordeeld.

4.10.

Het verzoek om kosteloos te mogen procederen is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.

4.11.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal verweerster worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 50 griffierecht en NAf 1.000 salaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

verleent verzoekster toestemming om kosteloos te procederen;

5.2.

veroordeelt verweerster tot betaling aan verzoekster van het salaris van

NAf 2.070,83 netto per maand over de periode van 1 juli 2019 tot 16 oktober 2019, vermeerderd met 10% ter zake de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW en met de wettelijke rente met ingang van de respectieve vervaldata van de salaris termijnen tot aan de dag van voldoening;

5.3.

veroordeelt verweerster tot uitbetaling aan verzoekster van het salaris over 6,9 niet opgenomen vakantiedagen;

5.4.

veroordeelt verweerster in de proceskosten van verzoekster, begroot op

NAf 1.050;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.