Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:329

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
CUR201903087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding - schadevergoeding - verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201903087

Vonnis d.d. 23 november 2020

inzake

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

verschenen in persoon,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het inleidend verzoekschrift met producties, op 27 augustus 2019 ter griffie ingediend;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten, het geschil en de beoordeling

2.1. [

eiseres] heeft in totaal een bedrag van NAf 2.200 aan [gedaagde] betaald als voorschot op door [gedaagde] aan haar te verlenen van rechtskundige bijstand. De betalingen vonden plaats op respectievelijk 12 mei 2005 voor een bedrag van NAf 200 en 16 maart 2009 voor een bedrag van NAf 2.000.

2.2. [

gedaagde] heeft nimmer (juridische) werkzaamheden ten behoeve van [eiseres] verricht.

2.3.

Op 27 augustus 2019 heeft [eiseres] een verzoekschrift ingediend bij het gerecht, waarin zij terugbetaling van de door haar betaalde voorschotten verzoekt. Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar eis gewijzigd en vordert zij ontbinding van de overeenkomst en betaling van schadevergoeding ter hoogte van de betaalde voorschotten.

2.4. [

gedaagde] heeft de voorschotbetalingen niet gemotiveerd betwist. Evenmin heeft [gedaagde] gesteld dat hij (juridische) werkzaamheden voor [eiseres] heeft verricht ten belope van de voorschotbetalingen. [gedaagde] heeft eerst aangevoerd dat er geen sprake is van wanprestatie nu [eiseres] hem nimmer in gebreke heeft gesteld. Na de wijziging van eis heeft [gedaagde] bij conclusie van dupliek aangevoerd dat de vordering tot ontbinding is verjaard nu er ex artikel 3:307 BW meer dan vijf jaren zijn verstreken sinds de betaling van het laatste voorschot.

2.5.

Nu is gesteld noch is gebleken dat [gedaagde] ten behoeve van [eiseres] (juridische) werkzaamheden heeft verricht ten belope van de betaalde voorschotten en hij met zijn beroep op verjaring zelf uitgaat van een tekortkoming zijnerzijds, erkent [gedaagde] de wanprestatie impliciet. Bij gebreke van een gemotiveerde toelichting zijdens [gedaagde] voor het niet uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden, staat vast dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot het verlenen van juridische bijstand aan [eiseres]. De vordering tot ontbinding van de overeenkomst is daarmee toewijsbaar, tenzij de vordering tot ontbinding is verjaard, zoals [gedaagde] stelt.

2.6.

Het gerecht stelt bij de beoordeling van het verjaringsverweer het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 3:311 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot ontbinding door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval twintig jaar nadat de tekortkoming is ontstaan.

Aangenomen moet worden dat, mede gelet op de tekst van deze bepaling, het criterium ‘bekend is geworden’ subjectief moet worden opgevat. Het komt er dus op aan dat degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, stelt en zonodig bewijst dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming. Dat neemt evenwel niet weg dat de rechter, indien de schuldeiser zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in een zodanig geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen behoudens door de schuldeiser te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming.

2.7.

Nu [gedaagde] zich op verjaring beroept, dient hij te stellen en zonodig te bewijzen vanaf wanneer [eiseres] daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming en dus vanaf wanneer de verjaring is gaan lopen. [gedaagde] heeft zich daar niet over uit gelaten. [gedaagde] heeft zich beperkt tot de stelling dat de vordering tot nakoming opeisbaar is geworden op het moment van de laatste voorschotbetaling op 16 maart 2009, zodat de vordering vijf jaar later is verjaard. Die stelling gaat niet op omdat in geval van een vordering tot ontbinding niet het moment van opeisbaarheid (3:307 BW), maar het moment van (subjectieve) bekendheid met de tekortkoming (3:311 BW) bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn. Gezien het verweer van [eiseres] dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd met [gedaagde] in contact te komen, maar hem nooit heeft kunnen bereiken, had het op de weg van [gedaagde] gelegen te stellen en met stukken te onderbouwen vanaf wanneer vaststond dat hij de overeengekomen werkzaamheden niet zou uitvoeren en vanaf wanneer [eiseres] daarmee bekend was of had moeten zijn. Nu [gedaagde] dat heeft nagelaten, faalt zijn beroep op verjaring reeds op die grond. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu dat niet is aangeboden en het gerecht geen aanleiding ziet [gedaagde] ambtshalve tot bewijs toe te laten.

2.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering tot ontbinding van de overeenkomst tot het verlenen van rechtskundige bijstand zal worden toegewezen. De vordering tot toekenning van een vergoeding ter hoogte van het betaalde voorschot is eveneens toewijsbaar nu [gedaagde] die vordering niet specifiek heeft betwist en hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd die vordering kan dragen.

2.9. [

gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 330 aan griffierecht.

3 De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande overeenkomst tot het verlenen van rechtskundige bijstand;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van NAf 2.200;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 330;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 23 november 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.