Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:311

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
CUR202000599 en CUR202000901 t/m CUR202000904
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een watersportbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen opgelegd. Belanghebbende voert aan dat de Inspecteur te lang heeft gewacht

met het opleggen van de navorderingsaanslagen. De belastingschuld voor de jaren 2008 en 2009 is ontstaan op respectievelijk 31 december 2008 en 31 december 2009. De Inspecteur is derhalve bevoegd om uiterlijk op respectievelijk 31 december 2018 (2008) en 31 december 2019 (2009) navorderingsaanslagen op te leggen. De navorderingsaanslagen zijn

op 19 oktober 2018, derhalve tijdig opgelegd. Nu de navorderingsaanslagen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn zijn opgelegd kan van strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 30 december 2020

BBZ nrs. CUR202000599 en CUR202000901 t/m CUR202000904

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 19 oktober 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2008 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 291.699, resulterend in een te betalen bedrag van NAf 5.664. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van NAf 1.000 vanwege het niet tijdig doen van aangifte.

1.2

Aan belanghebbende is op 19 oktober 2018 een navorderingsaanslag premie AVBZ over het jaar 2008 opgelegd naar een premie-inkomen van NAf 301.323, resulterend in een te betalen bedrag van NAf 229.

1.3

Aan belanghebbende is op 19 oktober 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 187.645, resulterend in een te betalen bedrag van NAf 3.383.

1.4

Aan belanghebbende is op 19 oktober 2018 een navorderingsaanslag premie AVBZ over het jaar 2009 opgelegd naar een premie-inkomen van NAf 187.645, resulterend in een te betalen bedrag van NAf 92.

1.5

Belanghebbende heeft op 23 oktober 2018 daartegen bezwaren gemaakt.

1.6

De Inspecteur heeft op 27 december 2019 uitspraken op bezwaar gedaan. De aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ voor het jaar 2008 zijn verminderd tot een belastbaar en premie-inkomen van respectievelijk NAf 290.699 en NAf 300.323. De aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ voor het jaar 2009 zijn verminderd tot een belastbaar en premie-inkomen van NAf 186.645.

1.7

Belanghebbende heeft op 21 februari 2020 tegen de uitspraken van de Inspecteur beroepen ingesteld bij het Gerecht. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.8

De Inspecteur heeft op 10 november 2020 een verweerschrift ingediend.

1.9

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2020 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen, vergezeld door [A] van [A] accounting. Namens de Inspecteur is verschenen [B]. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter vanuit het gerechtsgebouw in Aruba de zitting geleid via een videoverbinding. De rechter heeft het onderzoek gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende exploiteert onder de naam ‘[OW]’ een watersportbedrijf in de vorm van een eenmanszaak.

2.2

In de jaarrekeningen van de eenmanszaak zijn in de onderhavige jaren 2008 en 2009 autokosten en verzekeringskosten opgenomen. Aan autokosten is een bedrag van NAf 3.155 (2008) opgenomen en aan verzekeringskosten NAf 29.595 (2008) en NAf 21.116 (2009).

2.3

De Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) heeft een boekenonderzoek gedaan bij belanghebbende. Het boekenonderzoek had betrekking op de loonbelasting en de sociale premies. Het boekenonderzoek is op 26 september 2011 gestart en heeft geresulteerd in een rapport met als datum 9 februari 2012. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het SBAB een renseignement gegeven aan de Inspecteur. Het renseignement luidt – voor zover van belang - als volgt:

“Constatering:

Tijdens mijn controlewerkzaamheden met betrekking tot de jaren 2007 tot en met 2009 heb ik het volgende geconstateerd.

Inhoudingsplichtige heeft verscheidene privébestedingen ten laste van de fiscale resultaten 20078, 2008 en 2009 gebracht. Op basis van de aangetroffen facturen en verstrekte grootboeken ben ik van mening dat de volgende bestedingen niet zakelijk zijn, doch als privé bestedingen dienen te worden aangemerkt.

Niet zakelijke kosten

2008

2009

Autokosten

2.610

Verzekeringskosten

8.855

6.846

Totaal

11.465

6.846

Ik adviseer u om de bovengenoemde niet zakelijke kosten alsnog bij de door [OW] over de jaren 2007 tot en met 2009 aangegeven winsten bij te tellen. (…)”

2.4

De Inspecteur heeft naar aanleiding van het renseignement de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

3.2

De boete is niet in geschil.

3.3

Belanghebbende voert aan dat de Inspecteur te lang heeft gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslagen. Deze belastingaanslagen zijn in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat zij pas zeven jaar na afronding van het boekenonderzoek zijn opgelegd. Voorts beschikt de Inspecteur, aldus belanghebbende, niet over een voor navordering vereist nieuw feit in de zin van artikel 13 Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL). Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslagen

3.4

De Inspecteur stelt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd en concludeert tot handhaving daarvan.

4 OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

4.1

Ingevolge artikel 13, lid 1 ALL kan de Inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2

Ingevolge artikel 13, lid 3 ALL vervalt – in het onderhavige geval - de bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag door verloop van tien jaar na het ontstaan van de belastingschuld.

Tijdigheid opleggen navorderingsaanslagen

4.3

De belastingschuld voor de jaren 2008 en 2009 is ontstaan op respectievelijk 31 december 2008 en 31 december 2009 (artikel 7, lid 6 ALL). De Inspecteur is derhalve bevoegd om uiterlijk op respectievelijk 31 december 2018 (2008) en 31 december 2019 (2009) navorderingsaanslagen op te leggen. De navorderingsaanslagen zijn op 19 oktober 2018, derhalve tijdig opgelegd. Nu de navorderingsaanslagen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn zijn opgelegd kan van strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake zijn.

4.4

Het Gerecht merkt op dat toegegeven moet worden dat de Inspecteur niet voortvarend is geweest bij het opleggen van de navorderingsaanslagen. Uit de tekst van de wet noch uit de memorie van toelichting is echter af te leiden dat in een geval waarin de Inspecteur een navorderingsaanslag oplegt binnen de daarin gestelde termijn maar niet zo voortvarend als mogelijk is, dit tot verval van de navorderingsbevoegdheid leidt (vgl. HR 14 augustus 2015, ECLI: NL:HR:2015:2163).

Nieuw feit/ambtelijk verzuim

4.5

De aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ voor de jaren 2008 en 2009 zijn opgelegd op respectievelijk 16 juli 2010 en 15 april 2011. Op het renseignement is de datum 19 januari 2011 opgenomen. Partijen zijn het echter over eens dat deze datum – gelet op de datum van de aanvang van het onderzoek (26 september 2011) en de datum van het rapport (9 februari 2012) – onjuist is en dat de Inspecteur pas in het jaar 2012 met de uitkomsten van het boekenonderzoek bekend is geworden. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de Inspecteur over het vereiste nieuwe feit beschikt. In de tweede volzin van artikel 13, lid 2 ALL is immers bepaald dat een feit dat de Inspecteur redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering kan opleveren.

4.6

Belanghebbende beroept zich hierop en stelt dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan dat aan navordering in de weg staat. Anders dan belanghebbende betoogt, was de Inspecteur naar aanleiding van de aangiften inkomstenbelasting niet gehouden tot een nader onderzoek. In dat verband overweegt het Gerecht het volgende.

4.7

De Inspecteur mag bij het vaststellen van een (primitieve) aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013: BX7184; GEA Curaçao 23 mei 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:117).

4.8

Belanghebbende heeft aangiftebiljetten inkomstenbelasting met bijbehorende jaarrekeningen ingediend. Naar het oordeel van het Gerecht behoefde de Inspecteur in redelijkheid niet aan de juistheid van deze aangiften te twijfelen. Het was immers zeer wel mogelijk dat de daarin opgevoerde autokosten en verzekeringskosten juist waren. Dat in 2008 geen auto op de balans was geactiveerd hoefde bovendien niet te betekenen dat de autokosten niet zakelijk konden zijn. De Inspecteur was bij de vaststelling van de primitieve aanslagen daarom niet gehouden om nader onderzoek te doen. Van een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim is voor die jaren geen sprake.

4.9

Belanghebbende heeft op de zitting nog gesteld dat de correcties onterecht zijn omdat de kosten zakelijk zijn. Belanghebbende heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Deze stelling faalt derhalve. Het Gerecht merkt hierbij op dat belanghebbende ingevolge artikel 43 ALL administratieplichtig en dat lid 6 van deze bepaling voorschrijft dat administratieplichtigen verplicht zijn hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende tien jaar te bewaren. Het door tijdsverloop niet meer kunnen beschikken over informatie en stukken ter onderbouwing van de kosten is derhalve een omstandigheid die in de risicosfeer ligt van belanghebbende.

4.10

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding voor de proceskosten of het griffierecht.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en uitgesproken op 30 december 2020, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500