Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:31

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
CUR201902239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldlening; rentebeding deels nietig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[eiseres],

wonende in Nederland,

eiseres,

in persoon,

tegen

[gedaagde],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

in persoon.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 21 juni 2019, met producties;

- het verweerschrift, met producties;

- de reactie op het verweer, met producties;

- de reactie op laatstgenoemd stuk.

1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Eiseres heeft op 24 augustus 2018 geld geleend aan gedaagde. Een bedrag van NAf 5.000 is eind augustus 2018 aan gedaagde betaald.

2.2.

De afspraak was dat gedaagde het geleende bedrag plus de kosten en de rente in twaalf termijnen van NAf 650,63 zou terugbetalen.

2.3.

Wegens een ontstane betalingsachterstand heeft eiseres een incassobureau ingeschakeld.

2.4.

Gedaagde heeft enkele bedragen betaald.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, na vermindering van eis, veroordeling van gedaagde tot betaling van NAf 7.807,60, vermeerderd met incassokosten van NAf 961,14 en met OB en wettelijke rente met ingang van 14 maart 2019.

3.2.

Gedaagde voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Eiseres heeft aan gedaagde een bedrag van NAf 5.000 ter beschikking gesteld (de kale hoofdsom). Dat volgt uit het overzicht “Leen administratie” van eiseres (productie verzoekschrift) en uit de (onbetwiste) stelling van gedaagde bij verweerschrift. De afspraak dat gedaagde dit bedrag zou terugbetalen in twaalf termijnen van NAf 650,63 leidt ertoe dat gedaagde in totaal een bedrag van NAf 7.807,56 zou moeten terugbetalen. Met kosten en rente is dus ruim 56% van de kale hoofdsom gemoeid.

4.2.

Partijen mogen in principe de rente en kosten afspreken die zij willen. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Sinds 5 mei 2017 hanteert de Centrale Bank als beleidsmaatstaf voor het verlenen van vergunningen en/of ontheffingen op basis van de Landsverordening Toezicht Bank- en Kredietwezen in geval van kredietverlening aan consumenten een maximum van 27% aan annual percentage rate of charge (APR). Hierin en in de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 24 juli 2018 (ECLI:NL:OGHACMB:2018:122), ziet het gerecht aanleiding de overeenkomst nietig te oordelen voor zover die voorziet in een verplichting tot vergoeding van rente en kosten die uitgaat boven 27% per jaar, te rekenen over het geldbedrag dat daadwerkelijk aan schuldenaar ter beschikking is gesteld (“de kale hoofdsom”).Van omstandigheden op grond waarvan een hogere APR in dit geval gerechtvaardigd zou zijn, is onvoldoende gebleken. Onvoldoende is in elk geval dat eiseres deze hogere APR op haar beurt aan een externe financier verschuldigd zou zijn.

4.3.

Dit brengt mee dat eiseres op gedaagde een vordering had van

NAf 5.000 (de kale hoofdsom), vermeerderd met de gematigde rente van 2,25% per maand vanaf 30 september 2018 tot 31 augustus 2019, in totaal dus NAf 6.350.

4.4.

In haar verweerschrift heeft gedaagde gesteld dat zij drie keer een bedrag contant aan eiseres heeft betaald. Het gaat hier om in totaal NAf 2.051,89. Eiseres heeft deze stelling niet betwist. Het gerecht gaat dan ook van deze betaling uit.

4.5.

Ook heeft gedaagde gesteld dat zij betalingen via het incassobureau heeft gedaan. In haar verweerschrift noemt zij twee betalingen van NAf 700 (de eerste op 27 mei 2019, de tweede op 1 juli 2019). De eerste betaling is door eiseres erkend. Met betrekking tot de tweede betaling heeft eiseres gesteld dat gedaagde deze betaling weer heeft “terug gehaald”. Hierop heeft gedaagde niet gereageerd. Het gerecht gaat er daarom vanuit dat deze tweede betaling niet heeft geleid tot een vermindering van de schuld van gedaagde. In haar laatste stuk heeft gedaagde gezegd dat drie keer

NAf 700 aan het incassobureau heeft betaald, maar van die laatste betaling heeft gedaagde geen onderbouwing overgelegd. Die stelling is daarom onvoldoende onderbouwd.

4.6.

Op haar schuld heeft gedaagde dus in totaal een bedrag van NAf 2.751,89 afgelost. Er resteert een schuld, inclusief rente en kosten, per 31 augustus 2019 van NAf 3.598,11.

4.7.

Eiseres vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze zijn voldoende onderbouwd en zullen worden toegewezen in overeenstemming met het procesreglement. Een bedrag van NAf 375 is toewijsbaar.

4.8.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 31 augustus 2019, nu op basis van de stellingen van eiseres geen eerdere datum kan worden bepaald.

4.9.

Gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten. Dat betreft NAf 450 aan griffierecht en NAf 250 aan salaris. Dit laatste is verschuldigd, omdat eiseres ten tijde van de indiening van het verzoekschrift door een gemachtigde werd bijgestaan.

5 De beslissing

5.1.

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van NAf 3.973,11, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 31 augustus 2019 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiseres, begroot op NAf 700;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2020.