Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:309

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
CUR202000412, CUR202000413 en CUR202000415
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Inspecteur stelt dat het belastbaar inkomen van belanghebbende dient te worden verhoogd met het bedrag van de huuropbrengsten van de appartementen. De Inspecteur draagt hiervoor de bewijslast. Naar het oordeel van het Gerecht is de Inspecteur niet daarin geslaagd. Het Gerecht leidt uit het door belanghebbende overgelegde overeenkomst af dat het economische belang bij de appartementen op 12 januari 2017 is overgedragen aan de B.V. Dit brengt onder meer mee dat de huuropbrengsten en het risico van waardeverandering van de appartementen vanaf die datum toekomen aan de B.V. Laatstgenoemde vennootschap heeft de huuropbrengsten dan ook terecht tot haar resultaat gerekend. Dat de B.V. de appartementen in 2017 abusievelijk niet heeft geactiveerd, brengt niet mee dat het economische belang niet is overgedragen. Het gelijk is aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 december 2020

BBZ nrs. CUR202000412, CUR202000413 en CUR202000415

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 29 maart 2019 een aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 94.052.

1.2

Aan belanghebbende zijn op 29 maart 2019 aanslagen premies AOV/AWW en premie AVBZ voor het jaar 2017 opgelegd naar een premie-inkomen van NAf 99.338.

1.3

Belanghebbende heeft op 16 mei 2019 daartegen bezwaren gemaakt.

1.4

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 6 december 2019 de aanslagen gehandhaafd.

1.5

Belanghebbende heeft op 5 februari 2020 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroepen ingesteld bij het Gerecht. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.6

De Inspecteur heeft op 23 november 2020 een verweerschrift ingediend.

1.7

De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen, vergezeld door [A] van het administratiekantoor [GE]. Namens de Inspecteur is verschenen [B]. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter vanuit het gerechtsgebouw in Aruba de zitting geleid via een videoverbinding.

1.8

Belanghebbende heeft na sluiting van de zitting op verzoek van het Gerecht een nader stuk (afschrift overeenkomst economische eigendomsoverdracht) overgelegd.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende heeft in het jaar 2016 samen met haar echtgenoot vier appartementen in eigendom. Zij heeft de huuropbrengsten van de appartementen in het jaar 2016 aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting.

2.2

Belanghebbende is in het jaar 2017 gescheiden. Met betrekking tot de appartementen heeft belanghebbende een overeenkomst van ‘Verkoop en koop en economische eigendomsoverdracht’ overgelegd. In de overeenkomst is [T] B.V. (hierna: de B.V.) als koper vermeld.

2.3

Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de B.V. De huuropbrengsten van de appartementen (NAf 36.000) zijn in de aangifte winstbelasting 2017 van de B.V. aangegeven.

2.4

De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 2017 vastgesteld op een bedrag van NAf 94.052. Daarbij heeft de Inspecteur een correctie toegepast ten bedrage van NAf 18.000 (de helft van NAf 36.000) aan huuropbrengsten van de vier appartementen. De andere helft van de huuropbrengsten is in aanmerking genomen bij de ex-echtgenoot van belanghebbende.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is de correctie van de huuropbrengsten.

3.2

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte huuropbrengsten tot haar inkomen heeft gerekend. Zij voert daartoe aan dat de economische eigendom van de appartementen in 2017 is overgedragen aan de B.V. en dat de genoten huuropbrengsten daarom bij deze vennootschap in de heffing zijn betrokken.

3.3

De Inspecteur is de mening toegedaan dat de correctie terecht is. Hij voert daartoe aan dat in het onderhavige jaar 2017 op de balans en de afschrijvingsstaat van de B.V. de appartementen niet als activa voorkomen. De Inspecteur verbindt hieraan de conclusie dat belanghebbende de huuropbrengsten in privé heeft genoten en daarna in de vennootschap heeft gestort.

4. OVERWEGINGEN

Economische eigendom appartementen

4.1

De Inspecteur stelt dat het belastbaar inkomen van belanghebbende dient te worden verhoogd met het bedrag van de huuropbrengsten van de appartementen. De Inspecteur draagt hiervoor de bewijslast. Naar het oordeel van het Gerecht is de Inspecteur niet daarin geslaagd. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.

4.2

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de economische eigendom van de appartementen in 2017 is overgedragen aan de B.V. een op 12 januari 2017 ondertekende overeenkomst overgelegd. Het Gerecht leidt daaruit af dat het economische belang bij de appartementen op 12 januari 2017 is overgedragen aan de B.V. Dit brengt onder meer mee dat de huuropbrengsten en het risico van waardeverandering van de appartementen vanaf die datum toekomen aan de B.V. Laatstgenoemde vennootschap heeft de huuropbrengsten dan ook terecht tot haar resultaat gerekend. Dat de B.V. de appartementen in 2017 abusievelijk niet heeft geactiveerd, brengt niet mee dat het economische belang niet is overgedragen.

4.3

Gelet op het voorgaande oordeelt het Gerecht dat de correctie van NAf 18.000 dient te vervallen. Het gelijk is aan belanghebbende.

Beroep op interne compensatie

4.4

In het verweerschrift van 23 november 2020 stelt de Inspecteur dat indien belanghebbende gelijk krijgt op het punt van de huuropbrengsten, de aanslagen toch niet te hoog zijn vastgesteld. Zij voert daartoe aan dat in de aangifte geen rekening is gehouden met artikel 6D, lid 1, letter a van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 (zogenoemde gebruikelijk-loonregeling). Volgens de Inspecteur moet op basis van de omzet van de B.V. bij belanghebbende een gebruikelijk loon van tenminste een bedrag van NAf 18.000 in aanmerking worden genomen. De Inspecteur doet hiermee een beroep op interne compensatie.

4.5

Het Gerecht oordeelt dat deze stelling te laat is ingenomen en laat het buiten beschouwing. Door deze feitelijke stelling ontstaat een nieuw geschilpunt dat in een eerder stadium van de procedure had kunnen worden betrokken. Van belanghebbende kan redelijkerwijs niet worden verwacht zonder nadere voorbereiding op die stelling te reageren.

Hoogte van de aanslagen

4.6

Nu de correctie van NAf 18.000 onterecht is moet het belastbaar inkomen worden berekend op NAf 76.052 (NAf 94.052 -/- NAf 18.000) en het premie-inkomen op NAf 81.338 (NAf 99.338 -/- NAf 18.000).

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Het Gerecht ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Het Gerecht sluit voor de proceskostenvergoeding aan bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL: OGHACMB: 2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf. 700 (1 punt voor het voor het verschijnen op de zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.2

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2017 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 76.052;

  • -

    vermindert de aanslagen premies AOV/AWW 2017 en premie AVBZ 2017 tot aanslagen naar een premie-inkomen van NAf 81.338;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 700; en

  • -

    draagt de Inspecteur op het door belanghebbenden betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en uitgesproken op 23 december 2020, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500