Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:294

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
500.00354/19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen doodslag, vuurwapenbezit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 500.00354/19

Uitspraak: 18 november 2020 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 in [foutieve geboorteplaats], ter terechtzitting opgegeven te zijn geboren in [werkelijke geboorteplaats],

wonende in Curaçao, adres [adres 1]/ [adres 2],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C. Vaders, advocaat in Curaçao.

De benadeelde partij [benadeelde]heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. C.H. Hato-Willems, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder de feiten 1 subsidiair (medeplichtigheid doodslag) en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij gevorderd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft zij vrijspraak bepleit van het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd:

Feit 1 primair

dat hij op of omstreeks 22 juni 2019, althans in of omstreeks de maand juni 2019 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet - met voorbedachten rade,

[slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met (een) vuurwapen(s) een of meerdere (gerichte) schoten gelost op en/of in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer], tengevolge waarvan die [slachtoffer]meerdere verwondingen heeft opgelopen en die [slachtoffer]aan die verwondingen is overleden.

(artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden,

Feit 1 subsidiair

dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op of omstreeks 22 juni 2019, althans in of omstreeks de maand juni 2019 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet - met voorbedachten rade,

[slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of hun mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met (een) vuurwapen(s) een of meerdere (gerichte) schoten gelost op en/of in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer], tengevolge waarvan die [slachtoffer]meerdere verwondingen heeft opgelopen en die [slachtoffer]aan die verwondingen is overleden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 juni 2019, althans in of omstreeks de maand juni 2019 te Curacao, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van voormeld misdrijf, hierin bestaande dat hij, verdachte,

· medeverdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen heeft verschaft.

(artikel 2:262/259 j° 1:124 onder a/b Wetboek van Strafrecht)

Feit 2:

dat hij op of omstreeks 22 juni 2019, althans in of omstreeks de maand juni2019 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;

(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft betoogd dat de politie de videobeelden op verschillende punten onjuist heeft uitgewerkt. In vier processen-verbaal wordt gerelateerd dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit de kruiwagen heeft gepakt en dat de man met het roze shirt en de blauwe korte broek zonder vuurwapen naar de woning van de verdachte is gerend en met een vuurwapen vanuit de woning is gekomen. Dit zijn onjuiste constateringen van de verbalisanten en de processen-verbaal zijn daarom opgemaakt in strijd met de waarheid. Volgens de raadsvrouw kan het niet anders dan dat de verbalisanten dit opzettelijk hebben gedaan. Er is hiermee sprake van onherstelbare vormverzuimen die de verdachte in zijn belangen hebben geschaad. Voor de verdachte is enorm nadeel ontstaan en er is geen sprake meer van een eerlijk proces. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of ieder geval tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, aldus de raadsvrouw.

Bij de beoordeling in deze stelt het Gerecht het navolgende voorop.

Artikel 413 lid 1 Sv bepaalt dat, indien sprake is van een onherstelbare normschending als in dat artikel bedoeld, de rechter na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, kan beslissen tot, kort gezegd, strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen dient de rechter, zo bepaalt artikel 413 lid 7 Sv, in het bijzonder rekening te houden met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.

De sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats indien op de voet van artikel 413 Sv een normschending (vormverzuim) daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan1, dan wel indien zich de situatie voordoet dat (los van mogelijke vormverzuimen ex artikel 413 Sv) gehandeld is in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt2.

Inhoudelijke beoordeling van een verweer zal slechts kunnen plaats vinden indien de verdediging duidelijk en gemotiveerd heeft aangegeven waarom een of meer vermeende verzuimen, mede in het licht van de in artikel 413 lid 7 Sv genoemde factoren, tot het zwaarste rechtsgevolg dienen te leiden.

Het Gerecht deelt de mening van de raadsvrouw niet dat sprake is van bewust omzeilen of benadelen van de rechten van de verdachte. Weliswaar kan het Gerecht de waarneming van verbalisanten op de videobeelden dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit de kruiwagen pakte niet onderschrijven, maar er zijn geen aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat verbalisanten opzettelijk een onjuiste waarneming hebben gedaan dan wel opzettelijk onjuist hebben gerelateerd teneinde de waarheidsvinding ten nadele van de verdachte te beïnvloeden. Hooguit kan worden gesproken van een onzorgvuldige waarneming en/of interpretatie. Een en ander geldt overigens niet voor de waarneming van verbalisanten met betrekking tot de man in het roze shirt en de blauwe korte broek die de woning van de verdachte in liep en bij het verlaten van de woning een vuurwapen in zijn hand hield. Het Gerecht neemt op dit punt hetzelfde waar als de verbalisanten.

Het verweer faalt.

Nu ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Vrijspraak van feit 1 primair

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is het Gerecht van oordeel dat geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord of doodslag. Het Gerecht zal de verdachte dan ook zonder nadere motivering vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

Feit 1 subsidiair

dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op of omstreeks 22 juni 2019, althans in of omstreeks de maand juni 2019 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet - met voorbedachten rade,

[slachtoffer]

van het leven heeft hebben beroofd, immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of hun mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met (een) vuurwapen(s) een of meerdere (gerichte) schoten gelost op en/of in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer], tengevolge waarvan die [slachtoffer]meerdere verwondingen heeft opgelopen en die [slachtoffer]aan die verwondingen is overleden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 juni 2019, althans in of omstreeks de maand juni 2019 te Curaçao, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van voormeld misdrijf, hierin bestaande dat hij, verdachte,

· medeverdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen heeft verschaft;

Feit 2:

dat hij op of omstreeks 22 juni 2019, althans in of omstreeks de maand juni 2019 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.3

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 10 december 2019, opgemaakt door [hoofdagent 1], hoofdagent en senior forensisch rechercheur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2], inspecteurs en forensisch specialisten bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van genoemde verbalisanten:

Op 22 juni 2019 omstreeks 00:43 uur hebben wij een forensisch onderzoek ingesteld naar aanleiding van een schietpartij waarbij een persoon in zorgwekkende toestand naar de polikliniek is getransporteerd. Bij aankomst op de [naam weg 1] werden wij te woord gestaan door brigadiers [brigadier 1] en [brigadier 2]. Van hen vernamen wij dat zij bij aankomst een wit gelakte Kia Rio zagen gekentekend [kentekennummer]op de parkeerplaats van de [naam zaak], dat de auto verschillende kogelperforaties had en dat in de auto een man lag met zijn buik op de handrem en zijn benen onder het stuurwiel en dat het slachtoffer omstreeks 01:29 uur vervoerd werd naar het ziekenhuis.

Op plaats delict 1, de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2], werden 8 hulzen kaliber 9 mm met markeringsborden 1 t/m 7 aangetroffen. Op plaats delict 2, [naam zaak], waar de wit gelakte Kia Rio tot stilstaan kwam ten oosten van de linkergevel. In de linkergevel van [naam zaak] zaten vier kogelinslagen.

Op plaats delict 3, ten oosten van [naam zaak], bij een alleenstaande van beton blokken opgetrokken constructie, werden 7 hulzen van het kaliber 9 mm met markeringsborden 9 t/m 13 aangetroffen.

Conclusie:

  • -

    Een schietpartij heeft plaatsgevonden op de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2];

  • -

    Vanaf de alleenstaande van beton blokken opgetrokken constructie zijn schoten gelost op de linkerzijde van de stilstaande auto;

  • -

    Tijdens de schietpartij is tenminste een vuurwapen gebezigd, te weten een pistool kaliber 9 mm;

  • -

    De schutters hebben tenminste 15 schoten afgevuurd.

2. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek op een personenauto d.d. 3 januari 2020, opgemaakt door [inspecteur 1], inspecteur en forensisch specialist van het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant:

In verband met het schietincident op de [naam weg 1] werd door mij een onderzoek verricht op de personenauto Kia Rio voorzien van kenteken [kentekennummer].

Kogelbeschadiging

Gedeformeerde kogel in linker buitenspiegel, gemarkeerd met nummer 1;

Inschot linker achterportier, gemarkeerd met nummer 2;

Inschot linker achterportier, gemarkeerd met nummer 3;

Inschotbeschadiging kofferbak, gemarkeerd met nummer 4;

Inschotbeschadiging D-stijl, gemarkeerd met nummer 5;

Schotbeschadigingen rechterflank, uitschot gemarkeerd met nummers 2 en 6, inschot gemarkeerd met nummers 7 en 8 (inschot rechter voordeur).

3. Een proces-verbaal van lijkherkenning van [slachtoffer] d.d. 22 juni 2019, opgemaakt door [hoofdagent 2] en [inspecteur 3], respectievelijk hoofdagent en inspecteur bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van genoemde verbalisanten:

Op 22 juni 2019 omstreeks 00:42 uur ontving de centrale meldkamer van politie een telefonische melding waarbij de melder aangaf dat een wit voertuig tegen de muur van [naam zaak] aanreed met vermoedelijk een gewonde. Bij aankomst van de eerste politiepatrouille werd een witgelakt voertuig gekentekend [kentekennummer]waargenomen met daarin een bewusteloze manspersoon die inschotwonden vertoonde. Op 22 juni 2019 om 07:30 uur kwam het slachtoffer in leven genaamd [slachtoffer] naar aanleiding van zijn opgelopen verwondingen te overlijden. De dood van het slachtoffer werd door dr. Van Putten geconstateerd.

Op 22 juni 2019 om 09:15 uur werd een lijkherkenning verricht met onder andere de moeder en een zus van voornoemd slachtoffer. [moeder slachtoffer] en [benadeelde] herkenden het aan hen getoonde lijk als dat van hun zoon en broer genaamd [slachtoffer], geboren op 20 januari 1995 te Curaçao.

4. Een geschrift, te weten een autopsierapport no. S19-041 d.d. 29 juni 2019, opgesteld door dr. L. Althaus, forensisch patholoog bij het Analytisch Diagnostisch Centrum (ADC) te Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van genoemde patholoog:

Autopsy on [slachtoffer], 26 juni 2019 09:30-12:30, ADC Mortuarium, Otrobanda. During the autopsy 1 graze shot, 1 penetrating and 1 perforating gunshot could be found:

  1. perforating gunshot on the left head with entry wound D on the left back head, perforating the left cerebral hemisphere with exit wound A on the middle upper forehead. Fatal gunshot injury.

  2. 1 penetrating gunshot of the upper leg with entry wound C and end position of the bullet inside the left upper leg.

  3. 1 graze shot of the right hip.

Cause of death: severe brain injury due to a gunshot. Manner of death: non-natural, homicide.

5. Eigen waarneming van de rechter, gedaan ter terechtzitting van 28 oktober 2020, voor zover inhoudende:

De rechter bekijkt de tot het dossier behorende videobeelden en neemt het volgende waar, voor zover van belang:

Titel onderzoek “Solar”, schietpartij [wijk 1], 22 juni 2019 N07003235:

De camera biedt zicht op het erf van de woning van de verdachte [verdachte] (rechts in beeld) en de naastgelegen [naam minimarket] (links in beeld) en de [naam weg 1] (boven in beeld). De kruising van de [naam weg 1] met de [naam weg 2] is links naast de Minimarket gelegen (buiten beeld).

00:35:56 - een grijskleurige personenauto komt aanrijden van links naar rechts, stopt net buiten beeld naast de witte poort die toegang geeft tot het erf van de woning van [verdachte]; één van de mannen die voor de Minimarket stond loopt richting de auto;

00:36:36 tot 00:36:43 - drie mannen stappen uit de grijskleurige auto, lopen samen met de ene man die al bij de Minimarket was naar links en gaan praten met de aanwezige mannen voor de Minimarket. Eén van drie mannen is gekleed in een bruine lange broek en een donker shirt (= [medeverdachte 2]), één man is gekleed in een roze shirt en een blauwe korte broek (= [medeverdachte 1]) en één man is gekleed in een donker shirt met korte mouwen met daarop witte banden en donkere korte broek (= [medeverdachte 3]);

00:38:01 - een Chinese man (= [verdachte]) loopt de witte poort binnen en het erf op, kort daarop gevolgd door [medeverdachte 1]; [medeverdachte 1] en [verdachte] praten met elkaar;

00:38:43 - [medeverdachte 1] maakt een schietbeweging met zijn rechterarm schuin richting de grond van het erf;

00:38:53 - [medeverdachte 1] verlaat al pratende met [verdachte] het erf van [verdachte];

00:39:17 - een witte personenauto (auto van het latere slachtoffer) rijdt langs over de [naam weg 1] van links naar rechts;

00:39:41 - vanaf dit tijdstip ontstaat er onrust, de aanwezige personen beginnen te rennen;

00:40:01 - [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rennen door de poort het erf van [verdachte] op en rennen een paar seconden later weer door de poort naar buiten;

00:40:01 – de witte auto rijdt met hoge snelheid weer langs over de [naam weg 1] van rechts naar links richting de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2];

Beelden [medeverdachte 2]

00:40:09 – [medeverdachte 2] loopt vanaf rechts in beeld met een vuurwapen in zijn rechterhand, hij loopt naar links langs de Minimarket richting de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2];

Beelden [verdachte] en [medeverdachte 1]

00:40:23 [verdachte] gaat vanaf het erf de aangrenzende woning binnen, rechtsonder in beeld gaat een deur open en dicht;

00:40:29 [medeverdachte 1] loopt via de poort het erf op en loopt direct weer naar buiten;

00:40:43 [medeverdachte 1] loopt weer door de poort het erf op;

00:40:46 [medeverdachte 1] gaat vanaf het erf de woning binnen, rechtsonder in beeld gaat een deur open en dicht;

00:41:08 rechtsonder in beeld gaat een deur open en dicht en [medeverdachte 1] loopt vanuit de woning het erf op en de poort uit;

00:41:13 [medeverdachte 1] loopt vanuit de poort, blijft buiten de poort even staan, hij heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand langs zijn lichaam naar beneden gericht;

00:41:16 [medeverdachte 1] rent naar links voor de Minimarket langs richting de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2];

Beelden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]:

00:41:11 [medeverdachte 2] komt van links vanaf de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2] naar rechts weer aanlopen voor de Minimarket langs, [medeverdachte 2] treft [medeverdachte 3] voor de Minimarket, pakt iets van hem aan;

00:41:13 tot 41:16 [medeverdachte 3] heeft een vuurwapen in zijn rechterhand en laadt deze door;

00:41:17 [medeverdachte 3] schiet met het vuurwapen in de lucht;

00:41:18 de resterende mannen die bij de minimarket zaten/ aanwezig waren rijden weg in hun auto’s;

00:41:23 [medeverdachte 2] loopt terug naar links voor de Minimarket langs richting de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2];

00:41:36 [medeverdachte 3] rent van rechts naar links voor de Minimarket langs;

00:41:44 [medeverdachte 3] rent terug van links naar rechts richting zijn auto;

00:41:55-00:42:10 de auto van [medeverdachte 3] rijdt achteruit naar links in beeld voor de Minimarket langs en stopt geheel links in beeld;

00:42:12 de auto van [medeverdachte 3] rijdt weg naar rechts;

00:43:27 de witte auto van het slachtoffer komt hard aanrijden vanaf rechts naar links, remt links in beeld naast de Minimarket ter hoogte van de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2], de remlichten zijn zichtbaar;

00:44:18 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rennen vanaf de kruising [naam weg 1] en [naam weg 2] voor de Minimarket langs van links naar rechts.

6. De verklaring die [medeverdachte 3] heeft afgelegd als getuige in de zaak van de verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2020, voor zover inhoudende:

U vraagt mij wie op 22 juni 2019 op het slachtoffer Francisca (hierna: het slachtoffer) heeft geschoten. De verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben geschoten. De een heeft het eerste schot gelost en heeft het vuurwapen overgedragen aan de andere, die ook een schot heeft gelost. U vraagt mij van wie het vuurwapen is waarmee is geschoten. Het vuurwapen is van verdachte [verdachte]. U vraagt mij hoe alles die avond is gegaan. Ik was thuis aan het slapen, toen ik op mijn raam hoorde kloppen. Het was verdachte [medeverdachte 2] en hij was aan het huilen. Hij zei tegen mij dat [broer medeverdachte 1], de broer van verdachte [medeverdachte 1], eerder die avond was vermoord. Ik ben toen samen met "[medeverdachte 2]" (= verdachte [medeverdachte 2]) in de auto gestapt. Toen wij in de auto zaten, kwam "[bijnaam slachtoffer]" (= het latere slachtoffer) naar mij toe. Hij zei: "Sorry dat ik op een verkeerd moment ben gekomen", en vroeg of ik een vloeitje voor hem had. Ik zei toen nee en ben vervolgens weggereden met "[medeverdachte 2]". We zijn naar een Chinese toko gegaan om "[medeverdachte 1]" (= verdachte [medeverdachte 1]) op te halen.

Daarna zijn wij drieën op zoek gegaan naar de plaats waar [broer medeverdachte 1] werd

doodgeschoten. U vraagt mij of wij de plek hadden gevonden. Ja. We gingen vervolgens weg. Onderweg zagen [medeverdachte 2] en ik dat wij achtervolgd werden door een onbekende auto. Ik stopte de auto, stapte uit en haalde een vuurwapen uit de kofferbak. Ik gaf het vuurwapen aan [medeverdachte 2]. Daarna zijn we doorgereden naar [wijk 2]. In [wijk 2] spraken wij over wat er met [broer medeverdachte 1] was gebeurd. Opeens verscheen het slachtoffer in zijn auto. Het vuurwapen dat ik aan [medeverdachte 2] had gegeven, richtte hij op het slachtoffer. Deze wilde echter niet afgaan.

De getuige verklaart op vragen van de officier van justitie als volgt:

Ik richtte mijn vuurwapen in de lucht. Ik ging toen naar huis. Eenmaal thuis bleef ik in de richting van de Chinese toko kijken. Ik zag de auto van het slachtoffer bij [naam zaak] staan. [medeverdachte 1] (mede)verdachte [medeverdachte 1]) rende naar de Chinese toko. Toen ik thuis was, merkte ik dat de telefoon van verdachte [medeverdachte 2] in mijn auto was achtergebleven. Ik ging naar zijn huis om de telefoon te brengen. Op dat moment vertelde hij zijn neef Christopher over het slachtoffer en wat er was gebeurd.

De getuige verklaart op aanvullende vragen van de rechter als volgt:

U vraagt mij hoe ik weet dat verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met het vuurwapen van medeverdachte [verdachte] hebben geschoten. Ik was erbij toen "[medeverdachte 2]" aan zijn neef Christopher vertelde dat "[medeverdachte 1]" had geschoten. U vraagt mij hoe ik weet dat het vuurwapen van verdachte [verdachte] was. Ik weet het. Ik woon in [wijk 2].

[medeverdachte 2] kwam de volgende dag bij mij thuis en zei tegen mij om mijn auto te verkopen en mijn kleren te verbranden. [medeverdachte 2] heeft gezegd dat verdachte [medeverdachte 1] eerst op het slachtoffer heeft geschoten, dat hij hem daarna het vuurwapen afhandig heeft gemaakt en ook op het slachtoffer heeft geschoten.

De getuige verklaart op aanvullende vragen van de officier van justitie als volgt:

U vraagt mij wat [medeverdachte 1] tegen mij heeft verteld over het schieten. [medeverdachte 1] heeft tegen mij gezegd dat de man zijn broer heeft doodgeschoten. U vraagt mij of het slachtoffer werd gedood omdat wij dachten dat hij de broer van medeverdachte [medeverdachte 1] had doodgeschoten. Het slachtoffer had niks te maken met de dood van de broer van verdachte [medeverdachte 1]. Een onschuldige persoon is vermoord die avond.

7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte J.M. [medeverdachte 3] d.d. 14 december 2019, opgemaakt door [hoofdagent 3] en [recherche assistent], hoofdagent en recherche assistent van het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3]:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben geschoten met een Glock daar “[bijnaam verdachte]” over een Glock beschikte. Opmerking verbalisanten: met “[bijnaam verdachte]” wordt de verdachte [verdachte] bedoeld. Ik moet verklaren dat “[bijnaam verdachte]” in de gevangenis tegen mij had verteld dat [medeverdachte 1] op de bewuste nacht bij hem was gekomen en het volgende tegen hem (“[bijnaam verdachte]”) gezegd had: “nami e koi tira, nami e koi tira”: vrije vertaling verbalisant: geef mij het schiet ding, geef mij het schiet ding.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige]d.d. 17 oktober 2019, opgemaakt door [hoofdagent 4] en [recherche assistent], hoofdagent en recherche assistent van het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:

Ik was op 22 juni 2019 aanwezig bij de [naam minimarket]. Ik zat op een stoel toen er een auto merk Hyundai kwam aanrijden. In die auto zaten, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Zij waren boos omdat even tevoren een familielid van hen in [wijk 2] werd doodgeschoten. Ik zei tegen hen dat een witgelakte auto al een tijd op en neer aan het rijden was. De manier waarop de witgelakte auto reed, roekeloos en met hoge snelheid, wekte argwaan. Op een gegeven moment kwam de witgelakte auto Kia Rio weer aanrijden en kwam in de buurt van [naam minimarket] tot stilstand. Daarna reed die auto met hoge snelheid weg. Vraag: om 00:40 uur is op de camerabeelden die aan jou getoond werden te zien dat toen jij uit dekking kwam, jij langs [medeverdachte 2] liep, terwijl [medeverdachte 2] iets in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat [medeverdachte 2] een vuurwapen in zijn rechterhand vasthield. Ik hoorde [medeverdachte 2] zeggen dat hij zou gaan kijken wie als bestuurder van de witgelakte Kia Rio optrad.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige]d.d. 21 oktober 2019, opgemaakt door [hoofdagent 4] en [hoofdagent 5], hoofdagenten van het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:

Op 22 juni 2019 had ik [medeverdachte 2] met een vuurwapen gezien toen hij op een gegeven moment langs mij liep. Ik heb gezien, in mijn auto zittende, dat [medeverdachte 2] het vuurwapen dat hij had aan [medeverdachte 3] overhandigde. Ik zag na deze overhandiging dat [medeverdachte 3] trachtte het te laden en daarna een schot in de lucht loste. Toen ik wegreed zag ik [medeverdachte 2] in de buurt van de nis staan van de [naam minimarket], naast de hoofdweg [naam weg 1]. Ik zag dat [medeverdachte 1] de weg overstak en bij de ingang van de straat welke ik inreed ging staan. De straat waar ik inreed ligt min of meer schuin tegenover de nis waar [medeverdachte 2] stond.

10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 4 oktober 2019, omstreeks 12.40 uur, opgemaakt door [hoofdagent 4] en [hoofdagent 5], hoofdagenten van het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte]:

De man in het blauw gekleed die naast een kruiwagen staat op de videbeelden van 22 juni 2019 om 00:38 uur ben ik. De man in het roze kleurige shirt en blauwkleurige driekwartbroek die om 00:38 uur mijn terrein opliep en naar mij toe kwam is [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] vertelde mij dat men even tevoren zijn broer had doodgeschoten.

11. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 oktober 2019, omstreeks 10:55 uur, opgemaakt door [hoofdagent 4] en [hoofdagent 5], hoofdagenten van het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte]:

Op 22 juni 2019 kwam ik na twaalven thuis. Men was aan het zeggen dat er een auto was die met hoge snelheid heen en weer bleef rijden.

Bewijsoverwegingen

Medeplichtigheid

Voor bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een door een ander gepleegd misdrijf is, naast het bewijs van een zekere mate van feitelijke betrokkenheid bij dat misdrijf, onder meer vereist dat verdachte het opzet had op het door diegene gepleegde misdrijf en voorts het opzet had op de ondersteuning van het misdrijf.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [medeverdachte 1], in het tumult dat was ontstaan door het langsrijden van de witte auto, de verdachte om een vuurwapen heeft gevraagd en, nadat hij zonder vuurwapen verdachtes woning was ingegaan, kort daarna naar buiten is gekomen in het bezit van een vuurwapen. Het Gerecht gaat er daarom vanuit dat de verdachte in zijn woning [medeverdachte 1] het vuurwapen heeft gegeven. Vervolgens is [medeverdachte 1] met dat vuurwapen in de hand naar de plaats delict gerend, alwaar hij op het slachtoffer heeft geschoten.
Dit alles vond plaats nadat de verdachte had vernomen dat men even tevoren [medeverdachte 1]’ broer had doodgeschoten en dat er een auto was die met hoge snelheid heen en weer bleef rijden, en had meegemaakt dat de aanwezigen dekking hadden gezocht, onder meer op de binnenplaats van verdachtes woning.

De verdachte heeft, door onder deze omstandigheden een vuurwapen aan medeverdachte [medeverdachte 1] te geven, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze vervolgens met dat wapen iemand van het leven zou beroven. Het opzet op de ondersteuning van het misdrijf is gezien de genoemde omstandigheden ook een gegeven.

Verklaringen [medeverdachte 3]

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaringen van [medeverdachte 3], inhoudende dat het vuurwapen waarmee is geschoten van [verdachte] is, niet op eigen wetenschap zouden berusten, volgt het Gerecht dit betoog niet. [medeverdachte 3] heeft verklaard van [verdachte] zelf te hebben gehoord dat [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) aan de verdachte had gevraagd om hem het vuurwapen te geven. Dit betreft een eigen waarneming. Deze wordt voorts bevestigd door de in de bewijsmiddelen opgenomen beschrijving van gebeurtenissen, zoals deze te zien zijn op de videobeelden.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:124 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 van de Vuurwapenverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Vuurwapenverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voor medeplichtigheid geldt dat het wettelijke strafmaximum met een derde wordt verminderd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor doodslag als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 tot 12 jaren gegeven, voor moord 18 jaren.

In de nacht van 22 juni 2019 is de verdachte medeplichtig geweest bij een schietpartij die plaatsvond op de openbare weg, in de nabijheid van [naam zaak]. Een man die langsreed in zijn auto is daarbij door twee daders onder vuur genomen, omdat zij meenden dat hij iets te maken had met de in diezelfde nacht gepleegde moord op de broer van een van hen. De verdachte, die wist van deze eerdere moord, de daardoor veroorzaakte emoties van de daders en de dreigende en paniekerige situatie rond zijn woning en de naastgelegen minimarket en bakkerij, heeft niettemin één van de daders voorzien van een vuurwapen. Maar liefst 15 kogels zijn op het slachtoffer afgevuurd waarvan er drie zijn lichaam hebben geraakt. Het slachtoffer kwam met zijn auto tegen de muur van de bakkerij tot stilstand en werd zwaargewond naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij enkele uren later is overleden als gevolg van een schot door zijn hoofd. Het Gerecht kwalificeert dit feit als een meedogenloze doodslag uit wraak, die daarmee trekken van een liquidatie vertoont. Mede door verdachtes toedoen is het slachtoffer – dat achteraf gezien niets met de moord op de broer te maken lijkt te hebben gehad - het meest kostbare bezit, het leven, ontnomen en is de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Ook veroorzaakt een feit als het onderhavige, mede gelet op de openbare plaats waar en de brutaliteit waarmee dit plaatsvond, gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn kwalijke bijdrage aan deze even gruwelijke als zinloze daad.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van verboden wapenbezit. Het behoeft geen betoog dat het bezit van vuurwapens in een samenleving die steeds gewelddadiger wordt onacceptabel is. In deze zaak is pijnlijk duidelijk geworden tot welke zeer ernstige gevolgen het bezit van vuurwapens kan leiden.

Het Gerecht acht, met de psycholoog en de psychiater, de verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt. Het hiervoor overwogene geeft aanleiding om deze doodslag aan te merken als één van een zwaardere categorie, qua strafwaardigheid gelegen tussen doodslag en moord.

Het Gerecht rekent het de verdachte ten volle aan dat hij zich niet heeft gedistantieerd van de onrustige en dreigende situatie en geen weerstand heeft geboden aan het verzoek van een van de latere schutters om hem een wapen te geven. Zorgelijk is bovendien de kennelijke fascinatie van de verdachte voor wapens, zoals is gebleken uit foto's in zijn telefoon en de aanwijzingen in het dossier dat hij heeft getracht een vuurwapen te verkopen voor een medeverdachte.

Gelet op de kleinere rol die de verdachte heeft gespeeld ten opzichte van die van de uitvoerders van de doodslag, zijn vrij jonge leeftijd en het feit dat de verdachte niet eerder terzake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, gaat het Gerecht bij het bepalen van de strafmaat uit van twee derde van de bovengrens van het oriëntatiepunt voor doodslag en niet van twee derde van de hogere straf die aan de twee daders is opgelegd.

Alles afwegend is het Gerecht van oordeel dat een gevangenisstraf van 8 jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde]heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van NAf 4.192,00.

De gestelde schade bestaat uit de volgende posten:

  1. KLM ticket van de broer van het slachtoffer [broer slachtoffer] NAf 1.453,00;

  2. Versnaperingen begrafenis NAf 182,00;

  3. AVF – verf ten behoeve van het graf NAf 36,00

  4. Ticket TUI t.b.v. de moeder van het slachtoffer [moeder slachtoffer] op verzoek van psycholoog S. Ebecilio i.v.m. ingrijpende rouwverwerking NAf 1.193,00;

  5. Additionele begrafeniskosten van El Tributo NAf 328,00;

  6. Emotionele schade NAf 1.000,00.

De gevorderde materiële schade onder de posten 2, 3 en 5 komt, als kosten van lijkbezorging op grond van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), voor vergoeding in aanmerking. Ook de kosten onder post 1, het ticket van de broer die voor de begrafenis naar Curaçao moest reizen, vallen naar het oordeel van het Gerecht binnen de reikwijdte van de kosten van lijkbezorging. Deze kosten staan in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit 1 impliciet subsidiair en de verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het Gerecht acht dit gedeelte van de vordering derhalve toewijsbaar tot het bedrag van NAf 1.999,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2019. De verdachte is als deelnemer aan het strafbare feit hoofdelijk voor de toegebrachte schade aansprakelijk.

Voor zover de gevorderde immateriële schade onder post 6 ziet op affectieschade (verdriet als gevolg van het overlijden van een naaste) kan deze bij de huidige stand van het recht niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor zover dit gedeelte van de vordering (mede) ziet op shockschade geldt dat dit op grond van artikel 6:106 eerste lid aanhef en onder b (aantasting in de persoon) voor vergoeding in aanmerking kan komen, mits wordt voldaan aan de vereisten die op grond van jurisprudentie daaraan worden gesteld (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 en HR 9 oktober 2009, NJ 2010, 3870). Het moet dan gaan om geestelijk letsel bij iemand die in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer staat, veroorzaakt door de directe waarneming van of confrontatie met een ongeval of misdrijf en leidend tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en/of een aantasting in de persoon. Hoewel aan de benadeelde partij ontegenzeglijk veel leed is toegebracht door de brute wijze van overlijden van het slachtoffer en het door de moeder zien van het lichaam van haar overleden zoon, is naar het oordeel van het Gerecht in het licht van de hiervoor genoemde vereisten onvoldoende gesteld, nu uit de rapportage van de psycholoog weliswaar blijkt van ingrijpende rouwverwerking, maar niet van geestelijk letsel. De benadeelde partij kan daarom in de vordering strekkende tot vergoeding van immateriële schade niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tot slot de kosten gevorderd onder post 4, een ticket voor de moeder in verband met ingrijpende rouwverwerking. Daartoe is een verklaring van een psycholoog drs. S. Ebecilio overgelegd. Deze kosten vallen niet onder één van de in artikel 6:108 BW genoemde vorderingen ter zake waarvan een nabestaande zich in het strafproces kan voegen. Voor zover deze vordering moet worden opgevat als een aanspraak op vergoeding van shockschade, geldt hetgeen daarover hierboven is overwogen. Het Gerecht is daarom van oordeel dat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering wegens onvoldoende onderbouwing ervan niet kan worden ontvangen.

Het Gerecht ziet aanleiding ten behoeve van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1

1:124, 1:136 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven weergegeven;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde]geleden schade toe tot een bedrag van NAf 1.999,00 (zegge: duizend negenhonderd negenennegentig gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2019 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk als deelnemer voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde]in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde]de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 1.999,00 (zegge: duizend negenhonderd negenennegentig gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 29 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2019 tot aan de dag van de voldoening;

bepaalt ten aanzien van de benadeelde partij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover een andere deelnemer voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. drs. S.M. van Lieshout, bijgestaan door mr. C. Bernsen, zittingsgriffier, en op 18 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier:

1 HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 (Zwolsman-criterium)

2 HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 (Karman-criterium)

3 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 28 februari 2020, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 202002270800.DOS en de onderzoeksnaam “Solar”.