Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:289

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
CUR202000629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erflater is op 18 mei 2008 overleden. De Inspecteur heeft op 31 oktober 2018 aan de belanghebbenden aanslagen successiebelasting opgelegd. Daartegen is bezwaar gemaakt. Belanghebbenden hebben op 25 februari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. In geschil is of dit beroep tijdig is. Belanghebbenden betogen dat op grond van artikel 31, lid 1 ALL de beroepstermijn twaalf maanden bedraagt, zodat hun beroep tijdig is ingediend. De Inspecteur verdedigt het standpunt dat de zeswekentermijn van artikel 81a Successiebelastingverordening 1908 (SBV) van toepassing is, zodat het beroep niet tijdig is ingediend. Het Gerecht laat art. 81a SBV buiten toepassing. Dit brengt mee dat het beroep tijdig is. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de aanslagen successiebelasting buiten de wettelijke termijn zijn opgelegd en daarom vernietigd moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 december 2020

BBZ nr. CUR202000629

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbenden],

belanghebbenden,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbenden zijn met dagtekening 31 oktober 2018 aanslagen successiebelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van NAf 740.820 elk, resulterend in een verschuldigd belastingbedrag van NAf 37.173 elk.

1.2

Belanghebbenden hebben op 14, 17 en 27 december 2018 tegen de aanslagen bezwaar gemaakt.

1.3

Belanghebbenden hebben op 25 februari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Belanghebbenden hebben daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.4

De Inspecteur heeft op 22 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.

1.5

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020 te Willemstad. Namens belanghebbenden is verschenen [A] van [X] NV. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C].

2 FEITEN

2.1

De vader van belanghebbenden (hierna: erflater) was ingezetene van Curaçao en is op 18 mei 2008 overleden. Belanghebbenden zijn de erfgenamen.

2.2

Belanghebbenden hebben geen aangiften voor de successiebelasting gedaan.

2.3

De Inspecteur heeft met dagtekening 31 oktober 2018 aan de zeven belanghebbenden aanslagen successiebelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van NAf 740.820 elk, resulterend in een verschuldigd belastingbedrag van NAf 37.173 elk. Bij het vaststellen van deze aanslagen is de Inspecteur dus uitgegaan van een totale waarde van de nalatenschap van zevenmaal NAf 740.820, ofwel NAf 5.185.733.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of belanghebbenden tijdig beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het door hen ingediende bezwaarschrift.

3.2

Belanghebbenden betogen dat op grond van artikel 31, lid 1 Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) de beroepstermijn twaalf maanden bedraagt, zodat hun beroep tijdig is ingediend.

3.3

De Inspecteur verdedigt het standpunt dat de zeswekentermijn van artikel 81a Successiebelastingverordening 1908 (hierna: SBV) van toepassing is, zodat het beroep niet tijdig is ingediend.

3.4

In het geval het beroep tijdig is ingediend, dan is tussen partijen niet in geschil dat de aanslagen buiten de wettelijke termijn zijn opgelegd en daarom vernietigd moeten worden.

4 OVERWEGINGEN

Beroep ingevolge ALL of SBV?

4.1

Ingevolge artikel 1, aanhef en letter f ALL gelden de bepalingen van de ALL bij de heffing van successiebelasting als bedoeld in de SBV.

4.2

In artikel 31, lid 1 ALL is bepaald dat binnen twaalf maanden beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

4.3

Ingevolge artikel 81a SBV kan binnen zes weken beroep worden ingesteld tegen een beschikking genomen krachtens de SBV.

4.4

De ALL is afgekondigd op 3 augustus 2001 en inwerking getreden op 18 augustus 2001 (PB 2001, no. 89). Ter toelichting van de invoering van de ALL is het volgende opgemerkt (MvT ALL, 2001, blz. 1):

“Tot nu toe zijn de formele bepalingen met betrekking tot de diverse belastingen opgenomen in de betreffende landsverordeningen (verder te noemen heffingsverordeningen). Daardoor zijn in de loop der jaren verschillen ontstaan in onder meer de toepassing van termijnen voor indiening van aangiftebiljetten en bezwaarschriften, betaling van de belasting, hetgeen onduidelijkheid schept in de uitvoering van de wetgeving.

Een ander bezwaar tegen de verspreiding van de formele bepalingen over de heffingsverordeningen is dat de rechtsbescherming van de belastingplichtige alsmede zijn verplichtingen jegens de Belastingdienst niet voor alle belastingen gelijk zijn geregeld.

De Regering wenst de diverse verschillen op te heffen door de formele bepalingen samen te brengen in de onderhavige ontwerp-Algemene landsverordening Landsbelastingen (verder te noemen ALL). Niet alleen wordt op deze wijze nu de eenheid voor de verschillende heffingsverordeningen hersteld, ook voor de toekomst is eenheid gegarandeerd, doordat een gewijzigd inzicht in bijvoorbeeld de rechtsbescherming door aanpassing van de ALL direct toepassing heeft voor alle belastingen waar de ALL voor geldt.”

4.5

Artikel 81a SBV is ingevoerd bij (artikel III van) de Invoeringsverordening administratieve rechtspraak LAR (PB 2001, no. 80). Deze Invoeringsverordening is afgekondigd op 3 augustus 2001 en inwerking getreden op 1 december 2001. Ter toelichting is het volgende opgemerkt (MvT nr. 3, 1999-2000, 2336, blz. 1-2):

“Zoals reeds opgemerkt, is de LAR niet van toepassing op de belastingrechtspraak en ambtenarenrechtspraak. Bij het bezien van de regelgeving op het terrein van de belastingen en accijnzen bleek echter, dat een aantal landsverordeningen geen beroep openstelt op de Raad van Beroep voor belastingzaken, maar bv. op de Minister van Financiën of de regering, dan wel in het geheel geen beroepsprocedure kent.

Dit zou betekenen dat voor die gevallen automatisch de rechtsgang van de LAR in werking zou treden. Uit een oogpunt van harmonisatie van de belastingrechtspraak is dit echter ongewenst. De artikelen I tot en met VII (…) hebben de strekking de desbetreffende rechtsgang buiten de LAR te houden en zo eenvormig mogelijk onder te brengen bij de belastingrechtspraak, in casu de Raad van Beroep voor belastingzaken.”

4.6

Uit het bepaalde in artikel 1 ALL (zie 4.1) en uit de hiervoor geciteerde parlementaire toelichting (zie 4.4) kan worden afgeleid dat de wetgever met de invoering van de ALL heeft beoogd om de formele bepalingen uit de heffingsverordeningen, waaronder de SBV, samen te brengen in een algemene belastingverordening. In hoofdstuk IV van de ALL zijn de bepalingen van bezwaar en beroep opgenomen, zodat niet valt in te zien waarom in artikel 81a SBV een van de ALL afwijkende beroepsbepaling met een kortere beroepstermijn van zes weken is opgenomen. Dit geldt te meer nu in artikel 81a SBV een beroepsmogelijkheid is opgenomen tegen beschikkingen krachtens de SBV, zonder dat een bezwaarprocedure daaraan voorafgaat. Het ontbreken van een bezwaarprocedure past niet in het systeem van de wet en is bovendien vanuit een oogpunt van rechtsbescherming ongewenst. Bovendien had het voor de hand gelegen dat de wetgever in de parlementaire stukken aandacht eraan had besteed als hij met de invoering van artikel 81a SBV bewust een afwijking van de algemene regels van de ALL voor ogen had, hetgeen niet is gebeurd. Het Gerecht houdt het dan ook ervoor dat de wetgever niet bedoeld heeft om ter zake van beschikkingen ingevolge de SBV een bijzondere, van de ALL afwijkende beroepsmogelijkheid te creëren. Gelet op het vorenstaande laat het Gerecht artikel 81a SBV buiten toepassing.

4.7

Daarbij komt dat in het onderhavige geval artikel 81a SBV hoe dan ook geen toepassing vindt, nu belanghebbenden geen beroep hebben ingesteld tegen een beschikking krachtens de SBV, maar tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Een dergelijk beroep is gegrond op artikel 31, lid 1 in samenhang met artikel 30, lid 2 ALL.

Beroep tegen niet-tijdig beslissen

4.8

De bezwaarschriften tegen de aanslagen zijn op 14, 17 en 27 december 2018 door de Inspecteur ontvangen.

4.9

Ingevolge artikel 30, lid 2 ALL is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 14, 17 en 27 september 2019 een uitspraak heeft gedaan.

4.10

Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 14, 17 en 27 september 2020, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

4.11

Belanghebbenden hebben op 25 februari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Dit beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.12

De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op de bezwaren genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar.

Aanslagtermijn

4.13

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat in het onderhavige geval het recht om een (navorderings)aanslag successiebelasting op te leggen, is komen te vervallen door termijnoverschrijding. Volgens de Inspecteur brengt dit mee dat de aanslagen successiebelasting moeten worden vernietigd. Het Gerecht zal de Inspecteur daarin volgen.

Slotsom

4.14

Gelet op het vorenstaande ziet het Gerecht aanleiding om te oordelen dat de aanslagen successiebelasting vernietigd moeten worden. Doende wat de Inspecteur zou behoren te doen, zal het Gerecht de bezwaren tegen de aanslagen successiebelasting daarom gegrond verklaren.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2

In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

5.3

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700).

5.4

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbenden te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;

- verklaart het bezwaar tegen de aanslagen successiebelasting gegrond;

- vernietigt de aanslagen successiebelasting;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van NAf 1.400; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbenden betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 2 december 2020, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500