Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:28

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
CUR201804256 en CUR201900779
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad door mee te werken aan onttrekken van vermogensbestanddelen teneinde verhaal voor vordering van derde te frustreren; groepsaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak met nummer CUR201804256 van:

[PARTIJ 1],

wonende in Monaco,

eiseres,

gemachtigden: mr. M.W.J.H. Welten en mr. Y.S. Beerepoot.

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

BNP PARIBAS JERSEY TRUST CORPORATION LIMITED,

gevestigd in Jersey,

verweerster,

gemachtigde: mr. W. Princée,

en in de zaak met nummer CUR201900779 van:

de buitenlandse rechtspersoon

BNP PARIBAS JERSEY TRUST CORPORATION LIMITED,

gevestigd in Jersey,

eiseres,

gemachtigde: mr. W. Princée,

tegen

[PARTIJ 1],

wonende in Monaco,

verweerster,

gemachtigden: mr. M.W.J.H. Welten en mr. Y.S. Beerepoot.

Partijen worden aangeduid als BNP en [partij 1].

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop in de zaak met nummer CUR201804256 blijkt uit:

- het verzoekschrift van 14 december 2018, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de e-mail van het gerecht van 2 januari 2020, houdende enkele instructies voor de zitting.

1.2.

Het procesverloop in de zaak met nummer CUR20190079 blijkt uit:

- het verzoekschrift van 28 februari 2019, met producties;

- de akte wijziging van eis, met producties;

- de statement of reply, met producties;

- de e-mail van het gerecht van 2 januari 2020, houdende enkele instructies voor de zitting;

- de Nederlandse vertaling van de statement of reply;

- de aanvullende productie van [partij 1];

- de aanvullende producties van BNP.

1.3.

Beide zaken zijn gelijktijdig ter zitting behandeld op 17 januari 2020. Bij die gelegenheid hebben de gemachtigden pleitaantekeningen overgelegd.

1.4.

Ter zitting is afgesproken dat de stukken in beide procedures geacht moeten worden mede in de andere procedure te zijn overgelegd.

1.5.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

partij 1], op dit moment 48 jaar oud, is één van de twee dochters van [moeder] (hierna: [moeder]), op dit moment 79 jaar oud, en (wijlen) [vader] (hierna: [vader]). De andere dochter is [zuster] (hierna: [zuster]).

2.2.

De familie beschikt over vermogen.

2.3. [

vader] is in 1982 overleden.

2.4.

In 1987 is op verzoek van [moeder] de Grand Trust opgericht. In deze trust is ondergebracht een promissory note met een nominale waarde van USD 45 miljoen, de (indirecte) eigendom van zeven schilderijen van meesters als Van Gogh en Picasso en een beleggingsportefeuille met (in 2010) een waarde van ongeveer USD 100 miljoen.

2.5. [

partij 1] en [zuster] waren voor gelijke delen aangewezen als begunstigden van de Grand Trust.

2.6.

De Grand Trust heeft verschillende trustees gehad, waaronder [moeder] en BNP. Laatstgenoemde was co-trustee tussen 2007 en 2012.

2.7.

Tot het vermogen van [moeder] behoort ook het aandelenkapitaal in de zogenoemde Croci-groep. Topholdingmaatschappij van die groep is de in Curaçao gevestigde vennootschap International Future Ventures & Investments N.V. (hierna: IFVI). Bestuurder van IFVI is [betrokkene].

2.8.

In februari 2010 heeft een herstructurering van het vermogen plaatsgevonden. In dat kader is het grootste deel van het vermogen van de Grand Trust, waaronder de schilderijen, overgedragen aan de op verzoek van [moeder] opgerichte Fortunate Trust. [moeder] is de enige begunstigde van de Fortunate Trust.

2.9.

Vanaf eind 2010/begin 2011 is de relatie tussen enerzijds [moeder] en [partij 1] en anderzijds [zuster] verslechterd.

2.10.

In de Fortunate Trust is sinds juni 2011 de (indirecte) eigendom van 22 (andere dan de hierboven bedoelde) schilderijen van oude meesters ondergebracht.

2.11.

In juni 2011 heeft [moeder] de Fortunate Trust herroepen en de bezittingen van de Fortunate Trust aan zichzelf doen overdragen.

2.12.

Bij de hiervoor bedoelde herstructurering heeft BNP opgetreden als adviseur van [moeder].

2.13.

Op 9 februari 2010 en 30 juni 2011 zijn tussen [moeder] en BNP vrijwaringen tot stand gekomen, op grond waarvan, kort gezegd, BNP als trustee door [moeder] wordt gevrijwaard voor mogelijke claims in verband met de herstructurering uit 2010.

2.14.

Tussen 2011 en 2014 zijn verschillende rechtszaken gevoerd tussen [moeder] en [zuster], onder andere in Nederland, Curaçao, Italië en Frankrijk.

2.15.

Op 18 januari 2013 heeft [zuster] een procedure tegen onder anderen [moeder] en BNP aanhangig gemaakt bij het Royal Court of Jersey. [zuster] heeft hierin gevorderd dat de besluiten uit 2010 nietig worden verklaard en dat de trustees van de Grand Trust worden verplicht om de uit de trust gehaalde vermogensbestanddelen in de trust terug te brengen.

2.16. [

partij 1] was aanvankelijk geen partij in deze procedure. Op 27 maart 2015 is zij als partij bij de procedure betrokken geraakt.

2.17.

Op 6 juli 2015 heeft BNP aan [moeder] kenbaar gemaakt in de procedure in Jersey een vrijwaringsvordering tegen [moeder] te zullen instellen, dit op grond van de in 2.13 bedoelde vrijwaringen. Op 22 oktober 2015 heeft BNP deze vordering tegen [moeder] ingesteld.

2.18.

Verschillende koopovereenkomsten die een datum voeren tussen juli 2015 en juli 2016 behelzen de verkoop van [moeder] aan [partij 1] (dan wel de vennootschap Ruysdael Investments Inc., waarvan [partij 1] de UBO is) van tien of elf schilderijen. Ruysdael heeft de twee door haar gekochte schilderijen volgens een koopovereenkomst gedateerd 18 juli 2016 verkocht aan [partij 1]. Volgens een koopovereenkomst gedateerd 20 juli 2016 heeft [partij 1] negen van deze schilderijen verkocht aan de Nettuno Trust. Op 30 december 2016 heeft Nettuno Trust de tien of elf hier bedoelde schilderijen verkocht aan de vennootschap Matisse Investments Ltd., van wie [partij 1] de UBO is. De schilderijen worden vanaf begin 2017 in opslag bewaard op een locatie in Geneve.

2.19.

Op 4 augustus 2016 heeft het Royal Court of Jersey op verzoek van BNP een zogenoemde World Wide Freezing and Disclosure Order (hierna: WWFDO) gegeven. Deze luidt, voor zover van belang, als volgt:

IT IS HEREBY ORDERED THAT:-

1 Disposal of Assets by the First Defendant[[moeder]; toevoeging gerecht]

(1) Service of this Order of Justice upon the First Defendant shall operate as an immediate interim order restraining her from:

( a) Removing from the Island of Jersey any assets held beneficially by her or over which she has direct or indirect control (to include those assets held by a third party in accordance with the First Defendant's direct or indirect instructions) and which are in the Island of Jersey up to the value of US$ 194,000,000 (one hundred and ninety four million United States dollars); or

( b) In any way disposing of or dealing with or diminishing the value of any assets held beneficially by her or over which she has direct or indirect control (to include those assets held by a third party in accordance with the First Defendant's direct or indirect instructions) in the Island of Jersey or elsewhere whether in her own name or not and whether solely or jointly owned up to the value of US$ 194,000,000 (one hundred and ninety four million United States dollars).

This prohibition includes the following assets in particular:- [volgt onder andere een opsomming van 28 schilderijen, waaronder de in 2.18 bedoelde schilderijen, en het aandelenkapitaal in de Croci-groep; toevoeging gerecht]

[…]

2 Disclosure of Information by the Defendant

The First Defendant shall within twenty one working days of service hereof upon her inform the Third Defendant's Advocate in writing of all, assets owned beneficially by her or from which she is able to benefit or which are under her direct or indirect control (to include those assets held by a third party in accordance with the First Defendant's direct or indirect instructions) in the Island of Jersey or elsewhere whether such are held in her own name or not and whether such are solely or jointly owned. In each case the First Defendant shall give the value, location and details of all such assets. The information must be confirmed in an Affidavit which must be provided to the Third Defendant's Advocate within fifteen working days of service hereof upon the First Defendant.

Deze WWFDO is gegeven op ex parte-basis. De beslissing is op 19 augustus 2016 aan [moeder] betekend.

2.20.

Bij beslissing van 25 november 2016 heeft het Royal Court of Jersey afwijzend beslist op het verzoek van [moeder] om de WWFDO op te heffen.

2.21.

Op 25 november 2016 hebben [moeder] en [partij 1] telefonisch overleg gevoerd met de verzekeraar van veertien van de in de WWFDO genoemde schilderijen in verband met het beoogde transport van die schilderijen van Singapore naar een opslaglocatie in Zürich. De opslag van de schilderijen op de desbetreffende locatie in Singapore was in het verleden begeleid door BNP.

2.22.

Bij uitspraak van 11 september 2017 heeft het Royal Court of Justice uitspraak gedaan in het geschil tussen onder anderen [zuster] als eiseres en onder anderen [moeder], BNP en [partij 1] als verweerders. Het Royal Court heeft onder meer de volgende beslissingen gegeven:

  1. nietigverklaring van de handelingen in het kader van de herstructurering uit 2010;

  2. bevel aan BNP en [moeder] om “jointly and severally” te betalen aan de nieuwe trustee van de Grand Trust een bedrag van USD 100.347.046;

  3. bevel aan [moeder] om BNP schadeloos te stellen “under the two contractual indemnities and under the inherent juridisction of the Court”.

2.23.

Op 11 september 2017 heeft het Royal Court of Jersey tevens een nieuwe WWFDO gegeven. Ten aanzien van [moeder] is deze WWFDO in grote lijnen gelijkluidend aan de beslissing van 4 augustus 2016. De nieuwe WWFDO richt zich mede tot [partij 1], en wel in zoverre dat [partij 1] wordt bevolen om

inform the Third Defendant's [BNP; toevoeging gerecht] Advocate in writing of all assets which they believe, whether on the basis of information held by them or for which they are entitled to call, are owned beneficially by the First Defendant [[moeder]; toevoeging Gerecht] or from which she is able to benefit or which are under her direct or indirect control (to include those assets held by a third party in accordance with the First Defendant's direct- or indirect instructions) in the Island of Jersey or elsewhere whether such are held in her own name or not and whether such are solely or jointly owned. For the avoidance of doubt this includes any asset which is purportedly beneficially owned or controlled directly or indirectly by the Fifth Defendant [[partij 1]; toevoeging gerecht], where it is reasonable to infer that in reality such asset may be held for the benefit of the First Defendant.

2.24.

BNP heeft de nieuwe trustee van de Grand Trust het door het Royal Court bepaalde bedrag betaald. [moeder] heeft aan BNP geen betaling gedaan uit hoofde van de door het Royal Court bevolen vrijwaring.

2.25.

Op 23 februari 2018 heeft BNP de rechter in Miami verzocht beslag te mogen leggen op zeven van de in de WWFDO genoemde schilderijen die zich in Miami bevinden. Dit verzoek is gehonoreerd. Tegen het beslag is bezwaar gemaakt door Apollo Trust, die bij monde van haar trustee United International Trust N.V. en/of United Trust Company N.V. (hierna United c.s.) en vertegenwoordigd door hun bestuurder [betrokkene], heeft aangevoerd dat zij de eigenaar is van de schilderijen. Bij uitspraak van 4 november 2018 heeft de rechter in Miami dit bezwaar afgewezen.

2.26.

Van de in 2.22 bedoelde uitspraak zijn onder anderen BNP en [partij 1] in hoger beroep gekomen. Bij uitspraak van 25 juli 2018 heeft het Court of Appeal het hoger beroep van [partij 1] ongegrond verklaard. Het hoger beroep van BNP is gegrond verklaard, in zoverre dat BNP slechts verplicht is de (trustee van de) Grand Trust te compenseren voor zover het gaat om het fonds dat aan [zuster] toekwam. BNP behoeft geen compensatie te betalen voor het deel van de Grand Trust dat aan [partij 1] toekwam. Daartoe heeft het Court of Appeal overwogen:

[partij 1] was not a trustee, but [moeder] and [partij 1] were acting together dishonestly in setting up breaches of trust. As matter of law [partij 1]'s actions might be characterised as knowing assistance in breach of trust. […]

Furthermore, on any view, the findings which the Royal Court has made on the facts support the conclusion that on the balance of probabilities [partij 1] can anticipate receiving, if she has not already received, the preponderance of the assets obtained from the Grand Trust by [moeder]. In those circumstances, it would be inequitable as between BNP Jersey and [partij 1] for [partij 1] to receive 150% of the assets which she might legitimately have expected - all those appointed out to [moeder] in breach of trust (including [zuster]'s half share as well as her own) and those in her fund as reconstituted by BNP Jersey, if the court were to make such an order. In our judgment these considerations are further support for treating [partij 1]'s trust as having been paid out […].

2.27. [

partij 1] heeft toestemming verzocht om van de uitspraak van het Court of Appeal in beroep te kunnen gaan bij de Privy Council van het Verenigd Koninkrijk. Deze toestemming is op 6 november 2019 geweigerd.

2.28.

Op 17 oktober 2018 heeft BNP het gerecht alhier verlof gevraagd om conservatoir verhaalsbeslag te mogen leggen op aandelen IFVI en vorderingen op IFVI ten laste van (onder anderen) [moeder], [partij 1] en Apollo Trust. Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft het gerecht het gevraagde verlof grotendeels verleend.

2.29.

Eveneens op 17 oktober 2018 heeft BNP het gerecht verlof gevraagd om bewijsbeslag te mogen leggen ten laste van [moeder], [partij 1], Apollo Trust en United c.s. op nader omschreven bescheiden. Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft het gerecht het gevraagde verlof grotendeels verleend.

2.30.

Bij vonnis in kort geding van 12 februari 2019 (ECLI:NL:OGEAC:2019:120) heeft dit gerecht IFVI en United c.s. veroordeeld tot afgifte van de onder het bewijsbeslag beslagen bescheiden over de periode vanaf 6 juli 2015. Ook heeft het gerecht [moeder], [partij 1] en Apollo bevolen om een en ander te gedogen. Van dit vonnis is appel ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof. Op dit appel is nog niet beslist.

2.31.

Op 15 maart 2019 heeft BNP de rechter in Geneve verzocht beslag te mogen leggen op de in 2.21 bedoelde schilderijen die in Zwitserland worden bewaard. Dit verlof is verleend. Bij vonnis van 23 december 2019 heeft de rechter in Geneve het bezwaar van [partij 1] en van de nieuwe trustee van de Nettuno Trust gegrond verklaard en het beslag op de schilderijen opgeheven.

2.32.

Bij beschikking van 29 augustus 2019 heeft dit gerecht het Jersey-vonnis van 11 september 2017 en de WWFDO erkend en aan BNP verlof verleend om deze uitspraken jegens [moeder] ten uitvoer te leggen.

2.33.

Bij uitspraak van 7 oktober 2019 heeft het Royal Court of Jersey op vordering van BNP geoordeeld dat [partij 1] in “contempt of Court” is voor wat betreft de nakoming van haar disclosure-verplichting uit hoofde van de WWFDO.

3 Het geschil

3.1. [

partij 1] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het volgende:

I

te verklaren voor recht dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door in de bij uw Gerecht op of omstreeks 17 oktober 2018 ingediende verzoekschriften en de daarbij overgelegde producties, welke verzoekschriften onder meer strekken tot het doen leggen van conservatoire

(bewijs-)beslagen ten laste van eiseres,

(i) op eiseres betrekking hebbende onjuistheden te debiteren en

(ii) zich jegens eiseres op diffamerende wijze uit te (doen) laten;

II

te verklaren voor recht dat gedaagde ten onrechte (bewijs-)beslagen ten laste van eiseres heeft

doen leggen;

III

de ten laste van eiseres gelegde beslagen op te heffen;

IV

primair

gedaagde te bevelen zich jegens eiseres te onthouden van het (doen) leggen van (conservatoire) beslagen op vermogensbestanddelen haar direct of indirect in eigendom toebehorende, zowel in Curacao als in alle andere jurisdicties

subsidiair

gedaagde te bevelen zich jegens eiseres te onthouden van het (doen) leggen van (conservatoire) beslagen op vermogensbestanddelen haar direct of indirect in eigendom toebehorende, zowel in Curacao als in alle andere jurisdicties, zonder op voorhand de bevoegde gerechten op voorhand van feitelijk juiste informatie te voorzien waar het de positie van eiseres betreft, en - indien gedaagde zich tot dergelijke gerechten mocht wenden nadat te dezen vonnis is gewezen - zonder afschrift te verstrekken van het door uw Gerecht te dezen te wijzen vonnis,

in beide gevallen op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAF 2.500.000 voor ieder handelen in strijd met het te geven bevel alsmede op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAF 250.000 voor iedere dag dat het handelen in strijd met het gegeven bevel voortduurt;

V

Gedaagde te bevelen aan eiseres een lijst te verstrekken van alle partijen, met inbegrip van rechterlijke autoriteiten, die door gedaagde in kennis zijn gesteld van de door gedaagde ten laste van eiseres gelegde beslagen en wel binnen acht dagen nadat te dezen vonnis zal zijn gewezen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAF 250.000 voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

VI

Gedaagde te bevelen een rectificatie te zenden aan alle partijen die door gedaagde in kennis zijn gesteld van de door gedaagde ten laste van eiseres gelegde beslagen, en wel binnen vijftien dagen nadat te dezen vonnis zal zijn gewezen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAF 250.000 voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

VII

Gedaagde te bevelen zich te onthouden van het (laten) doen van diffamerende uitlatingen ten

aanzien van eiseres, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAF 250.000 voor iedere uitlating in strijd met het te geven rechterlijk bevel nadat twee dagen zijn verstreken sedert de datum waarop te dezen vonnis zal zijn gewezen;

VIII

Gedaagde te veroordelen aan eiseres de materiële en immateriële schade te vergoeden die eiseres zowel direct als indirect heeft geleden en zal lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regelen der wet;

een en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding, alsmede in de wettelijke rente over de kosten, voor zover deze niet door gedaagde zijn voldaan binnen twee dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

BNP vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis het volgende:

A. Te verklaren voor recht dat [partij 1] (hoofdelijk) aansprakelijk is voor alle schade, althans een deel van de schade, die BNP heeft geleden en nog zal lijden doordat het BNP onmogelijk wordt gemaakt zich te verhalen op bezittingen (die voorheen) van [moeder] (waren);

B. [partij 1] te veroordelen aan BNP te betalen USD 105.275.090,52 en GBP 9.967.952,46, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met (i) rente van 2% per dag en 0,75% per dag te rekenen vanaf het moment van indiening van het inleidend verzoekschrift en (ii) kosten, waaronder GBP 10,595,000 te vermeerderen met de kosten tot en met de dag dat een eindvonnis in deze zaak wordt gewezen;

C. [partij 1] te veroordelen om aan BNP, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen de kosten van deze procedure, het conservatoir beslag alsmede de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen 14 dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis.

3.3.

Partijen voeren over en weer verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de wederpartij in de proceskosten.

3.4.

Het gerecht ziet aanleiding om eerst de vorderingen in de (later) begonnen procedure met nummer CUR201900779 te beoordelen.

4 De beoordeling

4.1.

De (internationale) bevoegdheid van het gerecht staat niet ter discussie. Partijen hebben gekozen voor toepasselijkheid van het recht van Curaçao.

in de zaak met nummer CUR201900779

4.2.

De vordering van BNP is in de eerste plaats gebaseerd op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en op groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW). [partij 1] heeft volgens BNP onrechtmatig gehandeld door met [moeder], United c.s. en [betrokkene] samen te werken bij het ‘verstoppen’ van vermogensbestanddelen van [moeder]. [partij 1] werkt er actief aan mee dat goederen (daadwerkelijk of schijnbaar) aan het vermogen van [moeder] worden onttrokken, zodat verhaal op die goederen door BNP onmogelijk wordt gemaakt. Bovendien heeft [partij 1] gehandeld in strijd met haar disclosure-verplichting uit de WWFDO. Ook is [partij 1] volgens BNP ongerechtvaardigd verrijkt (artikel 6:212 BW). Ingevolge de Jersey-vonnissen heeft BNP de (trustee van de) Grand Trust gecompenseerd voor de vermogensbestanddelen die in 2010 uit de Grand Trust zijn gehaald. Een deel van die bestanddelen behoort inmiddels (direct of indirect) tot het vermogen van [partij 1], terwijl zij als begunstigde van de Grand Trust ook profiteert van de door BNP betaalde compensatie.

4.3.

Het verwijt van BNP aan het adres van [moeder] en [partij 1] is in wezen paulianeus van aard. Volgens BNP heeft [moeder] immers door tal van rechtshandelingen vermogensbestanddelen buiten haar eigen vermogen gebracht om verhaalsmogelijkheden van BNP te frustreren. [moeder] wist dus dat BNP door deze rechtshandelingen benadeeld zou worden, sterker nog: dat was de bedoeling (vergelijk artikel 3:45 lid 1 BW). Volgens BNP heeft [partij 1] daaraan willens en wetens meegewerkt (vergelijk artikel 3:45 lid 2 BW). Het gerecht wijst in dit verband op het vermoeden van artikel 3:46 lid 1 sub 3 BW, op grond waarvan de aldaar bedoelde rechtshandelingen onder omstandigheden worden vermoed paulianeus te zijn als zij zijn verricht tussen een ouder en kind. De vernietigbaarheid van een paulianeuze rechtshandeling staat aan een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad niet in de weg (HR 28 juni 1957, NJ 1957/514).

4.4.

BNP beroept zich op groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. Die bepaling voorziet in een regeling voor individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen voor onrechtmatig vanuit die groep toegebrachte schade. Van een groep is sprake indien zowel objectief (tussen de gedragingen) als subjectief (tussen de personen) een zekere samenhang bestaat. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatige handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband (HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914). In het kort gelden de volgende vereisten voor toepasselijkheid van artikel 6:166 BW:

1. er was een bewust gezamenlijk optreden van de verschillende deelnemers die ieder een bijdrage hebben geleverd aan gedragingen die een gevaar voor schade hebben doen ontstaan;

2. de deelnemer had de kans op het toebrengen van de schade behoren te voorzien en dit had hem van het deelnemen moeten weerhouden;

3. het deelnemen kan de deelnemer worden toegerekend; en

4. er was sprake van onrechtmatig handelen jegens de benadeelde en daardoor is de schade ontstaan.

4.5.

Bij de beoordeling van de vordering van BNP op [partij 1] stelt het gerecht het volgende voorop. De stellingen van BNP gaan uit van opzet tot benadeling aan de zijde van [partij 1] respectievelijk van de groep (BNP spreekt immers van een samenzwering van [partij 1] met onder anderen [moeder]). In het navolgende zal dus moeten worden beoordeeld of die opzet aanwezig is. Indien die opzet tot benadeling aanwezig is, is daarmee ook de onrechtmatigheid gegeven. Het gaat hier, volgens BNP, om handelingen die erop gericht zijn vermogensbestanddelen te verstoppen, zodat een schuldeiser zich daarop niet kan verhalen, hoewel zijn vordering vast staat en ook door een rechter is beoordeeld en vastgesteld. In die omstandigheden is dergelijk handelen naar het oordeel van het gerecht onrechtmatig, in de zin van strijdig met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. In dit verband merkt het gerecht op dat, zoals BNP onbetwist heeft gesteld, de betalingsverplichting van [moeder] jegens BNP uit hoofde van het vonnis van de rechter in Jersey van 11 september 2017 inmiddels onaantastbaar is.

4.6. [

partij 1] heeft veel aandacht besteed aan de rol die BNP heeft gespeeld bij de herstructurering van 2010. [partij 1] meent dat voor het antwoord op de vraag of zij onrechtmatig heeft gehandeld van belang is dat BNP zelf de herstructurering van 2010 heeft begeleid en volgens [partij 1] zelfs heeft geïnitieerd. Zij is volgens [partij 1] dus een van de hoofdschuldigen aan de financiële gevolgen daarvan. Dit betoog is naar het oordeel van het gerecht niet relevant. De rol van BNP bij de herstructurering doet niet af aan de (door de rechter in Jersey uitgesproken) verplichting van [moeder] om BNP schadeloos te stellen. Met die laatste verplichting houdt de eventuele aansprakelijkheid van [partij 1] verband.

4.7.

Ter onderbouwing van de gestelde opzet van ([moeder] en anderen en) [partij 1] tot benadeling heeft BNP gewezen op de volgende omstandigheden:

  1. (een gesprek met de verzekeraar over) de verplaatsing van veertien schilderijen die vielen onder het freezing-bevel van de WFDDO van Singapore naar Zürich;

  2. de (vermeende) overdracht van zeven WFDDO-schilderijen aan Apollo Trust vanaf december 2016 en de verplaatsing van die schilderijen naar Miami in 2017;

  3. de (vermeende) overdracht van tien WWFDO-schilderijen van [moeder] aan [partij 1] tussen juli 2015 en juli 2016 en de (vermeende) overdracht van acht van die schilderijen aan Nettuno Trust in december 2016, alsmede de bewaring van die schilderijen in Geneve;

  4. e herstructurering van de Croci Groep en de uitgifte van aandelen door IFVI vanaf december 2017;

  5. de wijzigingen van de huurovereenkomsten ter zake twee appartementen in Monaco en Parijs in september 2017, met als gevolg dat [partij 1] en niet [moeder] wordt vermoed de eigenaar van de inboedel te zijn;

  6. het handelen in strijd met de disclosure-orders.

ad a

4.8.

Vast staat dat veertien WWFDO-schilderijen op enig moment van Singapore naar Zürich zijn verplaatst, hoewel dat ([moeder]) verboden was onder de WWFDO. [partij 1] was daarbij betrokken, omdat zij, in aanwezigheid van [moeder], over deze verplaatsing op 25 november 2016 telefonisch heeft gesproken met de verzekeraar van de schilderijen. Dit was op dezelfde dag als die waarop het Royal Court of Jersey afwijzend had beslist op het bezwaar van [moeder] tegen de ex parte-WWFDO van 4 augustus 2016. BNP was bekend met de locatie van de schilderijen in Singapore. BNP heeft gesteld, onderbouwd met een mail van de verzekeraar, dat [moeder] en [partij 1] tijdens het gesprek aanvankelijk de nieuwe locatie van de schilderijen niet wilden prijsgeven. [moeder] en [partij 1] gaven hun gesprekspartner “a feeling that they are trying to sell the works or they are moving the items so the other daughter doesn’t know where they are” (productie 6 bij antwoord in procedure CUR201804256). BNP ziet deze betrokkenheid van [partij 1] en de timing van een en ander als aanwijzing voor de gestelde opzet van [moeder] en [partij 1] om verhaalsmogelijkheden van BNP te frustreren.

4.9. [

partij 1] stelt dat haar rol bij het telefoongesprek met de verzekeraar beperkt was tot die van vertaler voor haar moeder. Verder heeft zij gesteld dat vijf van de veertien schilderijen haar eigendom zijn, verkregen tussen oktober 2015 en april 2016. Twee van de schilderijen zijn eigendom van Ruysdael, die deze eigendom verkreeg in december 2016. De overige zeven schilderijen zijn eigendom van [moeder]. Het verplaatsen van de schilderijen van de ene naar de andere opslagplaats heeft volgens [partij 1] niets te maken met het verstoppen van vermogen.

ad b

4.10.

Vast staat dat zeven schilderijen, genoemd in de WWFDO, zich in Miami bevinden. BNP heeft beslag gelegd op die schilderijen. Naar aanleiding daarvan heeft [betrokkene] namens de trustees van de Apollo Trust gesteld dat laatstgenoemde de eigenaar is van de schilderijen en dat zij de eigendom (al) in december 2015 heeft verkregen. De rechter in Miami heeft dit betoog afgewezen en heeft geoordeeld dat Apollo en [moeder] actief samenwerken. BNP heeft, met verwijzing naar een door [betrokkene] ondertekend stuk, gesteld dat het vermoeden bestaat dat [moeder] de desbetreffende schilderijen (pas) vanaf eind 2016 in de Apollo Trust heeft ondergebracht, dus na de uitvaardiging van de WWFDO. Met verwijzing naar verschillende stukken heeft BNP gesteld dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat [moeder], [partij 1], haar kinderen en haar echtgenoot in verschillende periodes begunstigden waren (of zijn) van de Apollo Trust en dat verschillende in dit verband relevante besluiten zijn geantedateerd om de schijn te wekken dat zij dateren van vóór de WWFDO. Bij de hiermee verband houdende handelingen is [partij 1] steeds intensief betrokken geweest, aldus BNP.

4.11. [

partij 1] heeft ter betwisting aangevoerd dat zij niet wist wat er in de Apollo Trust omging. Zij heeft slechts, “as all children would normally do” en “as a gesture of thanks toward her mother”, ingestemd met het verzoek van [moeder] om op te treden als protector van de trust. Voor wat betreft de schilderijen van haarzelf en van Ruysdael heeft [partij 1] gesteld dat die eigendom is verkregen ruimschoots voor de inwerkingtreding van de WWFDO en dat zij een marktconforme prijs heeft betaald.

ad c

4.12.

Vast staat dat tien van de in de WWFDO genoemde schilderijen zich in Geneve bevinden. De schilderijen worden daar gehouden in opdracht van Matisse Investments Ltd., eigendom van [partij 1]. De schilderijen waren in het verleden ondergebracht in de Fortunate Trust. Uitgaande van de op de contracten vermelde data, hebben [moeder] en [partij 1] na de aankondiging van de vrijwaringsvordering van BNP tegen [moeder] ter zake de schilderijen koopovereenkomsten gesloten die ertoe zouden hebben geleid dat de schilderijen aan [partij 1] en aan Ruysdael zijn overgedragen. Acht van de tien schilderijen zijn ondergebracht in de Nettuno Trust. [partij 1] is de protector en de enige begunstigde van de Nettuno Trust. Volgens BNP bestaat het vermoeden dat [partij 1] voor de schilderijen in totaal USD 12,2 miljoen heeft betaald, terwijl de schilderijen op meer dan USD 30 miljoen zijn getaxeerd. Het vermoeden bestaat, volgens BNP, dat verschillende stukken zijn geantedateerd, zodat het lijkt alsof de transacties dateren van voor de afkondiging van de WWFDO.

4.13. [

partij 1] heeft betwist dat er enig verband is tussen de overdracht van de schilderijen door [moeder] aan [partij 1] en de vordering van BNP op [moeder]. De koopprijs kan worden verklaard door de matige staat waarin de schilderijen zich bevinden. Bovendien zijn de schilderijen geen gewilde objecten in de kunstmarkt. Alle schilderijen zijn door [moeder] verkocht vóór 19 augustus 2016, dus voordat de WWFDO werd betekend. Dat daarna de schilderijen op andere entiteiten zijn overgegaan, zoals Nettuno, Ruysdael of Matisse, is niet van belang. [partij 1] was immers vrij om te beschikken over de door haar gekochte schilderijen. De WWFDO had slechts betrekking op de activa van [moeder], niet op die van [partij 1].

ad d

4.14.

In haar akte wijziging van eis is BNP uitvoerig ingegaan op de structuur van de Croci-Groep en de herstructurering daarvan in de jaren voor 2014. Die herstructurering heeft ertoe geleid dat, waar aanvankelijk uitsluitend [moeder] de belanghebbende bij de groep was, uiteindelijk ook [partij 1] voor 49% in de groep participeerde. Onverminderd een aandelenuitgifte in 2017 zijn [moeder] en [partij 1] thans nog altijd de uiteindelijk belanghebbenden bij de groep. BNP stelt dat de herkomst van een (indirect) door [partij 1] aan de Croci-groep verstrekte aandeelhouderslening “niet duidelijk” is en dat het “goed mogelijk” is dat die middelen afkomstig zijn uit het vermogen van de Grand Trust. Volgens BNP toont een en ander aan dat [partij 1] namens zichzelf maar ook als “alter ego” van [moeder] bij de Croci-groep betrokken is. Het is “mogelijk”, aldus BNP, dat [moeder] in samenwerking met [partij 1] en de trustkantoren in de Croci-groep bezittingen verborgen houdt.

4.15. [

partij 1] heeft erop gewezen dat de herstructurering van de Croci-groep is gerealiseerd ruimschoots voordat BNP is begonnen met haar vordering tegen [moeder]. Voor het overige heeft [partij 1] betwist dat de middelen van de aandeelhouderslening afkomstig zijn uit vermogen van de Grand Trust.

ad e

4.16.

BNP heeft onbetwist gesteld dat [moeder] en [partij 1] samen een appartement in Monaco huurden. Op 25 september 2017, dat wil zeggen twee weken na het Jersey-vonnis, heeft [moeder] zich terug getrokken als huurder. Naar het recht van Monaco wordt de huurder vermoed eigenaar te zijn van de roerende zaken die zich in het gehuurde bevinden. Het gevolg van de terugtreding van [moeder] als huurder was dus dat zij niet langer werd vermoed (mede-)eigenaar van de inboedel te zijn. In zoverre werd BNP door deze actie gehinderd in haar verhaalsmogelijkheden jegens [moeder]. Verder heeft BNP gesteld dat op 28 september 2017 een huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen [moeder] als verhuurder en [partij 1] als huurder ter zake een appartement in Parijs. Omdat naar Frans recht hetzelfde bewijsvermoeden geldt, is BNP ook door deze handelwijze in haar verhaalsmogelijkheden belemmerd.

4.17.

De wijziging van de huurovereenkomst in Monaco en de totstandkoming van de huurovereenkomst in Parijs zijn als zodanig niet door [partij 1] betwist. De enige reden die [moeder] had om zich terug te trekken uit de Monegaskische huurovereenkomst was volgens [partij 1] gelegen in de omstandigheid dat zij niet langer de huur kon voldoen. Schuldeisers zijn daardoor logischerwijs niet benadeeld. Het door BNP genoemde bewijsvermoeden staat er volgens [partij 1] niet aan in de weg dat het BNP vrij staat om te proberen te bewijzen dat de inboedel eigendom is van [moeder]. In de appartementen bevinden zich volgens [partij 1] overigens geen waardevolle roerende zaken. De aanwezige schilderijen zijn replica’s van de in de WWFDO genoemde schilderijen, waarvan de originelen zich in Geneve bevinden. De overige inboedel is grotendeels eigendom van de echtgenoot van [partij 1].

ad f

4.18.

Op grond van de WWFDO is [partij 1] verplicht informatie te verstrekken over de bezittingen van [moeder]. BNP stelt dat [partij 1] zich niet aan die verplichting houdt. Zij verwijst daartoe onder andere naar de uitspraak van 7 oktober 2019, waarin de rechter in Jersey heeft geoordeeld dat [partij 1] niet volledige openheid van zaken heeft gegeven en zich daarom heeft schuldig gemaakt aan “contempt of Court”. BNP ziet dit als bewijs voor haar standpunt dat [partij 1] met [moeder] onder één hoedje speelt om vermogen van [moeder] te verstoppen.

4.19. [

partij 1] heeft betwist dat zij haar verplichtingen uit de WWFDO niet is nagekomen. Zij voert aan dat zij met haar bij de rechter in Jersey overgelegde verklaringen alles wat zij weet heeft vermeld.

4.20.

Het gerecht overweegt naar aanleiding van bovenstaande uiteenzetting als volgt.

4.21.

Als onbetwist moet worden aangenomen dat [moeder] (niet eerder dan) vanaf juli 2015 is begonnen met het afstoten van vermogensbestanddelen. Het ging hier concreet om schilderijen, waarvan de waarde in de tientallen miljoenen dollars loopt. De timing is relevant, omdat BNP op 6 juli 2015 heeft aangekondigd tegen [moeder] een vrijwaringsprocedure te zullen beginnen binnen het kader van de lopende procedure bij de rechter in Jersey. Onder anderen [partij 1] was bij deze transacties van aanvang af in verschillende rollen betrokken (als koper, UBO van de betrokken vennootschappen, protector en/of begunstigde van de betrokken trust). BNP heeft er uitdrukkelijk op gewezen dat niet is gebleken van enige rechtens aanvaardbare reden voor al deze transacties. In de processtukken heeft het gerecht niets aangetroffen dat zou kunnen gelden als (begin van) een dergelijke reden. Naar het oordeel van het gerecht had van [partij 1] verwacht mogen worden met iets van een verklaring op dit punt te komen. BNP beschuldigt [partij 1] immers van een samenzwering met [moeder] om verhaal door BNP te frustreren, onder andere door kostbare schilderijen van de hand te doen. Het bij uitstek te voeren verweer daartegen zou zijn te wijzen op andere – aanvaardbare – redenen die [moeder] heeft gehad om de schilderijen te verkopen. Juist omdat [partij 1] steeds op enigerlei wijze bij de diverse transacties betrokken is geweest en bovendien uit de stukken blijkt dat zij en [moeder] nauw met elkaar verbonden zijn, moet aangenomen worden dat het voor [partij 1] mogelijk was in dit verband feiten te stellen, indien die er waren geweest. Dat heeft zij niet gedaan.

4.22.

Gelet op de timing (het afstoten van vermogen na ontvangst van de aankondiging van de vrijwaringsprocedure) en het klaarblijkelijk ontbreken van enigerlei rechtens aanvaardbare reden hiervoor, moet naar het oordeel van het gerecht worden aangenomen dat de transacties bedoeld waren om dat vermogen buiten het zicht van BNP te brengen en daarmee verhaal van BNP voor haar vordering op [moeder] te frustreren. De verschillende gedragingen strekten dus tot benadeling van BNP als schuldeiser van [moeder]. In zoverre moet bij de verdere beoordeling uitgangspunt zijn dat [moeder] onrechtmatig jegens BNP heeft gehandeld. Voor dit onrechtmatig handelen had [moeder] de medewerking van onder anderen [partij 1] nodig. In zoverre is sprake geweest van handelen in groepsverband als bedoeld in artikel 6:166 BW. [moeder] en (onder anderen) [partij 1] hebben immers bewust samengewerkt om de vermogensverschuivingen te realiseren.

4.23. [

partij 1] heeft aangevoerd dat zij een marktconforme prijs heeft betaald voor de schilderijen. Voor zover zij hiermee bedoelt te betogen dat de transacties niet hebben geleid tot vermindering van het vermogen van [moeder] en dus niet tot benadeling van BNP, verwerpt het gerecht dat standpunt. Het gaat hier niet om de vraag of het vermogen van [moeder] in economische zin gelijk is gebleven, het gaat erom of de transacties juridisch of feitelijk een belemmering voor verhaal door BNP hebben opgeworpen. Dat kan ook het geval zijn als waardevolle roerende zaken (zoals schilderijen van oude meesters), waarvan de locatie bekend is en ook overigens moet worden aangenomen dat ze deugdelijk zijn gedocumenteerd, worden ‘omgeruild’ tegen een geldbedrag, waarvan vervolgens onbekend blijft waar dat wordt bewaard. Tegen deze achtergrond is de enkele stelling van [partij 1] dat zij een marktconforme prijs heeft betaald onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat BNP door de transacties niet is benadeeld.

4.24.

BNP meent overigens dat de betrokken schilderijen niet werkelijk het vermogen van [moeder] hebben verlaten, omdat de onderhavige transacties als schijnhandelingen moeten worden aangemerkt. Dat standpunt is door de rechter in Geneve in zijn vonnis van 23 december 2019 verworpen. Naar het oordeel van het gerecht kan dit echter in het midden blijven. Ook als sprake is geweest van daadwerkelijke eigendomsoverdracht van de schilderijen, dan laat dat onverlet dat die gedragingen klaarblijkelijk ten doel hadden om het verhaal op die schilderijen door BNP te frustreren – en in die opzet schuilt de onrechtmatigheid van het handelen van [moeder].

4.25.

Om ook onrechtmatig handelen van [partij 1] te kunnen aannemen is nodig dat zij wist of behoorde te weten dat de transacties beoogden BNP te benadelen (vergelijk artikel 3:45 lid 2 BW). Als dat moet worden aangenomen, dan geldt dat [partij 1] van het meewerken aan de transacties had moeten afzien en moet dat meewerken aan haar worden toegerekend als bedoeld in artikel 6:166 BW. Hieromtrent overweegt het gerecht het volgende.

4.26.

Op basis van de stukken kan gevoeglijk worden aangenomen dat [moeder] en [partij 1] nauw met elkaar verbonden zijn. Deze nauwe verbondenheid komt op verschillende plaatsen in de processtukken tot uitdrukking en wordt ook bevestigd door een deel van de in dit vonnis vastgestelde feiten. De nauwe band tussen moeder en dochter vindt bevestiging in het oordeel van het Court of Appeal in Jersey dat [moeder] en [partij 1] in het verleden “dishonestly” hebben samengewerkt om [zuster] te benadelen. Bij een dergelijke nauwe band ligt niet direct voor de hand om aan te nemen dat [partij 1] in het geheel geen weet heeft gehad van de werkelijke bedoelingen van [moeder] bij de in 4.21 bedoelde transacties met betrekking tot de schilderijen (vergelijk het rechtsvermoeden van artikel 3:46 lid 1 onder c BW).

4.27.

In het concrete geval kan dit vanzelfsprekend allemaal anders liggen, maar dan zou voor de hand hebben gelegen dat [partij 1] daaromtrent iets had gesteld. Te denken valt aan stellingen ten aanzien van de redenen die zij heeft gehad om vanaf juli 2015 ongeveer tien waardevolle schilderijen van haar moeder te kopen. Die redenen kunnen van zeer uiteenlopende aard zijn, maar [partij 1] heeft niets op dat punt naar voren gebracht, anders dan de opmerking dat zij “as a gesture of thanks towards her mother” is ingegaan op haar verzoek om aan de overdracht van de schilderijen mee te werken. Waar de aard van de beschuldiging aan haar adres (willens en wetens meewerken aan benadeling van een schuldeiser van haar moeder) noopt tot een betwisting van haar wetenschap en die betwisting vervolgens achterwege blijft althans niet concreet wordt, kan in beginsel niet anders worden geconcludeerd dan dat [partij 1] met de bedoelingen van haar moeder bekend was. In elk geval had zij die bedoelingen behoren te kennen, nu zij eerder al – volgens de rechter in Jersey – “dishonestly” met [moeder] heeft samengewerkt en er naar eigen zeggen desondanks voor heeft gekozen om zonder vragen te stellen (“unquestioningly”) bij de verkoop van de schilderijen met haar moeder in zee te gaan. Onvoldoende is in dit verband de stelling van [partij 1] dat de aankondiging van de vrijwaringsprocedure van BNP op 6 juli 2015 niet aan haar is gestuurd (maar uitsluitend aan [moeder]). Bekendheid met de bedoelingen van [moeder] kan immers op vele manieren zijn ontstaan. Ontvangst van de aankondiging van BNP is daarvoor niet vereist. Ook is niet van belang dat, zoals [partij 1] ter zitting heeft betoogd, zij en haar moeder niet kunnen worden vereenzelvigd. Het gaat hier niet om vereenzelviging, maar om de wetenschap die [partij 1] heeft gehad of behoorde te hebben van de redenen voor de transacties.

4.28.

De latere gang van zaken bevestigt het gerecht in deze beoordeling. Aangenomen dat [partij 1] destijds niet op de hoogte was van de eerste (ex parte) WWFDO van 4 augustus 2016 noch van de verwerping van het bezwaar daartegen op 25 november 2016, dan is zij van de WWFDO toch ten minste op de hoogte geraakt ter gelegenheid van het eindvonnis van het Royal Court of Jersey op 11 september 2017. Zou een en ander toen een verrassing zijn geweest voor [partij 1], dan zou voor de hand hebben gelegen dat zij een pas op de plaats zou hebben gemaakt voor wat betreft de samenwerking met [moeder] voor zover die zou kunnen leiden tot benadeling van BNP. Dat heeft zij niet gedaan. Slechts enkele weken na de WWFDO hebben [moeder] en [partij 1] nieuwe afspraken gemaakt met betrekking tot de huur van de appartementen in Monaco en Parijs. Die afspraken hebben er onbetwist toe geleid dat de inboedel van de appartementen rechtens niet langer vermoed werd (mede) eigendom van [moeder] te zijn. Per saldo is de verhaalspositie van BNP daardoor dus verslechterd. Hieraan doet niet af dat BNP in rechte kan proberen aan te tonen dat de inboedel eigendom van [moeder] is. Een verslechterde bewijspositie (met dus een groter bewijsrisico) is ook een vorm van benadeling. Het doet er niet toe of deze acties nu wel of niet tot schade voor BNP hebben geleid. Hier van belang is dat [partij 1] in de beslissingen van 11 september 2017 kennelijk geen reden tot terughoudendheid heeft gezien, hetgeen er naar het oordeel van het gerecht op wijst dat [partij 1] ook eerder al bekend was met de ware bedoelingen van [moeder].

4.29.

Al met al komt het gerecht tot het oordeel dat [partij 1] vanaf juli 2015 wist of moet hebben geweten van de bedoeling van [moeder] om BNP in diens verhaalsmogelijkheden te benadelen. Aan (tegen)bewijslevering komt het gerecht niet toe, nu geen feiten zijn gesteld die, indien aannemelijk gemaakt, deze conclusie kunnen ontzenuwen. Dit betekent dat [partij 1] van haar medewerking aan de verschillende transacties had moeten afzien. Door dat niet te doen heeft zij onrechtmatig jegens BNP gehandeld. Deze gedragingen moeten haar worden toegerekend. Zij is daarom met [moeder] hoofdelijk aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door BNP geleden schade. De hiertoe strekkende verklaring voor recht zal worden gegeven.

4.30.

De schade waarover het hier gaat is de schade die het gevolg is van, kort gezegd, het onrechtmatig frustreren van verhaalsmogelijkheden van BNP. De door [partij 1] te vergoeden schade moet van die onrechtmatige daad het gevolg zijn. Dat is niet noodzakelijkerwijs en ook niet in beginsel hetzelfde bedrag als dat van de vordering van BNP op [moeder] uit hoofde van het Jersey-vonnis. BNP kan daarom niet worden gevolgd in haar kennelijke standpunt dat de schade als gevolg van het onrechtmatig handelen gelijk is aan het bedrag dat zij uit hoofde van het Jersey-vonnis heeft betaald. Het gerecht constateert dat het partijdebat tot nu toe nog niet of nauwelijks over de omvang van de door [partij 1] te vergoeden schade is gegaan. Omdat op zichzelf wel aannemelijk is dat BNP enige schade heeft geleden, zal het gerecht partijen voor de begroting van de schade verwijzen naar de schadestaatprocedure (artikel 612 Rv). In de schadestaatprocedure kan ook de rentevordering worden beoordeeld.

4.31.

Het voorgaande heeft grotendeels betrekking op de gedragingen met betrekking tot de eigendom van de in de WWFDO genoemde schilderijen (kort gezegd: de gevallen genoemd onder a, b en c). Ten aanzien van de herstructurering van de Croci-groep (geval d) geldt dat het betoog van BNP in hoge mate speculatief is. Bovendien kan uit dat betoog niet (voldoende inzichtelijk) worden afgeleid dat de beschreven gebeurtenissen hebben geleid tot schade van BNP in de vorm van het dwarsbomen van verhaalsmogelijkheden.

4.32.

BNP heeft zich ten aanzien van het onrechtmatig frustreren van verhaalsmogelijkheden ook afzonderlijk beroepen op artikel 6:162 BW, dus los van de gedragingen van [partij 1] in groepsverband. Niet valt in te zien dat deze grondslag tot een voor BNP gunstiger resultaat kan leiden. Het gerecht laat deze grondslag dan ook verder buiten beschouwing. Ook heeft BNP nog verwezen naar de regeling van alternatieve causaliteit als bedoeld in artikel 6:99 BW. Die bepaling is bedoeld voor gevallen waarin de gehele schade van twee of meer gebeurtenissen het gevolg kan zijn. Dat doet zich hier niet voor. BNP is dus evenmin gebaat bij een beroep op dit artikel.

4.33.

Voor zover BNP heeft bedoeld te betogen dat de vordering toewijsbaar is vanwege de enkele schending door [partij 1] van haar disclosure-verplichtingen uit de WWFDO, verwerpt het gerecht dat standpunt. Als al moet worden aangenomen dat die schending heeft plaatsgevonden en dat dit (naar Curaçaos recht) onrechtmatig is, dan nog valt niet in te zien dat die schending als zodanig tot schade heeft geleid, laat staan een schade ter grootte van de gevorderde bedragen. BNP heeft onvoldoende concrete feiten gesteld om te kunnen aannemen dat de door [partij 1] verstrekte informatie, in het geval zij volledig aan de WWFDO zou hebben voldaan, zonder meer zou hebben geleid tot verhaal door BNP op vermogensbestanddelen van [moeder].

4.34.

Nu de vordering op de primaire grondslag (artikel 6:166 BW) toewijsbaar is, kan de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) buiten beschouwing blijven. Ten overvloede overweegt het gerecht dat niet is gebleken dat [partij 1] daadwerkelijk is verrijkt als gevolg van de door BNP aan (de trustee van) de Grand Trust verrichte compensatiebetaling. Uit de uitspraak van het Court of Appeal in Jersey van 25 juli 2018 volgt immers dat compensatie van de Grand Trust voor wat betreft het deel dat aan [partij 1] toekwam achterwege kan blijven. BNP was zelf degene die deze beslissing heeft uitgelokt door middel van haar appel tegen het vonnis van de Royal Court van 11 september 2017. Het had dus op haar weg gelegen om te verklaren hoe deze beslissing zich verhoudt tot haar stelling dat [partij 1] door de compensatiebetaling is verrijkt. Die verklaring heeft zij niet gegeven.

4.35.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [partij 1] in de proceskosten worden veroordeeld, waaronder de beslagkosten. Deze worden begroot op NAf 7.950 aan griffierecht, NAf 312,50 aan explootkosten en NAf 21.000 salaris (tarief 11, 3½ punten). De nakosten en de wettelijke rente zijn toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

in de zaak met nummer CUR201804256

4.36.

De vordering is gebaseerd op het standpunt dat BNP onrechtmatig heeft gehandeld door het gerecht alhier door middel van de in 2.28 en 2.29 bedoelde beslagrekesten in strijd met de waarheid, althans op misleidende wijze, voor te lichten. BNP heeft het betoog van [partij 1] gemotiveerd bestreden.

4.37.

Op grond van artikel 18c Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Aan de hier bedoelde waarheidsplicht komt zeker in beslagrekesten betekenis toe, nu op een dergelijk verzoek immers in de regel zonder hoor en wederhoor zal worden beslist. Dit betekent echter niet dat elke (feitelijke) onjuistheid in een beslagrekest moet leiden tot het oordeel dat de verzoeker onrechtmatig heeft gehandeld. Of deze conclusie moet worden getrokken, zal afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval.

4.38.

In het inleidend verzoekschrift stelt [partij 1] dat BNP in haar beslagrekesten “in de kern” heeft aangevoerd een verhaalsrecht op [partij 1] te hebben uit hoofde van de WWFDO “en/althans” uit hoofde van “verduister-acties” die [moeder] samen met [partij 1] pleegt. Ook stelt [partij 1] dat BNP onvoldoende heeft gesteld om enig verhaalsrecht op bezittingen van [partij 1] te kunnen claimen. Wat BNP heeft gesteld is kennelijk onjuist en daarmee zijn de gelegde beslagen vexatoir, aldus [partij 1].

4.39.

Het gerecht verwerpt dit betoog. Uit de door BNP ingediende beslagrekesten kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat zij meent aan de WWFDO als zodanig een vorderingsrecht op [partij 1] te kunnen ontlenen. Wel blijkt uit de rekesten dat BNP meent op [partij 1] een vordering te hebben omdat zij meewerkt aan het frustreren van verhaalsmogelijkheden door [moeder]. Uit de hierboven gegeven beoordeling in de zaak met nummer CUR201900779 volgt dat dit standpunt juist is, zodat daarom al van misleiding en handelen in strijd met de waarheidsplicht geen sprake kan zijn. Om dezelfde reden zijn de beslagen ook niet vexatoir.

4.40.

Verder meent [partij 1] dat BNP heeft gehandeld in strijd met haar waarheidsplicht door in haar beslagverzoek onvolledig en misleidend de uitspraak van het Court of Appeal of Jersey te parafraseren. Het gerecht verwerpt dit standpunt. In haar beslagrekest is BNP ingegaan op de overweging van het Court of Appeal (deels hierboven in 2.26 weergegeven), waaruit in redelijkheid kan worden afgeleid dat [partij 1] met [moeder] heeft samengewerkt ten koste van [zuster]. [partij 1] meent dat BNP ten onrechte niet duidelijk heeft gemaakt dat de overweging van het Royal Court staat in de context van zijn oordeel dat BNP niet het aan [partij 1] toekomende deel van de Grand Trust hoeft te compenseren. Het niet vermelden van die context doet echter niet af aan de strekking van de overweging in de uitspraak van het Court of Appeal. BNP heeft die overweging kennelijk en niet onbegrijpelijk gebruikt om haar vrees te onderbouwen dat [partij 1] en [moeder] samenzweren ten koste van BNP. Van misleiding van het gerecht is geen sprake.

4.41. [

partij 1] meent ook dat BNP haar rekest niet mede had mogen baseren op een schriftelijke verklaring van haar lead counsel, omdat daarin onjuistheden staan en de daarin opgenomen stellingen over de handelingen van [partij 1] niet meer dan ongegronde verdachtmakingen zijn. Ook hierin kan [partij 1] niet worden gevolgd. BNP heeft de verklaring van de lead counsel in haar rekest gebruikt als onderbouwing van haar vrees dat [partij 1] met [moeder] samenwerkt om vermogensbestanddelen weg te maken zodat BNP zich daarop niet kan verhalen. De verklaring noemt een aantal voorbeelden. Ten aanzien van de meeste daarvan heeft het gerecht in de zaak met nummer CUR201900779 geoordeeld dat [partij 1] daadwerkelijk met [moeder] heeft samengewerkt op een wijze die onrechtmatig jegens BNP is. Van onjuistheden, laat staan misleiding, kan in zoverre geen sprake zijn. Dat de verklaring op details mogelijk enkele feitelijke onjuistheden bevat, maakt niet dat BNP onrechtmatig heeft gehandeld.

4.42.

Van onrechtmatig handelen wegens het doen van diffamerende uitlatingen in de beslagrekesten is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken. Dat bepaalde uitlatingen in een processtuk mogelijk diffamerend kunnen zijn, bijvoorbeeld omdat de wederpartij wordt beschuldigd van onrechtmatig handelen, betekent vanzelfsprekend niet dat de indiener van dat stuk onrechtmatig handelt, zelfs niet als achteraf door de rechter geoordeeld wordt dat voor die beschuldiging geen grond bestaat.

4.43.

De onder I gevraagde verklaring voor recht zal dus niet worden gegeven.

4.44.

Op deze beoordeling en op het oordeel in de zaak met nummer CUR201900779 lopen ook alle overige vorderingen stuk. Er bestaat geen grond om

  • -

    voor recht te verklaren dat [partij 1] ten onrechte beslagen heeft doen leggen (vordering onder II);

  • -

    de beslagen op te heffen (vordering onder III);

  • -

    BNP te bevelen van het leggen van nieuwe beslagen af te zien, althans daartoe niet over te gaan dan na het verstrekken aan de rechter van feitelijk juiste informatie (vordering onder IV);

  • -

    BNP te verplichten [partij 1] een lijst te verstrekken van alle partijen die zij (BNP) over de beslagen heeft geïnformeerd (vordering onder V)

  • -

    die partijen een rectificatie te sturen (vordering onder VI);

  • -

    BNP te bevelen zich te onthouden van het doen van diffamerende uitlatingen (vordering onder VII); en

  • -

    BNP te veroordelen tot betalen van schadevergoeding (vordering onder VIII).

4.45.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [partij 1] worden veroordeeld in de proceskosten van BNP. Deze worden begroot op NAf 900 aan salaris. De nakosten en de wettelijke rente zijn toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

5 De beslissing

in de zaak met nummer CUR201900779

5.1.

verklaart voor recht dat [partij 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die BNP heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de in 4.29 bedoelde onrechtmatige daad;

5.2.

veroordeelt [partij 1] tot vergoeding van de als gevolg van dit onrechtmatig handelen door BNP geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.3.

veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van BNP, tot op heden begroot op

NAf 29.262,50, vermeerderd met de nakosten van NAf 250 zonder betekening en

NAf 400 met betekening van dit vonnis, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de zaak met nummer CUR201804256

5.6.

wijst de vordering af;

5.7.

veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van BNP, tot op heden begroot op

NAf 900, vermeerderd met de nakosten van NAf 250 zonder betekening en NAf 400 met betekening van dit vonnis, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.8.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2020.