Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:261

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
CUR201903543
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende betwist dat het aanslagbiljet OZB op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dat geval moet de Inspecteur bewijzen dat het aanslagbiljet tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende is verstuurd. De Inspecteur heeft in dat verband niets aangedragen. Het Gerecht acht de Inspecteur daarom niet geslaagd in zijn bewijslast. Het bezwaar is daarom ontvankelijk. Verder vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De belastingschuld voor OZB 2012 is ontstaan op 1 januari 2012. De Inspecteur heeft derhalve tot en met 31 december 2016 de bevoegdheid om een aanslag op te leggen. De dagtekening van de aanslag is 29 december 2017. Dit brengt mee dat de aanslag buiten de vijfjaarstermijn is vastgesteld. Conversie van die aanslag in een navorderingsaanslag is mogelijk indien voldaan is aan de vereisten voor navordering. Het vereiste van een nieuw feit wordt beoordeeld per het einde van de aanslagtermijn (31 december 2016).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 november 2020

BBZ nr. CUR201903543

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Nederland,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is ter zake van de onroerende zaak [adres 1] (hierna: de onroerende zaak) op 29 december 2017 een aanslag grondbelasting voor het jaar 2012 opgelegd naar een waarde van NAf 300.000, resulterend in een verschuldigd bedrag van NAf 1.035.

1.2

Belanghebbende heeft op 20 maart 2018 daartegen bezwaar gemaakt.

1.3

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2019 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft op 20 september 2019 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerecht. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.5

De Inspecteur heeft op 26 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020 te Willemstad. De zaken met de nummers CUR201903543 t/m CUR201903549, CUR201903551, CUR201903552, CUR201903556, CUR201903563, CUR201903956, CUR201903957 en CUR201904175 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [A], advocaat, vergezeld van [B]. Namens de Inspecteur is verschenen [C]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnotitie alsmede een aanvullende pleitnotitie voorgedragen en ingebracht. De rechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid bezwaar; termijn

2.1

In artikel 29, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

2.2

Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend op 29 december 2017. Het bezwaarschrift is op 20 maart 2018 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.

2.3

Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest.

2.4

Belanghebbende stelt, hetgeen niet is weersproken, dat hij pas op 2 maart 2018 het aanslagbiljet heeft ontvangen.

2.5

Als met vertraging is kennisgenomen van een belastingaanslag, geldt dat het bezwaar zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend. Behoudens bijzondere omstandigheden merkt het Gerecht een termijn van ten minste twee weken aan als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk’ (vgl. GHvJ 8 juni 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:147). Belanghebbende heeft op 20 maart 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag waarmee hij pas op 2 maart 2018 bekend is geworden. Dit is buiten de termijn van twee weken, zodat de bezwaartermijn is overschreden.

2.6

Vervolgens is de vraag of sprake is van een bijzondere omstandigheid die een afwijking van de tweewekentermijn rechtvaardigt. Het Gerecht heeft jarenlang in beginsel een termijn van één maand als “zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk” aangemerkt. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende, gelet op die vaste en jarenlange jurisprudentie, bij het instellen van bezwaar in maart 2018 ervan mocht uitgaan dat die termijn ook in zijn geval gehanteerd zou worden. Het Gerecht ziet dit dan ook als een bijzondere omstandigheid die in dit geval een afwijking van de tweewekentermijn rechtvaardigt (GEA Aruba 15 juni 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:361; GHvJ 5 november 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:223). Uitgaande van een termijn van een maand is het onderhavige bezwaar tijdig ingediend. De Inspecteur heeft daarom het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Ontvankelijkheid bezwaar; eerste jaar van vijfjarig tijdvak

2.7

Ingevolge artikel 28 Landsverordening Grondbelasting (hierna: LGB) kan de belanghebbende slechts in het eerste jaar van het vijfjarige tijdvak een bezwaarschrift indienen. De aanslag grondbelasting 2012 betreft het eerste jaar van het tijdvak. Het bezwaar van belanghebbende kan dan gericht zijn tegen alle aspecten van die aanslag, waaronder de vastgestelde waarde.

Aanslagtermijn

2.8

De grondbelasting wordt geheven van degene die bij de aanvang van het belastingjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens het recht van bezit of enig ander zakelijk recht (artikel 12, lid 1 LGB). Het belastingjaar begint 1 januari en eindigt 31 december (artikel 13 LGB).

2.9

Uit het bepaalde in artikel 12, lid 1 LGB volgt dat de grondbelasting een tijdstipbelasting is, waarbij de materiële belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het kalenderjaar, dus in dit geval op 1 januari 2012 (vgl. GEA Curaçao 10 augustus 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:220).

2.10

Ingevolge artikel 10, lid 2 ALL vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, in dit geval dus op 31 december 2016.

2.11

Artikel 5, lid 1 ALL bepaalt dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. De onderhavige aanslag is gedagtekend op 29 december 2017. Dit brengt mee dat de aanslag buiten de vijfjaarstermijn is vastgesteld.

Conversie in navorderingsaanslag

2.12

In artikel 13, lid 1 ALL is bepaald dat de Inspecteur belasting kan navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van tien jaren.

2.13

In artikel 13, lid 1 ALL kan een wettelijke grondslag worden gevonden voor navordering van grondbelasting. Conversie van een als primitieve aanslag vastgestelde aanslag – zoals onderhavige aanslag grondbelasting 2012 – in een navorderingsaanslag is mogelijk als aan de in artikel 13 ALL genoemde vereisten voor navordering is voldaan (vgl. HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2297; GEA Curaçao 6 september 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:121; GEA Aruba 29 januari 2020, ECLI:NL:OGEAA:2020:10).

2.14

Artikel 13, lid 1 ALL schrijft voor dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten de Inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn op het moment dat de termijn voor het opleggen van de primitieve aanslag verliep (31 december 2016), kan geen grond voor navordering opleveren (vgl. HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2297, r.o. 4.1.2).

2.15

De Inspecteur heeft in dat verband aangevoerd dat in het kader van de in 2014 ingevoerde Landsverordening onroerendezaakbelasting door de Inspectie vanaf 2015 een project (‘Herwaardering land Curaçao’) is uitgevoerd. Door dit project is de Inspectie veel belastingplichtigen tegengekomen die niet beschreven waren voor de grondbelasting, waaronder belanghebbende. Al deze belastingplichtigen zijn naderhand opgevoerd om bij hen alsnog grondbelasting te heffen. De Inspecteur heeft gesteld, hetgeen het Gerecht aannemelijk acht, dat zij pas in 2017 ermee bekend is geworden dat belanghebbende eigenaar is van de onroerende zaak. Dit betreft derhalve een nieuw feit waarmee de inspecteur op 31 december 2016 niet bekend was of bekend had kunnen zijn.

2.16

Anders dan belanghebbende betoogt, kan het niet doorzenden van de eigendomsakte door de afdeling registratie van de Inspectie niet als een verzuim van de Inspecteur worden aangemerkt (vgl. HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5487). Van een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim is derhalve geen sprake.

2.17

Het vorenstaande brengt mee dat aan de in artikel 13 ALL genoemde vereisten voor navordering is voldaan. De (primitieve) aanslag grondbelasting 2012 kan dus worden geconverteerd in een navorderingsaanslag. Deze navordering is binnen de tienjaarstermijn en derhalve tijdig opgelegd.

Niet horen in bezwaarfase

2.18

Op grond van artikel 30, lid 4 ALL wordt de belanghebbende in de bezwaarfase gehoord als hij daar in zijn bezwaarschrift om heeft verzocht.

2.19

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht te worden gehoord. De Inspecteur heeft nagelaten belanghebbende te horen. Naar het oordeel van het Gerecht is belanghebbende door de gang van zaken bij het horen benadeeld. Nu belanghebbende het Gerecht heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien, zal het Gerecht de zaak niet terugwijzen naar de Inspecteur (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495; GEA Curaçao 6 maart 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:42).

Voorlichting

2.20

Ter voorlichting van belanghebbende merkt het Gerecht op dat de uitspraak van de Inspecteur om procedurele redenen worden vernietigd, maar dat belanghebbende inhoudelijk geen gelijk krijgt. Wel moet de Inspecteur de proceskosten en het griffierecht vergoeden.

3 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

3.1

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3.2

In artikel 15, lid 2 LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

3.3

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 0,5 (schending hoorplicht), samenhangende zaken factor 1,5).

3.4

Voor de vergoeding van de proceskosten hangen de zaken met de nummers samen. CUR201903543 t/m CUR201903549, CUR201903551, CUR201903552, CUR201903556, CUR201903563 en CUR201904175 samen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127, worden samenhangende zaken als één zaak beschouwd. Gelet hierop komen de proceskosten in de beroepsfase maar één keer voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten voor de onderhavige zaak worden dan ook vastgesteld op 1/13 van NAf 1.050, ofwel NAf 80.

3.5

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de aanslag grondbelasting;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 80; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 25 november 2020, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500