Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:243

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
CUR201900274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade verkeersongeval, art. 9 Landsverordening Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (LAM), verjaring, onderhandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0880
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

zaaknummer: CUR201900274

VONNIS van 24 augustus 2020

in de zaak van

[EISERES],

wonend te Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols,

tegen

de naamloze vennootschap

NETHERLANDS ANTILLES & ARUBA ASSURANCE COMPANY (NA&A) N.V. 1,

gevestigd te Curaçao,

gedaagde, hierna: Citizens,

gemachtigde: mr. W. Princée.

De procedure

1. Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 23 januari 2019,
- de conclusie van antwoord d.d. 30 september 2019,
- de conclusie van repliek d.d. 9 december 2019,

- de conclusie van dupliek d.d. 8 juni 2020.

2. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

De feiten

3. De auto van [eiseres] is op 13 december 2007, met op dat moment [eiseres] als bestuurder, van achteren aangereden door een andere auto. De eigenaar van die andere auto was verzekerd bij Citizens.

4. Citizens heeft op 17 januari 2008 NAƒ 1.575 aan schadevergoeding [eiseres] uitbetaald. Citizens heeft in dat kader aan [eiseres] ter ondertekening voorgelegd een verklaring dat de ontvangst van dat bedrag geschiedt tegen finale kwijting ter vergoeding van alle geleden materiële en immateriële schade, maar [eiseres] heeft bij haar ondertekening geschreven “Alleen blikschade ontvangen, resterende schade nog te ontvangen”.

5. Namens [eiseres] is Citizens bij brief van 23 juli 2009 aansprakelijk gesteld voor al haar door het ongeval geleden en te lijden schade, voorgesteld om in onderhandeling te treden om de schade in kaart te brengen en verzocht om een voorschot van NAƒ 5.000.

6. Citizens heeft op deze brief niet gereageerd.

7. Namens [eiseres] is bij brief van 30 mei 2011 medische informatie aan Citizens gestuurd en verzocht om een onderzoek door een onafhankelijke verzekeringsarts.

8. Citizens heeft ook op deze brief niet gereageerd.

9. Namens [eiseres] is bij brief van 15 februari 2017 aan Citizens geschreven:

Bijgaand treft u aan een schadestaat, welke tot op heden resulteert in een totale schade van NAF 330.685,66.

Ik verzoek u om de vordering van cliente nader te beoordelen en mij te berichten of Citizens bereid is om de schade van cliente te vergoeden.

Te uwer informatie moge dienen dat er tot op heden een totaalbedrag van NAF 1.700,- is voldaan aan voorschotten op de schade van cliente.

10. Namens Citizens is daarop op 19 april 2017 geantwoord:

(...) Bijna 10 jaar later dient u de vordering in. Gezien de verstreken termijn stelt Citizens Insurance zich op het standpunt dat de vordering is verjaard. (...)

Het geschil

11. [ [eiseres] vordert, samengevat. te verklaren voor recht (a) dat haar vordering op Citizens uit hoofde van het ongeval op 13 december 2007 niet is tenietgegaan, en (b) dat Citizens aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en zal lijden ten gevolge van het ongeval op 13 december 2017, met verwijzing naar een schadestaatprocedure.

12. Citizens voert gemotiveerd verweer. Zij stelt primair dat de vordering van [eiseres] op grond van art. 9 lid 1 Landsverordening Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: LAM) is verjaard, subsidiair dat [eiseres] haar rechten heeft verwerkt en meer subsidiair dat [eiseres] niet gesteld heeft dat er een causaal verband tussen schade en ongeval bestaat, laat staan dat zij onderbouwd waarom dat causaal verband er is.

De beoordeling

13. Niet ter discussie staat dat Citizens op grond van de LAM op zichzelf aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en te lijden schade door het door de verzekerde van Citizens veroorzaakte ongeval van 13 december 2007.

14. Ingevolge art. 9 lid 1 LAM verjaart iedere uit de LAM voortvloeiende rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar door verloop van 3 jaar, te rekenen vanaf de dag van het ontstaan van het feit waaruit de schade is ontstaan. De rechtsvordering van [eiseres] op de verzekeraar is dus verjaard op 13 december 2010, tenzij de verjaring vóór die datum is gestuit.

15. Volgens [eiseres] is de verjaring gestuit, aangezien Citizens door de uitkering van NAƒ 1.575 voor de blikschade haar aansprakelijkheid heeft erkend.

Een erkenning door Citizens van haar aansprakelijkheid voor de schade door het ongeval stuit op grond van art. 3:318 BW de verjaring. De betaling door Citizens aan [eiseres] van de blikschade en het aan het aan [eiseres] voorgelegde document van 17 januari 2008 houden naar het oordeel van het gerecht zo’n erkenning in.

De verjaring is dus gestuit op 17 januari 2008. Gevolg ervan was echter, op grond van art. 3:319 lid 1 1e volzin BW, dat een nieuwe verjaringstermijn begon en wel op 18 januari 2008. Die nieuwe verjaringstermijn was op grond van art. 3:319 lid 2 1e volzin BW gelijk aan de oorspronkelijke, dus 3 jaren. Dat binnen die nieuwe verjaringstermijn, Citizens wederom haar aansprakelijkheid heeft erkend, is gesteld noch gebleken. Zonder stuiting op andere gronden zou de vordering dus verjaard zijn op 17 januari 2011.

16. [ [eiseres] voert echter ook aan dat de verjaring is gestuit door de onderhandelingen die zijn gevoerd, en beroept zich daarmee op art. 9 lid 3 LAM, dat bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde en dat tevens bepaalt dat een nieuwe termijn van 3 jaar begint te lopen vanaf het ogenblik waarop een partij bij deurwaardersexploot of aangetekende brief aan de wederpartij heeft kennisgegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt.

Citizens betwist dat er onderhandelingen zijn gevoerd.

17. Voor de uitleg van art. 9 LAM moet worden aangeknoopt bij de literatuur en rechtspraak inzake het Nederlandse equivalent van het artikel, art. 10 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM). Dat artikel is gebaseerd op (en vrijwel gelijkluidend aan) art. 10 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. De uitleg van deze Gemeenschappelijke Bepalingen is voorbehouden aan het Benelux-Gerechtshof. Op basis van arresten van dat Hof is, om van onderhandelingen in de zin van art. 9 lid 3 LAM te kunnen spreken, vereist een over en weer bespreken, een uitwisseling van berichten tussen de benadeelde en de verzekeraar, van dien aard dat zij aan de benadeelde de indruk geeft dat de verzekeraar een regeling van het ongeluk overweegt.2

18. Van onderhandelingen in de zin van art. 9 lid 3 LAM was sprake geweest als, zoals [eiseres] stelt, Citizens dr. Blankevoort heeft opgedragen haar te onderzoeken, hij een rapport terzake aan Citizens heeft uitgebracht en Citizens haar een voorstel heeft gedaan tot betaling van NAƒ 1.000 aan letselschade.

Deze gestelde feiten worden echter betwist en de juistheid ervan blijkt niet uit het dossier, terwijl het op grond van art. 129 Rv. aan [eiseres], als degene die zich op de rechtsgevolgen ervan beroept, was om deze feiten te bewijzen. Nu zij geen concreet bewijsaanbod op dit punt heeft gedaan, en het gerecht ook geen aanleiding ziet voor een ambtshalve bewijsaanbod, zal het gestelde niet komen vast te staan.

Voorts wil het gegeven dat “Recht Letselschade” in de specificatie van buitengerechtelijke kosten 10 minuten (op 24 januari 2008) heeft gerekend voor een brief aan Citizens, niet zeggen dat die brief verstuurd is, laat staan door Citizens ontvangen, zoals [eiseres] suggereert. Zelfs de enkele ontvangst van de brief door Citizens zou [eiseres] niet baten, want alleen daardoor ontstond nog niet de uitwisseling van berichten, die nodig is om een onderhandelingssituatie als bedoeld in art. 9 lid 3 LAM te creëren.

Ook overigens is niet gebleken dat Citizens op een dergelijke brief heeft gereageerd.

Hetzelfde geldt voor de aantekening van [eiseres] op het op door haar op 17 januari 2008 ondertekende document, terwijl verder vaststaat dat Citizens ook niet heeft gereageerd op de brief van 23 juli 2009.

19. Naar het oordeel van het gerecht is dan ook niet gebleken van onderhandelingen over de letselschade. Van een stuitingsgrond als bedoeld in art. 9 lid 3 LAM was dus geen sprake. Nu andere stuitingsgronden zijn gesteld noch gebleken, betekent dit dat de vordering op grond van art. 9 lid 1 LAM verjaard is.

20. [ [eiseres] heeft nog aangevoerd dat het beroep op verjaring een verzekeraar onwaardig is en dat dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Feit is echter dat de wetgever in art. 9 lid 1 LAM ten behoeve van verzekeraars een verjaringstermijn van 3 jaar heeft opgenomen. Verzekeraars kunnen daarop dus een beroep doen.

[eiseres] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die maken dat het beroep op verjaring naar. maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook het door Citizens niet reageren op brieven namens [eiseres] is niet zo’n omstandigheid, nu dit had kunnen (en behoren te) leiden tot het tijdig indienen van een rechtsvordering tot schadevergoeding.

21. Gevolg van de verjaring is dat de rechtsvordering is tenietgegaan. De vorderingen zijn dus niet toewijsbaar.

22. [ [eiseres] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van Citizens worden begroot op NAƒ 2.500 aan gemachtigdensalaris (2 punten x tarief 5).

De beslissing

Het gerecht:

a. wijst het gevorderde af,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Citizens begroot op NAƒ 2.500.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Door de partijen aangeduid als: Netherlands Anttilles & Aruba Insurance Company N.V.

2 BenGH 9 juli 1981, NJ 1982/253, ECLI:NL:XX:1981:AD6458, BenGH 5 juli 1985, NJ 1986/2, ECLI:NL:XX:1985:AB9132, en HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0988