Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:218

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
CUR201903777
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een op Curaçao gelegen vakantiewoning gekocht. Het Gerecht acht aannemelijk dat belanghebbende de bij zijn vader aangegane geldlening heeft aangewend voor de verkrijging van de woning, zodat de betaalde rente in aftrek komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 29 september 2020

BBZ nr. CUR201903777

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Dordrecht, Nederland,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 17 november 2017 een aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 46.839, resulterend in een verschuldigd belastingbedrag van NAf 5.998.

1.2

Belanghebbende heeft op 10 januari 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.3

Belanghebbende heeft op 8 oktober 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.4

De Inspecteur heeft op 21 augustus 2020 een verweerschrift ingediend.

1.5

Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnotitie ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A], verbonden aan [Q]. Namens de Inspecteur is verschenen [B]. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter vanuit het gerechtsgebouw in Aruba de zitting geleid via een videoverbinding.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende woont in het onderhavige jaar 2016 in Nederland en is dus geen ingezetene van Curaçao.

2.2

Belanghebbende heeft tezamen met zijn zus in 2015 de op Curaçao gelegen woning [Straatnummer] (hierna: de woning) gekocht. De koopsom voor deze woning heeft € 2.750.000 bedragen, waarvan € 100.000 betrekking heeft op roerende zaken. Beiden zijn voor de helft eigenaar.

2.3

Blijkens een overeenkomst van 13 oktober 2015 heeft zijn vader [vader] een geldlening verstrekt aan belanghebbende ten bedrage van € 1.250.000. Blijkens een bankafschrift van ABN-AMRO Bank is dit bedrag op 13 oktober 2015 overgeboekt naar de bankrekening van belanghebbende.

2.4

Zoals blijkt uit de nota van afrekening van de notaris is ter zake van de aankoop van de woning zowel op 23 oktober 2015 als 26 oktober 2015 een bedrag van € 1.375.000 betaald. De levering van de woning heeft op 29 oktober 2015 plaatsgevonden.

2.5

Blijkens de overeenkomst van geldlening van 13 oktober 2015 bedraagt de rente 5% per jaar. In deze overeenkomst is verder vermeld dat tot zekerheid van nakoming door belanghebbende van zijn verplichtingen uit de leningsovereenkomst een hypotheek op de woningen Coral Estate 302 en 303 wordt gevestigd. Ter zake van deze lening heeft belanghebbende in 2016 een bedrag van € 62.500 (NAf 123.169) aan rente betaald.

2.6

De woning wordt kortdurend gemeubileerd verhuurd aan toeristen tegen een all-in prijs. De huuropbrengsten voor belanghebbende hebben in 2016 NAf 132.641 bedragen.

2.7

Belanghebbende heeft in de aangifte inkomstenbelasting het volgende aangegeven:

Huuropbrengsten

NAf

- Coral Estate K303

132.641

Af: Kosten

- [Z] Curaҫao Services (beheer)

17.657

- VVE

2.240

- Tuinonderhoud

1.336

- Waterzuiveringsbijdrage

225

- UTS (telefoon)

1.261

- Aqualectra

24.575

- Omzetbelasting

9.061

- Diverse kosten

12.442

Totaal

-/- 68.797

Netto huuropbrengst

63.847

65% is belast (art. 4 LIB)

-/- 22.346

Af: Financieringsrente

-/- 123.169

Saldo verhuur

Nihil

Opbrengsten roerend kapitaal (schuldvordering)

5.338

Belastbaar inkomen

5.338

2.8

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de aftrek van de financieringsrente ten bedrage van NAf 123.169 gecorrigeerd en het belastbaar inkomen vastgesteld op NAf 46.839.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de aanslag tot een juist bedrag is vastgesteld.

3.2

Belanghebbende betoogt dat de geldlening van € 1.250.000 is aangewend ter financiering van de aankoop van de woning, zodat de Inspecteur ten onrechte de renteaftrek ter zake van deze geldlening heeft gecorrigeerd.

3.3

De Inspecteur wenst met een beroep op interne compensatie alsnog de aftrek van de overige kosten (bewonerslasten) ter discussie te stellen. In dat verband heeft belanghebbende aangevoerd dat de kosten van beheer (NAf 17.657), tuinonderhoud (NAf 1.336), waterzuiveringsbijdrage (NAf 225), telefoon (NAf 1.261) en water en elektra (NAf 24.575) tot de bewonerslasten horen en dat deze kosten daarom in mindering kunnen worden gebracht op de huuropbrengst.

3.4

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze kosten op grond van de uitleg van artikel 4, lid 3 Landverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB) niet in aftrek kunnen komen, en dat bovendien niet is bewezen dat belanghebbende deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 5.338. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de aanslag.

4 OVERWEGINGEN

Beroep niet tijdig beslissen

4.1

Het bezwaarschrift tegen de aanslag is op 10 januari 2018 door de Inspecteur ontvangen.

4.2

Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 10 oktober 2018, een uitspraak heeft gedaan.

4.3

Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk 10 oktober 2019, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

4.4

Belanghebbende heeft op 8 oktober 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar. Dit beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.5

De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar.

Financieringsrente

4.6

Artikel 4, lid 3 LIB bepaalt dat bij het ter beschikking stellen van onroerende zaken aan derden de zuivere opbrengst wordt gesteld op 65% van het verkregen voordeel en dat "geen andere kosten in aanmerking (worden) genomen dan de rente en kosten van geldlening ter verkrijging of verbetering van onroerende zaken, alsmede de premies voor een aan die lening verbonden met de looptijd dalende overlijdensrisicoverzekering".

4.7

Het Gerecht acht aannemelijk dat belanghebbende de geldlening van € 1.250.000 is aangegaan ter verkrijging van de woning. Redengevend daarvoor is de hoogte van de geldlening, alsmede de coherentie in het tijdsverloop van de aankoop van de woning en de financiering en de betaling ervan. Verder neemt het Gerecht in aanmerking dat in de geldleningsovereenkomst is bepaald dat tot zekerheid van nakoming een hypotheek op de woning zal worden gevestigd. De Inspecteur heeft daarom ten onrechte de aftrek van de financieringsrente gecorrigeerd.

Bewonerslasten

4.8

Nu de financieringsrente ten bedrage van € 123.169 in aftrek komt, behoeft de aftrek van de bewonerslasten geen beoordeling meer. Zelfs in het geval de Inspecteur volledig in het gelijk wordt gesteld wat betreft de bewonerslasten – dus geen kostenaftrek ten bedrage van NAf 68.797 – zal de aanslag worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van van NAf 5.338.

Slotsom

4.9

Gelet op het vorenstaande ziet het Gerecht aanleiding om de aanslag te verminderen. Doende wat de Inspecteur zou behoren te doen, zal het Gerecht het bezwaar tegen de aanslag daarom gegrond verklaren.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

5.1

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Kosten beroepsfase

5.2

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.3

In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

5.4

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.5

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;

- verklaart het bezwaar tegen de aanslag gegrond;

- vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 5.338;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 29 september 2020, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500