Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:214

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-10-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
CUR201804361 en CUR201804362
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de beroepsfase zijn partijen het eens over de hoogte van het belastbaar inkomen. De boete dient wegens het overlijden van belanghebbende te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 oktober 2020

BBZ nrs. CUR201804361 en CUR201804362

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], bij leven wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn op 21 juni 2013 voor het jaar 2010 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ opgelegd naar een belastbaar en premie-inkomen van respectievelijk NAf 552.662 en NAf 417.357. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van NAf 500.

1.2

Daartegen is bezwaar gemaakt.

1.3

De Inspecteur heeft op 26 oktober 2018 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.4

Tegen de uitspraken op bezwaar is op 20 december 2018 beroep ingesteld. Daarbij is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.6

De Inspecteur heeft op 21 augustus 2020 een verweerschrift ingediend. Daarop is door de gemachtigde van belanghebbende op 25 augustus 2020 gereageerd.

1.7

De zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen [A] en [B] (advocaat). Namens de Inspecteur is verschenen [C]. De rechter en de griffier waren aanwezig op het Gerecht in Aruba en hadden een videoverbinding met het Gerecht in Curaçao.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende was in het onderhavige jaar woonachtig in Curaçao. Belanghebbende is overleden op 21 mei 2014. De echtgenote van belanghebbende is overleden op 6 mei 2014. Belanghebbende heeft drie kinderen, twee zoons en een dochter. De kinderen zijn de enige erfgenamen van belanghebbende.

2.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aangiftebiljet uitgereikt. Hij heeft verzuimd aangifte te doen. De Inspecteur heeft taxatieve aanslagen opgelegd naar een belastbaar inkomen van Naf 552.662 en een premie-inkomen van NAf 417.357. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van NAf 500 voor het niet tijdig indienen van het aangiftebiljet. De aanslagbiljetten zijn verzonden naar het adres van belanghebbende [K]. De aanslagen heeft de Inspecteur berekend op basis van uit Nederland ontvangen informatie over rente- en dividendinkomsten.

2.3

Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een dwangschrift van de Ontvanger. Daaruit blijkt dat aan de dochter van belanghebbende, [naam dochter] (hierna: dochter) op 26 mei 2016 een dwangschrift is betekend voor onder andere de onderhavige aanslagen. In totaal is op voormelde datum aan de dochter door de Ontvanger betekend, een bedrag van NAf. 591.916 en NAf 20.499 aan belastingschulden van belanghebbende.

2.4

Tot de gedingstukken behoren ook afschriften van een tweetal handgeschreven brieven (brief 1 en brief 2) van de dochter. Beide brieven hebben als datum 22 juni 2016 en een datumstempel van de Inspectie der belastingen van 22 augustus 2017.

In brief 1 is – voor zover van belang- het volgende vermeld:

“ Hierbij wil ik u informeren dat de Heer [belanghebbende] sinds overleden is. En dus geen inkomsten kon hebben. Tevens was hij al 9 jaar dement. Hij kon niet meer schrijven, praten enz. Werd verzorgd door verpleegsters. (…). “

In brief 2 wordt naar aanleiding van het dwangschrift om uitstel van betaling verzocht.

2.5

Bij schrijven van 21 september 2018 heeft de toenmalige gemachtigde van de erven onder verwijzing naar de bezwaarschriften die in 2016 en 2017 zijn ingediend de bezwaren nader gemotiveerd. Daarbij is informatie overgelegd over dividend- en rente-inkomsten die belanghebbende op zijn bankrekening in Nederland (ABN-AMRO Bank N.V.) heeft ontvangen. Blijkens die informatie heeft belanghebbende in het onderhavige jaar een bedrag van NAf 74.673 aan dividend- en rente-inkomsten genoten. Uit de informatie blijkt voorts dat een bedrag van EURO 213.214 dat in de heffing is betrokken, te maken heeft met verkoopopbrengsten van beleggingen.

2.6

De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. De uitspraken op bezwaar zijn gericht aan de erven van belanghebbende.

3 GESCHIL

3.1

In geschil zijn de aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ alsmede de boetebeschikking.

3.2

Belanghebbende stelt dat de aanslagen berekend moeten worden overeenkomstig de werkelijk genoten inkomsten ten bedrage van NAf 74.673 (rente- en dividendinkomsten) en een AOV-pensioen van NAf 11.024. De boete moet volgens belanghebbende op nihil worden vastgesteld.

3.3

In beroepsfase bestrijdt de Inspecteur niet langer dat de buitenlandse rente- en dividendinkomsten NAf 74.673 bedragen. De Inspecteur is van mening dat de aanslagen moeten worden berekend op basis van een inkomen van NAf 74.673 en NAf 11.024 doch dat daarbij moet worden bijgeteld eventueel andere inkomsten (pensioenen) uit het buitenland.

4 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1

In artikel 29, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

4.2

De onderhavige aanslagen en boete hebben als dagtekening 21 juni 2013. Het bezwaarschrift is op 22 augustus 2017 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.

4.3

Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest.

4.4

Gelet op hetgeen in de zaak is aangevoerd acht het Gerecht aannemelijk dat belanghebbende door zijn ziekte niet in staat was tegen de aanslagen en de boete op te komen. Ook acht het Gerecht aannemelijk - gelet op de vaststaande feiten vermeld onder 2.3 en 2.4 - dat de dochter pas bij de betekening van de dwangschriften op 26 mei 2016 bekend is geworden met de aanslagen en omstreeks 22 juni 2016 daartegen bezwaar heeft aangetekend. Het Gerecht neemt hierbij in aanmerking dat de dochter (een erfgenaam van belanghebbende) ingevolge artikel 34, lid 3 van de ALL bevoegd was belanghebbende te vertegenwoordigen.

4.5

Als met vertraging is kennisgenomen van een belastingaanslag of boetebeschikking, geldt dat het bezwaar zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend. Behoudens bijzondere omstandigheden merkt het Gerecht een termijn van ten minste twee weken aan als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk’ (vgl. Gemeenschappelijk Hof 8 juni 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:147). Belanghebbende heeft op 22 juni 2016 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen en de boete waarmee zij pas op 26 mei 2016 bekend is geworden. Dit is buiten de termijn van twee weken, zodat de bezwaartermijn is overschreden.

4.6

Vervolgens is de vraag of sprake is van een bijzondere omstandigheid die een afwijking van de tweewekentermijn rechtvaardigt. Het Gerecht heeft jarenlang in beginsel een termijn van één maand als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk’ aangemerkt. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende, gelet op die vaste en jarenlange jurisprudentie, bij het instellen van bezwaar in 2016 ervan mocht uitgaan dat die termijn ook in haar geval gehanteerd zou worden. Het Gerecht ziet dit dan ook als een bijzondere omstandigheid die in dit geval een afwijking van de tweewekentermijn rechtvaardigt (GEA Aruba 15 juni 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:361; GHvJ 5 november 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:223). Uitgaande van een termijn van een maand is het onderhavige bezwaarschrift tijdig ingediend, zodat het ontvankelijk is.

De aanslagen en de boetebeschikking

4.7

In beroepsfase is de Inspecteur het met belanghebbende eens dat de rente- en dividendinkomsten NAf 74.673 bedragen. Ook zijn partijen het over eens dat het AOV-pensioen van NAf 11.024 tot het inkomen moet worden gerekend. De gemachtigde van belanghebbende heeft op de zitting te kennen gegeven dat er geen andere inkomsten zijn. Dat belanghebbende in het onderhavige jaar meer inkomsten heeft gehad, is anderszins ook niet gebleken. De aanslagen dienen daarom te worden vastgesteld op basis van een belastbaar inkomen en een premie-inkomen van NAf 85.697.

4.8

De boete dient ingevolge artikel 28, lid 3 ALL wegens het overlijden van belanghebbende te worden vernietigd.

4.9

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

4.10

Het Gerecht overweegt ten overvloede dat anders dan belanghebbende voorstaat de aanslagen over andere jaren in deze procedure niet kunnen worden meegenomen. Het Gerecht begrijpt dat de Ontvanger voor de openstaande schulden van belanghebbende executoriaal beslag heeft gelegd op eigendom van de dochter (zie proces-verbaal van 15 augustus 2018 van GEA Curaçao met zaaknummer CUR201802492). Dit noopt tot een voortvarende behandeling van deze zaken. Het Gerecht verzoekt de Inspecteur daartoe over te gaan.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de proceskostenvergoeding voor het beroep bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL: OGHACMB:2017:54).

5.2

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.3

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag inkomstenbelasting tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 85.697;

  • -

    vermindert de aanslag premie AVBZ met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en

  • -

    draagt de Inspecteur op de door belanghebbende betaalde griffierechten van in totaal NAf 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en uitgesproken op 2 oktober 2020, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500