Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:211

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
CUR201901788 tot en met CUR201901794
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werknemer is aangemerkt als ex-patriate voor de periode 2008 t/m 2013. De nieuwe werkgever heeft in 2012 verzocht de ex-patriateregeling van toepassing te verklaren voor de resterende termijn van de vijfjaarsperiode. Het Gerecht is van oordeel dat voor toepassing van de overgangsregeling geen sprake is van een aanvraag tot voorzetting van de bestaande ex-patriate status, maar van een nieuw verzoek. Dit brengt mee dat op grond van de overgangsregeling in artikel III, lid 2, PB 2009, no. 63 niet de (oude) inkomenseis van NAf 100.000 geldt, maar de (nieuwe) inkomenseis van NAf 150.000. De Inspecteur heeft daarom terecht de ex-patriate status afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 30 september 2020

BBZ nrs. CUR201901788 tot en met CUR201901794

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 28 december 2017 naheffingsaanslagen loonbelasting, premies AOV/AWW en premie AVBZ over het jaar 2012 opgelegd, resulterend in verschuldigde belasting- en premiebedragen van respectievelijk NAf 62.819, NAf 4.928 en NAf 2.979. Tegelijkertijd zijn boetes opgelegd van NAf 15.704 (25%), NAf 616 (12,5%) en NAf 372 (12,5%).

1.2

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 22 mei 2018 naheffingsaanslagen loonbelasting, premies AOV/AWW en premie BVZ over het jaar 2013 opgelegd, resulterend in verschuldigde belasting- en premiebedragen van respectievelijk NAf 28.739, NAf 690 en NAf 305. Tegelijkertijd zijn boetes opgelegd van NAf 7.184 (25%), NAf 86 (12,5%) en NAf 38 (12,5%).

1.3

Aan belanghebbende is met dagtekening 21 juni 2018 een naheffingsaanslag premie AVBZ over het jaar 2013 opgelegd, resulterend in een verschuldigd premiebedrag van NAf 1.220. Tegelijkertijd is een boete opgelegd van NAf 152 (12,5%).

1.4

Belanghebbende heeft op 14 februari 2018 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen loonbelasting, premies AOV/AWW en premie AVBZ over het jaar 2012.

1.5

Belanghebbende heeft op 13 juli 2018 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen loonbelasting, premies AOV/AWW, premie AVBZ en premie BVZ over het jaar 2013.

1.6

Belanghebbende heeft op 17 mei 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

1.7

De Inspecteur heeft op 22 mei 2020 verweerschriften ingediend.

1.8

Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnotitie ingediend.

1.9

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2020 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A], verbonden aan [Q]. Namens de Inspecteur is verschenen [B]. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter vanuit het gerechtsgebouw in Aruba de zitting geleid via een videoverbinding.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is op 30 november 2011 opgericht door de heer [GG] (hierna: de digra). Laatstgenoemde is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. Belanghebbende is werkzaam in de transport- en logistieke sector.

2.2

De digra was tot oktober 2011 werkzaam bij een ander transportbedrijf. De digra was bij beschikking van 8 april 2008 aangemerkt als ex-patriate in de zin van de Beschikking ex-patriates 1998 voor de periode van 1 juni 2008 tot 1 juni 2013.

2.3

Op 10 mei 2012 heeft belanghebbende op de voet van artikel 9 Beschikking ex-patriates 1998 verzocht om de digra ook voor zijn werkzaamheden bij belanghebbende aan te merken als ex-patriate. De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 26 maart 2013 afgewezen, omdat tussen de oorspronkelijke en nieuwe dienstbetrekking meer dan drie maanden zijn gelegen.

2.4

Naar aanleiding van een reactie van belanghebbende op de afwijzende beschikking van 26 maart 2013 heeft de Inspecteur bij brief van 30 maart 2015 aan belanghebbende meegedeeld dat het verzoek terecht is afgewezen, omdat de digra noch voldoet aan de oude salariseis van ten minste NAf 100.000 per jaar, noch aan de nieuwe salariseis van NAf 150.000 per jaar. Niet langer is in geschil dat wel aan de driemaandseis is voldaan.

2.5

Bij belanghebbende is in 2016 en 2017 een boekenonderzoek ingesteld over de jaren 2012 tot en met 2014. De controleur heeft vastgesteld dat belanghebbende ondanks de afwijzende beschikking toch de ex-patriate regeling heeft toegepast ten aanzien van de digra. Verder is vastgesteld dat aan losse krachten (loods-medewerkers) betalingen zijn gedaan die als loon aangemerkt moeten worden. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen opgelegd. De naheffingsaanslagen loonbelasting zijn als volgt berekend:

2012

2013

Loon

Belasting

Loon

Belasting

Dienstbetrekking losse krachten

4.669

107

2.279

58

Verstrekte vergoedingen:

- Vrij wonen

48.000

16.000

- Water en elektra

12.178

5.202

- Schoolgeld

21.144

8.650

Totaal

81.322

62.712

29.852

28.681

Naheffingsaanslag loonbelasting

62.819

28.739

Vergrijpboete (25%)

15.704

7.184

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de naheffingsaanslagen tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2

Belanghebbende betoogt dat in het onderhavige geval als inkomenseis voor de ex-patriate regeling een bedrag van NAf 100.000 heeft te gelden, dat het inkomen van de digra daaraan voldoet, en dat daarom de Inspecteur ten onrechte de verstrekte vergoedingen en beloningen in natura tot het loon heeft gerekend. De Inspecteur verdedigt het standpunt dat de inkomenseis NAf 150.000 bedraagt, dat het inkomen van de digra daaraan niet voldoet, en dat daarom de verstrekte vergoedingen terecht tot het loon van de digra zijn gerekend.

3.3

Verder is in geschil of de betalingen aan losse krachten (loods-medewerkers) van respectievelijk NAf 4.669 (2012) en NAf 2.279 (2013) terecht in de loonbelasting zijn betrokken en of terecht de dagtabel is toegepast. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.4

Voorts zijn de vergrijpboetes in geschil. In dat verband betoogt belanghebbende dat geen sprake is van grove schuld, zodat de vergrijpboetes moeten worden vernietigd.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslagen en vernietiging van de vergrijpboetes. De Inspecteur concludeert tot handhaving.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Beroep niet tijdig beslissen

4.1

De bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen zijn op respectievelijk 14 februari 2018 en 13 juli 2018 door de Inspecteur ontvangen.

4.2

Ingevolge artikel 30, lid 2 Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op respectievelijk 14 november 2018 en 13 april 2019, een uitspraak heeft gedaan.

4.3

Ingevolge artikel 31, lid 1 ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op respectievelijk 14 november 2019 en 13 april 2020, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.

4.4

Belanghebbende heeft op 17 mei 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Deze beroepen zijn mitsdien ontvankelijk.

4.5

De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen dienen derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op de bezwaren.

Correctie privaatrechtelijke dienstbetrekking

4.6

Door belanghebbende zijn betalingen gedaan aan losse krachten (loods-medewerkers) die werkzaamheden voor haar hebben verricht. Tussen partijen is niet in geschil dat de aan deze personen betaalde bedragen als loon moeten worden aangemerkt. Dit brengt mee dat de Inspecteur over dit loon van respectievelijk NAf 4.669 (2012) en NAf 2.279 (2013) terecht loonbelasting, premies AOV/AWW, premie AVBZ en premie BVZ heeft nageheven.

4.7

Naheffing van loonbelasting is evenwel niet mogelijk als het desbetreffende loonbestanddeel in een (navorderings)aanslag inkomstenbelasting is begrepen die reeds aan de werknemer is opgelegd (vgl. HR 8 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5033). Daarvan is in het onderhavige geval echter niet gebleken. Evenmin is de Inspecteur op grond van enige rechtsregel gehouden voorafgaand aan de oplegging van de naheffingsaanslag te onderzoeken of loonbetalingen waarop deze betrekking heeft, reeds in de heffing van de inkomstenbelasting zijn betrokken.

4.8

Bij het berekenen van de na te heffen bedragen heeft de Inspecteur terecht de dagtabel toegepast, omdat losse krachten zoals de onderhavige, doorgaans naar het aantal gewerkte uren worden betaald. Anders dan belanghebbende voorstaat, kan derhalve niet de maandtabel worden toegepast.

Beschikking ex-patriates 1998; inkomenseis van NAf 100.000 of NAf 150.000

4.9

Op grond van artikel 12, lid 1 Ministeriële regeling ex-patriates 2013 – welke regeling op 31 mei 2013 is gegeven door de Minister van Financiën – blijven de bepalingen van de voorheen geldende Beschikking ex-patriates 1998 van toepassing op verzoeken die zijn ingediend tot de datum van bekendmaking van deze regeling.

4.10

Nu belanghebbende op 10 mei 2012 een verzoek heeft ingediend, zijn op dit verzoek de bepalingen van de Beschikking ex-patriates 1998 van toepassing. Die ministeriële beschikking is per 14 november 2009 gewijzigd (PB 2009, no. 63). Bij die wijziging is onder meer de salariseis verhoogd van NAf 100.000 naar NAf 150.000.

4.11

Op grond van de overgangsbepaling in PB 2009, no. 63 (artikel III, lid 2) zijn de bepalingen van de Beschikking ex-patriates 1998, zoals die luidden tot 14 november 2009, blijven gelden voor de gevallen waarbij de Inspecteur heeft ingestemd met de toepassing van de Beschikking ex-patriates 1998.

4.12

De Inspecteur heeft bij beschikking van 8 april 2008 de digra aangemerkt als ex-patriate voor de periode van 1 juni 2008 tot 1 juni 2013. Belanghebbende heeft als nieuwe werkgever op 10 mei 2012 verzocht de ex-patriate regeling van toepassing te verklaren voor de resterende termijn van de vijfjaarsperiode. De vraag rijst of de aanvraag van 10 mei 2012 betrekking heeft op een voorzetting van de bestaande ex-patriate status zoals deze is toegekend bij beschikking van 8 april 2008, of dat sprake is van een nieuwe aanvraag. Is sprake van een voortzetting, dan heeft de Inspecteur reeds voor 14 november 2009 ingestemd met de toepassing van de Beschikking ex-patriates 1998, hetgeen zou meebrengen dat op grond van de overgangsregeling in artikel III, lid 2, PB 2009, no. 63 (zie 4.11) de bepalingen zijn blijven gelden zoals deze hebben geluid tot 14 november 2009, waaronder de inkomenseis van NAf 100.000.

4.13

In artikel 9 Beschikking ex-patriates 1998 is bepaald dat als de ex-patriate van werkgever verandert, de nieuwe werkgever kan verzoeken om de werknemer opnieuw als ex-patriate aan te merken voor het nog niet verstreken gedeelte van de vijfjaarsperiode. Daarvoor gelden als voorwaarden dat de periode tussen de beëindiging van de oorspronkelijke dienstbetrekking en de aanvang van de opvolgende dienstbetrekking niet meer dan drie maanden bedraagt en dat de opvolgende werkgever kan aantonen dat de regeling op de werknemer van toepassing is geweest alsmede wie de voormalige werkgever van de werknemer is.

4.14

In de toelichting bij de Beschikking ex-patriates 1998 (PB 1998, no. 228) is het volgende opgemerkt:

“De opvolgende werkgever van de ex-patriate kan verzoeken de regeling van toepassing te verklaren op de ex-patriate voor de resterende termijn. In het geval dat de ex-patriate tijdens zijn dienstbetrekking met zijn oude werkgever gedurende twee jaar op grond van deze regeling als ex-patriate is aangemerkt, kan de opvolgende werkgever gedurende drie jaar van deze regeling gebruik maken. Hij dient echter te kunnen bewijzen dat de werknemer een ex-patriate is geweest en wie de voormalige werkgever was. Het spreekt voor zich dat de werknemer bij de aanvang van zijn nieuwe dienstbetrekking nog steeds moet voldoen aan de in artikel 2 genoemde voorwaarden.”

4.15

In artikel 9 Beschikking ex-patriates 1998 is bepaald dat de nieuwe werkgever een verzoek kan doen om de werknemer opnieuw als ex-patriate aan te merken. Gelet op deze bewoording, met name door het gebruik van de term ‘opnieuw’, is het Gerecht van oordeel dat voor toepassing van de overgangsregeling geen sprake is van een aanvraag tot voorzetting van de bestaande ex-patriate status, maar van een nieuw verzoek. Uit de toelichting bij de Beschikking ex-patriates 1998 (PB 1998, no. 228) volgt geen andersluidende uitleg. Dit brengt mee dat op grond van de overgangsregeling in artikel III, lid 2, PB 2009, no. 63 (zie 4.11) de bepalingen gelden zoals deze luiden vanaf 14 november 2009, waaronder de inkomenseis van NAf 150.000.

Beschikking ex-patriates 1998; bepaling inkomen eerste jaar

4.16

Blijkens artikel 2 Beschikking ex-patriates 1998 (PB 2009, no. 63) kan een werknemer als ex-patriate worden aangemerkt als hij een beloning van zijn werkgever geniet van ten minste NAf 150.000. De beoordeling van deze inkomenseis dient te geschieden naar de toestand in het eerste jaar bij de (nieuwe) werkgever. Wordt in het eerste jaar niet voldaan aan de inkomenseis, dan kan de werknemer ook in de volgende jaren niet als ex-patriate worden aangemerkt, zelfs niet als in een later jaar wel aan de inkomenseis wordt voldaan. Voor het onderhavige geval hebben beide partijen uit praktische overwegingen afgesproken dat voor de beoordeling van de inkomenseis het eerste kalenderjaar bij de nieuwe werkgever (2012) in ogenschouw zal worden genomen.

4.17

Bij een inkomenseis van NAf 150.000 is tussen partijen niet in geschil dat de digra daaraan niet voldoet in het kalenderjaar 2012. Dit brengt mee dat de faciliteiten van de Beschikking ex-patriates 1998 geen toepassing vinden ten aanzien van de digra. De Inspecteur heeft daarom terecht belanghebbendes verzoek om de digra aan te merken als ex-patriate, afgewezen.

Omvang belaste vergoedingen

4.18

De digra kan niet worden aangemerkt als ex-patriate. Dit betekent dat de aan de digra verstrekte vergoedingen en beloningen in natura tot het loon worden gerekend.

4.19

Belanghebbende heeft tot en met april 2013 aan de digra een huurwoning ter beschikking gesteld. De maandelijkse huur heeft NAf 4.000 bedragen. Indien, zoals in het onderhavige geval, de woning geen eigendom is van de werkgever, en de huurkosten geheel of gedeeltelijk voor rekening komen van de werkgever, zullen de ten laste van de werkgever komende huurkosten tot het loon worden gerekend. Dit brengt mee dat bedragen van respectievelijk NAf 48.000 (2012) en NAf 16.000 (2013) tot het loon gerekend worden.

4.20

Verder heeft belanghebbende de kosten van water en elektra in de huurwoning voor zijn rekening genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat daarvoor bedragen van respectievelijk NAf 12.178 (2012) en NAf 5.202 (2013) tot het loon gerekend moeten worden.

4.21

Voorts heeft belanghebbende vergoedingen verstrekt ter dekking van schoolkosten van kinderen. Tussen partijen is niet in geschil dat daarvoor bedragen van respectievelijk NAf 21.144 (2012) en NAf 8.650 (2013) tot het loon gerekend moeten worden.

4.22

Het vorenstaande brengt mee dat de Inspecteur terecht de volgende bedragen tot het loon van de digra heeft gerekend:

2012

2013

Vrij wonen

48.000

16.000

Water en elektra

12.178

5.202

Schoolgeld

21.144

8.650

Totaal

81.322

29.852

Vergrijpboetes

4.23

Aan belanghebbende zijn vergrijpboetes van respectievelijk 25% (LB) en 12,5% (premies) opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de loonbelasting en de premies gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig zijn betaald.

4.24

In de Ministeriële regeling formeel belastingrecht is onder meer het boetebeleid van de Inspecteur neergelegd. Op grond van artikel 4.8, lid 2 van deze ministeriële regeling legt de Inspecteur een boete op van 25% ingeval van grove schuld.

4.25

In het voorheen geldende artikel 7, lid 5 van de Ministeriële beschikking administratieve boeten (MBAB) was bepaald dat de hoogste boete wordt gehandhaafd en de overige boeten elk worden verminderd tot de helft indien op grond van een samenhangend complex van feiten over enig belastingjaar ter zake van meerdere belastingmiddelen aanslagen met een vergrijpboete worden opgelegd die uiteindelijk drukken op één belastingplichtige of inhoudingsplichtige (pseudo-samenloop).

4.26

Uit de enkele omstandigheid dat een belastingplichtige onzorgvuldig te werk is gegaan, volgt nog niet dat deze onzorgvuldigheid kan worden aangemerkt als ten minste grove schuld. Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belastingplichtige als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid moet worden gekwalificeerd (vgl. HR 19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990: ZC4481).

4.27

Belanghebbende betwist dat sprake is van grove schuld. Het uitgangspunt van de onschuldpresumptie brengt dan mee dat de Inspecteur de feiten moet stellen en aannemelijk maken die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van grove schuld.

4.28

Bij het boekenonderzoek is gebleken dat belanghebbende aan losse krachten betalingen heeft verricht die niet als loon zijn aangemerkt. Belanghebbende heeft niet betwist dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met deze personen. Het niet aangeven van deze betalingen voor de loonheffing kan dan als een grove onachtzaamheid van belanghebbende worden beschouwd. Dat belanghebbende deze betalingen later aan de Belastingdienst heeft gerenseigneerd, doet aan voornoemde verwijtbaarheid niet af. Daarom is sprake van grove schuld zijdens belanghebbende, zodat de boetes in zoverre terecht zijn vastgesteld op 25% en 12,5% van de nageheven loonbelasting en premies.

4.29

Daarentegen kan het niet aangeven van de aan de digra verstrekte vergoedingen en beloningen in natura, niet als een grove onachtzaamheid van belanghebbende worden beschouwd. In dat verband weegt mee dat belanghebbende een verzoek had ingediend als bedoeld in artikel 6 Beschikking ex-patriates 1998 en dat op dat moment over de uitleg van de inkomenseis onduidelijkheid bestond. Belanghebbende heeft voor het door haar ingenomen standpunt dat de inkomenseis op NAf 100.000 moest worden gesteld, zodanige argumenten aangevoerd dat niet kan worden gezegd dat zij door het innemen van dat standpunt dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan haar schuld is te wijten dat loonbelasting en premies niet (tijdig) zijn betaald.

4.30

Het vorenstaande brengt mee dat de vergrijpboetes moeten worden verminderd tot de volgende bedragen:

2012

2013

Loonbelasting

25% van NAf 107 = NAf 26

25% van NAf 58 = NAf 14

Premie AOV/AWW

12,5% van NAf 668 = NAf 83

12,5% van NAf 392 = NAf 49

Premie AVBZ

12,5% van NAf 99 = NAf 12

12,5% van NAf 50 = NAf 6

Premie BVZ

Nvt

12,5% van NAf 305 = NAf 38

Slotsom

4.31

Gelet op het vorenstaande ziet het Gerecht aanleiding om te oordelen dat de naheffingsaanslagen en de boete BVZ 2013 gehandhaafd moeten worden en dat de overige boetes verminderd moeten worden. Doende wat de Inspecteur zou behoren te doen, zal het Gerecht het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen en de boete BVZ 2013 daarom ongegrond verklaren en de bezwaren tegen de overige boetes gegrond verklaren.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

5.1

Ingevolge artikel 32a, lid 1 ALL worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht.

5.2

Belanghebbende heeft in haar bezwaarschriften verzocht om een kostenvergoeding. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De Inspecteur heeft namelijk niet tegen beter weten in de onderhavige boetebeschikkingen opgelegd, zodat geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten ernstige onzorgvuldigheid.

Kosten beroepsfase

5.3

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.4

In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

5.5

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.6

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;

- verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen ongegrond;

- verklaart het bezwaar tegen de boete BVZ 2013 ongegrond;

- verklaart het bezwaar tegen de overige boetes gegrond;

- vermindert de boete loonbelasting 2012 tot NAf 26;

- vermindert de boete loonbelasting 2013 tot NAf 14;

- vermindert de boete AOV/AWW 2012 tot NAf 83;

- vermindert de boete AOV/AWW 2013 tot NAf 49;

- vermindert de boete AVBZ 2012 tot NAf 12;

- vermindert de boete AVBZ 2013 tot NAf 6;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 30 september 2020, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieCUR@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500