Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:205

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
CUR201900559
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning met als doel gezinshereniging terecht afgewezen. Voldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde werkgeversverklaring en salarisstrook in bezwaar. Geen schending artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonend in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. A.K.H. Ayubi, advocaat,

en

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigden: mr. L.S. Davelaar en mr. A.C. van Hoof, advocaten.

Procesverloop

Bij beschikking van 15 juli 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 29 maart 2018 om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als verblijfsdoel gezinshereniging/gezinsvorming afgewezen.

Bij beschikking van 19 december 2018 (de bestreden beschikking) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen op 14 februari 2019 beroep ingesteld en dit vervolgens aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 29 juni 2020 plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Davelaar, die is vergezeld door mr. K. Leito-Rosario, werkzaam bij de Toelatingsorganisatie.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) heeft, voor zover thans van belang, eenieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

1.2

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (de Ltu) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens verweerder worden geweigerd:

a. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;

b. indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

1.3

Volgens het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake de Landsverordening Toelating en Uitzetting (P.B. 1966, no. 17), zoals gewijzigd en het Toelatingsbesluit (P.B. 1985, no. 57) zoals gewijzigd, van juni 2006 (de HIG), dient een vreemdeling zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan, om voor toelating in aanmerking te komen (paragraaf 3.7). Dat een vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt kan worden aangetoond door een inkomen uit arbeid in loondienst. Middelen van bestaan worden als duurzaam beschouwd, indien deze voor de periode van (de verlenging van) het verblijf beschikbaar zijn. Bij werknemers moet de duurzaamheid aangetoond worden door het overleggen van een werkgeversverklaring. Bij aanvragen van een vreemdeling die voor zijn echtgeno(o)t(e) van vreemde nationaliteit toelating aanvraagt, dient het normbedrag van NAf 3.000,- bruto per maand aan inkomsten te worden aangetoond om aan de voorwaarde van voldoende middelen van bestaan te voldoen (paragraaf 3.7, onderdeel a).

2. Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor de duur van zijn verblijf in Curaçao. In dit verband heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de echtgenote van eiser, bij wie hij stelt verblijf te beogen, anders dan valt af te leiden uit de bij de aanvraag overgelegde werkgeversverklaring, NAf 1.366,44 per maand verdient. Voorts heeft verweerder zich bij die beschikking op het standpunt gesteld dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven van eiser een gerechtvaardigde inmenging is, omdat deze in het belang van het economische welzijn van Curaçao is.

3. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Daartoe voert hij aan dat hij hangende het bezwaar een werkgeversverklaring en een salarisstrook van zijn echtgenote heeft overgelegd, waaruit valt af te leiden dat zij een inkomen geniet van NAf 4.000,- bruto per maand.

3.1

Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (onder meer de uitspraak van 9 oktober 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:16) is het aan de vreemdeling om tegenover verweerder aannemelijk te maken dat hij aan de voor vergunningverlening gestelde vereisten voldoet.

3.2

Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat hij ingeval hij bij de bij een aanvraag overgelegde stukken een discrepantie constateert of deze stukken hem anderszins aanleiding geven tot twijfel, nader onderzoek verricht in de registers van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). In dit geval heeft hij daar aanleiding toe gezien, omdat volgens een door eiser bij de aanvraag overgelegde salarisstrook de echtgenote van eiser werkzaam is bij [werkgever] en daar een inkomen geniet van NAf 1.500,- per maand, terwijl volgens een door eiser hangende bezwaar ingediende werkgeversverklaring en salarisstrook, zijn echtgenote werkzaam is bij [werkgever] en daar een maandelijks inkomen van NAf 4.000,- geniet. Deze aanzienlijke salarisverhoging binnen een kort tijdsbestek, zonder een nadere toelichting, heeft verweerder aanleiding gegeven om nader onderzoek te verrichten. Onderzoek in de registers van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), waar alle werknemers geregistreerd dienen te staan, heeft uitgewezen dat de echtgenote van eiser een inkomen van NAf 1.366,44 per maand geniet, aldus verweerder.

Eiser heeft niet weersproken dat deze informatie in de registers van de SVB is opgenomen, maar heeft betoogd dat verweerder de omstandigheid dat de werkgeefster van zijn echtgenote mutaties in haar inkomen niet heeft gemeld, ten onrechte voor zijn rekening heeft doen komen.

3.3

Naar het oordeel van het Gerecht heeft verweerder onder voormelde omstandigheden door eiser niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat hij duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de door eiser overgelegde werkgeversverklaring geen doorslaggevende betekenis toekomt, nu uit de registers van de SVB blijkt dat het geregistreerde inkomen van zijn echtgenote afwijkt van het op de werkgeversverklaring en loonstrook vermelde inkomen. Daarbij heeft verweerder mede in aanmerking kunnen nemen dat de werkgeefster van de echtgenote van eiser geëxploiteerd wordt door haar zuster. Nu het, zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, aan eiser was om tegenover verweerder aannemelijk te maken dat hij aan de voor vergunningverlening gestelde vereisten, in dit geval het middelenvereiste, voldoet, lag het op zijn weg om – zo nodig door tussenkomst van zijn echtgenote dan wel haar werkgeefster – ervoor zorg te dragen dat de door hem overgelegde stukken overeenstemmen met bij een officiële instantie als de SVB geregistreerde gegevens.

Het betoog faalt.

4. Eiser betoogt verder dat verweerder een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het recht op familieleven van eiser door de verlengingsaanvraag af te wijzen. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toegekend aan zijn belangen, nu de aanvraag mede voorziet in verblijf bij zijn minderjarige zoon, die het syndroom van Down heeft. Eiser heeft mede de zorg over zijn zoon en zijn zoon behoeft permanente medische behandeling.

4.1

Volgens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer uitspraak van 22 november 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:191) volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09, (www.echr.coe.int) – dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het algemeen belang van Curaçao dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechter dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven in Curaçao en anderzijds het algemeen belang van de samenleving van Curaçao bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

4.2

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer de arresten van 8 november 2016, El Ghatet t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, en 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD00127381) dienen in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging te vormen en moet aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht toekomen. Ook volgt uit deze jurisprudentie dat nationale beslisautoriteiten moeten beoordelen of vestiging in het land van herkomst van de vreemdeling een 'certain degree of hardship' met zich brengt.

4.3

Eiser is op 13 augustus 2008 Curaçao binnengekomen en is op 23 maart 2010 met zijn echtgenote in het huwelijk getreden. Op 24 oktober 2012 is hun zoon op Curaçao geboren. De echtgenote en zoon van eiser hebben beiden de Colombiaanse nationaliteit. Gedurende de periode tot aan de bij de bestreden beschikking geweigerde aanvraag, heeft verweerder eiser tweemaal vergunning tot tijdelijk verblijf verleend, steeds voor de duur van een jaar. Voorafgaand aan de bij de bestreden beschikking gehandhaafde afwijzing beschikte eiser over een verblijfstitel, waardoor hij feitelijk in staat was het familie- en gezinsleven uit te oefenen, zodat sprake is van een inmenging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Aan deze vergunning had verweerder ten grondslag gelegd dat eiser aannemelijk had gemaakt over voldoende middelen van bestaan te beschikken, nu zijn echtgenote een maandelijks inkomen van NAf 3.500,- genoot.

4.4

Het Gerecht is van oordeel dat de voor de door verweerder te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden geen grond bieden voor het oordeel dat de handhaving van de afwijzing van de aanvraag een schending inhoudt van artikel 8 van het EVRM. Daarbij neemt het Gerecht het volgende in aanmerking. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het uitoefenen van het gezinsleven buiten Curaçao, dan wel of de uitoefening van het gezinsleven in het land van zijn herkomst of dat van zijn echtgenote leidt tot een 'certain degree of hardship'. Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat zijn zoon vanwege zijn aandoening voortdurende medische behandeling behoeft, maar hij heeft niet betoogd dat en waarom deze behandelingen niet buiten Curaçao kunnen worden gegeven, terwijl het aan eiser is om aannemelijk te maken dat de voorzieningen in het land van zijn herkomst dan wel dat van zijn echtgenote voor hen niet geschikt of toegankelijk zijn. Ten aanzien van de overgelegde brief van de behandelend kinderarts van de zoon van eiser van 18 juni 2020, waarin het belang van de aanwezigheid van eiser in het leven van zijn zoon wordt vermeld, heeft te gelden dat artikel 8 van het EVRM niet zover strekt dat dit een vrije domiciliekeuze voor kinderen impliceert waarbij de meest ideale en wenselijke situatie moet worden gegarandeerd, en dat uit deze brief niet blijkt dat de zoon van eiser voor zijn medische behandeling aan Curaçao is gebonden. Gelet op het vorenoverwogene, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een 'fair balance' tussen de door eiser aangevoerde belangen en het Curaçaos algemeen belang in het nadeel van eiser uitvalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2020 te Curaçao, in aanwezigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. zie hoofdstuk 5 van de Lar.