Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:198

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
CUR202000510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot bevel aan Land tot nakoming uitspraak ambtenarenrechter. Dwangsom. Tussenvonnis met termijnstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISER],

wonend te Curaçao,

eiser in kort geding,

gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam,

tegen

de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,

zetelend te Curaçao,

gedaagde in kort geding, hierna: het Land,

gemachtigde: mr. L.S. Davelaar.

1 Verloop van de procedure

Eiser heeft op 13 februari 2020 een verzoekschrift ingediend. Het Land is bij exploot van 2 maart 2020 opgeroepen voor de behandeling. Het kort geding is na aanhouding in verband met de coronamaatregelen, behandeld op 9 juni 2020. Eiser is verschenen, evenals de gemachtigden van partijen. De gemachtigde van het Land heeft een pleitnota overgelegd.

Uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

Eiser is bij Landsbesluit van 15 april 2013 ontslagen als aspirant-agent bij het Korps Politie Curaçao omdat hij niet was geslaagd voor de basisopleiding.

2.2

Bij uitspraak van 19 juni 2014 heeft het Gerecht in Ambtenarenzaken het ontslag vernietigd omdat, samengevat, het examenreglement waarop het ontslag was gebaseerd sinds 10-10-10 niet meer van kracht was en omdat eiser ten minste in staat moest worden gesteld alsnog het herexamen te maken. Namens de Gouverneur is hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak bij de Raad van Beroep. Bij e-mail aan de Raad van 20 september 2017 is het hoger beroep namens de Gouverneur ingetrokken.

2.3

Eiser heeft na zijn ontslag niet meer gewerkt.

2.4

Bij verzoeken van 10 november 2017 en 19 februari 2018 heeft eiser verzocht zijn werkzaamheden als politieambtenaar te mogen hervatten en zijn bezoldiging te mogen ontvangen.

2.5

Toen een reactie op deze verzoeken uitbleef, heeft eiser zich weer tot het Gerecht in Ambtenarenzaken gewend. Bij uitspraak van 21 oktober 2019 is eisers bezwaar gegrond verklaard, is de weigering om op zijn verzoek te beslissen vernietigd en is aan de Minister van Justitie opgedragen binnen twee maanden op eisers verzoek te beslissen. Aan die uitspraak is geen gevolg gegeven.

3 De beoordeling

3.1

In dit kort geding vordert eiser een bevel aan het Land om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis te voldoen aan de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 21 oktober 2019 (zaaknummer GAZ CUR201801561), op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAf 15.000 per week.

3.2

Het Land heeft zich in zoverre tegen de vordering verweerd, dat het verzoekt om een nadere termijn om op de verzoeken van eiser te kunnen beslissen. Volgens het Land is men met man en macht bezig en zal op korte termijn definitief beslist worden. Het Land verzoekt om een nadere termijn van een maand. Voorts verzet het Land zich tegen (de hoogte van) de gevorderde dwangsom en merkt het Land met verwijzing naar de artikelen 436 en 436a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op dat het niet eenvoudig zal zijn om aan het Land opgelegde dwangsommen daadwerkelijk te executeren.

3.3

Het gerecht ziet aanleiding aan het Land een termijn te geven om alsnog een beslissing te nemen op de verzoeken van eiser van 10 november 2017 en 19 februari 2018 en om die beslissing in het geding te brengen. In afwachting daarvan zal nog niet worden beslist of aan het door het Gerecht in Ambtenarenzaken gegeven bevel een door het Land te verbeuren dwangsom moet worden verbonden.

3.4

Het gerecht overweegt evenwel nu alvast dat het mogelijk is dat de burgerlijke rechter een uitspraak van de ambtenarenrechter kracht bijzet door daaraan een dwangsom te verbinden. Verwezen wordt naar de uitspraak in kort geding van dit gerecht van 14 mei 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:73 en naar de daarin genoemde uitspraak van dit gerecht van 28 december 2015 (AR 75977/2015), waarin onder meer is overwogen:

“4.1. Voor het opleggen van een dwangsom biedt de Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAR) geen grondslag. Verder is het opleggen van een als dwangsom aan te merken schadevergoeding op grond van artikel 96 van de RAR niet mogelijk. Bij uitspraak van 20 september 2007 heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken immers bepaald dat artikel 96 van de RAR slechts de grondslag biedt voor de bevoegdheid om bij het niet uitvoeren van een uitspraak een schadevergoeding vast te stellen met terzijdestelling van die uitspraak. Dat artikel geeft de ambtenarenrechter, aldus de Raad, niet de bevoegdheid om bij te late uitvoering een schadevergoeding op te leggen, bijvoorbeeld in de vorm van wettelijke rente, of een als vooraf bepaalde schadevergoeding aan te merken dwangsom op te leggen om uitvoering af te dwingen.

4.2.

Dat in de RAR niet is voorzien in de mogelijkheid van het opleggen van een dwangsom heeft wellicht te maken met het feit dat de wetgever bij de totstandkoming van de RAR in de jaren ’50 van de vorige eeuw ervan uit is gegaan dat bestuursorganen en openbare lichamen altijd uitvoering geven aan rechterlijke uitspraken. De ervaring heeft echter geleerd dat dat laatste niet altijd het geval is. Van ambtenaren kan niet worden verwacht dat zij zich erbij neerleggen dat het Land rechterlijke uitspraken negeert. Gelet daarop is het Gerecht vooralsnog van oordeel dat ambtenaren zich tot de civiele rechter kunnen wenden om door het vorderen van een dwangsom te proberen te bereiken dat het land alsnog uitvoering geeft aan ambtenarenrechtelijke uitspraken.”

3.5

De mogelijkheid om een dwangsom te verbinden aan een uitspraak van de ambtenarenrechter volgt ook uit het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 1 maart 2016 (AR 73963/2015 - H 318/15, ECLI:NL:OGHACMB:2016:8).

4 De beslissing

Het gerecht:

rechtdoende in kort geding:

4.1

stelt het Land in de gelegenheid om uiterlijk op vrijdag 24 juli 2020 de beslissing op de verzoeken van eiser van 10 november 2017 en 19 februari 2018 in het geding te brengen (per e-mail aan de rechter en aan de gemachtigde van eiser);

4.2

houdt iedere verdere beslissing aan, waaronder de beslissing over de proceskosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2020.