Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:163

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
CUR201804261
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de SVB aan een medewerkende om te voldoen aan informatieplicht is niet op rechtsgevolg gericht en is dus geen beschikking in de zin van de Lar. Gerecht is onbevoegd om op het beroep te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

LABORATORIO DE MEDICOS B.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.C. van Hoof, advocaat,

en

de Sociale Verzekeringsbank,

verweerster (de SVB),

gemachtigde: mr. K.A. Martis, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 10 september 2018 heeft de SVB eiseres verzocht uiterlijk op 1 oktober 2018 haar jaarrekeningen over 2015, 2016 en 2017, voorzien van een getekende accountantsverklaring, over te leggen, onder de mededeling dat het niet voldoen aan het verzoek kan leiden tot het opleggen van sancties (het informatieverzoek).

In antwoord op de brief van eiseres daarover van 21 september 2018, heeft de SVB bij brief van 25 oktober 2018 (het herhaalde informatieverzoek) eiseres gesommeerd binnen 14 dagen alsnog de vermelde jaarrekeningen over te leggen, wederom onder verwijzing naar de mogelijkheid van het opleggen van sancties indien aan de sommatie geen gehoor wordt gegeven.

Bij brief van 13 november 2018 heeft eiseres tegen het herhaalde informatieverzoek bij de SVB een bezwaarschrift ingediend. Dit is door de SVB bij brief van 26 november 2018 naar de door de Minister van Sociale Zaken op grond van artikel 16 van de Regeling Medewerking aan de Sociale Verzekeringen 1960 (de Regeling Medewerking) aangewezen Rechtsgeleerde doorgezonden om door hem te worden behandeld als beroep. Daarbij heeft de SVB op de zaak betrekking hebbende stukken gevoegd.

Bij brief van 4 december 2018 heeft de Rechtsgeleerde partijen medegedeeld zich onbevoegd te achten op dat beroep te beslissen en dat doorgezonden naar het Gerecht om dat als beroep op de grondslag van artikel 8 van de Lar te behandelen.

Bij brieven van 28 juni en 1 juli 2019 heeft eiseres stukken ingezonden.

De openbare behandeling ter zitting van het Gerecht heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Eiseres werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door zijn kantoorgenoot mr. L. Davelaar en R. Le Blanc, directeur van eiseres. De SVB werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door L. Felida, accountmanager bij de SVB. Teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen en zich schriftelijk nader over de zaak uit te laten, heeft het Gerecht de behandeling ter zitting geschorst.

De SVB heeft nadere stukken ingediend en eiseres heeft zich bij brieven van 15 augustus en 15 november 2019 nader over de zaak uitgelaten. Naar aanleiding daarvan heeft de SVB nadere stukken ingediend met de mededeling dat alleen het Gerecht daarvan kennis mag nemen.

Op grond van artikel 24 van de Lar heeft geheimhoudingsrechter mr. Martinez op 16 april 2020 beslist dat de beperking waaronder de SVB de desbetreffende stukken heeft overgelegd gerechtvaardigd is en dat eiseres wordt verzocht te laten weten of zij toestemming verleent aan het Gerecht die stukken bij zijn beoordeling te betrekken.

De behandeling ter zitting is voortgezet op 3 juni 2020. Toen waren aanwezig voor eiseres haar gemachtigde, vergezeld door R. Le Blanc, en voor de SVB haar gemachtigde, vergezeld door L. Felida.

Overwegingen

1. Ambtshalve oordeelt het Gerecht dat de bij ministeriële beschikking van 30 augustus 2018 als zodanig aangewezen Rechtsgeleerde niet bevoegd is om in afwijking van de bij de Lar geregelde rechtsbescherming geschillen te beslissen tussen de SVB en medewerkenden als bedoeld in artikel 1 van de Regeling Medewerkenden. Een van de Lar afwijkende rechtsgang behoeft een expliciete grondslag in een Landsverordening, dat wil zeggen dat bij die Landsverordening ten minste uitdrukkelijk de weg van een afwijkende rechtsgang wordt opengesteld. Voor de betrokken bepalingen over het beroep bij de Rechtsgeleerde in de Regeling Medewerking dat is een Landsbesluit, houdende algemene maatregelen is die expliciete grondslag echter niet voorhanden. De artikelen 10.6 en 12.6, eerste lid, van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (LvBVZ) bieden die niet, noch is er een andere bepaling aan te wijzen die daarin voorziet.

Het Gerecht acht zich dan ook op grond van artikel 8.1, tweede lid, van de Lvbvz in samenhang met artikel 8 van de Lar bevoegd beroepen van medewerkenden tegen beschikkingen van de SVB ter zake van hun medewerking te behandelen.

2. Verder oordeelt het Gerecht ambtshalve dat het informatieverzoek, noch het herhaalde informatieverzoek als beschikking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Lar is aan te merken.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.

De verzoeken zijn gebaseerd op artikel 10.4, eerste lid, van de LvBVZ, waarin staat dat een ieder de SVB de inlichtingen, gegevens of bescheiden verschaft die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van deze landsverordening. Het uit de informatieverzoeken blijkende standpunt van de SVB dat de betrokken jaarrekeningen onder de informatieplicht vallen, is op zichzelf beschouwd niet op rechtsgevolg gericht. Daarvan is pas sprake zodra de SVB aan het niet nakomen van die beweerdelijke plicht een sanctie verbindt. Dat was bij de informatieverzoeken nog niet het geval. Gebleken is dat de SVB dat bij beschikking van 16 april 2019 alsnog heeft gedaan. Tegen die beschikking heeft eiseres bezwaar ingediend, waar de SVB nog op moet beslissen. Het Gerecht gaat ervan uit dat dit na deze uitspraak op korte termijn alsnog zijn beslag zal krijgen.

3. De slotsom is dat het Gerecht niet bevoegd is op het beroep te beslissen, omdat dit niet gericht is tegen een beschikking.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart zich onbevoegd.

Aldus vastgesteld door mrs. Haan, voorzitter, Sybesma en Hoefdraad, leden, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.