Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:160

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
CUR202001065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming na beëindigingen overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202001065

Vonnis in kort geding van 8 juni 2020

inzake

[EISER],

wonende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. H.W. Braam,


tegen

[GEDAAGDE],

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S.S.J. Vierbergen.


Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1. [

eiser] heeft op 21 april 2020 een verzoekschrift ingediend. Op 22 mei 2020 zijn door [gedaagde] producties aan het Gerecht toegezonden. Op 25 mei 2020 is door [eiser] een vermeerdering van eis ingediend. Vervolgens heeft op 25 mei 2020 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de gemachtigde van [eiser], en [gedaagde], bijgestaan door haar gemachtigde, zijn verschenen. De gemachtigden hebben het woord aan de hand van hun pleitaantekeningen gevoerd. De gemachtigde van [eiser] heeft de vermeerdering van eis ter zitting ingetrokken.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 1 oktober 2017 hebben [eiser] en [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten voor de onroerende zaak op de [adres] [nummer 1]. De huurovereenkomst is op
1 november 2017 ingegaan, voor de duur van één jaar, met stilzwijgende verlenging steeds voor één jaar, tenzij een van de partijen de huur een maand voor de einddatum opzegt.

2.2.

De onroerende zaak die wordt verhuurd/gehuurd bestaat uit:

  1. de bar, aangeduid als [adres] [nummer 1], (de bar) tegen een huurprijs van NAf 2.300 per maand;

  2. vier appartementen, aangeduid als [adres] [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4] en [nummer 5] (de appartementen) tegen een huurprijs van NAf 800 per appartement per maand;

  3. een foodtruck op het terrein van de [adres] [nummer 1] (de foodtruck) tegen een huurprijs van NAf 250 per maand,

hierna samen ook te noemen: de onroerende zaken.

2.3. [

eiser] heeft middels een deurwaardersexploot van 29 mei 2019 een brief gedateerd 24 mei 2019 aan [gedaagde] betekend waarin de huurovereenkomst met [gedaagde] wordt beëindigd omdat zij zich niet als goed huurder gedraagt. [gedaagde] wordt verzocht de gehuurde panden per 1 november 2019 te ontruimen en de sleutels aan [eiser] af te geven.

2.4.

Partijen zijn vervolgens via gemachtigden met elkaar in overleg getreden over de beëindiging van de huurovereenkomst. Dat overleg heeft geresulteerd in de afspraak dat – voor zover hier van belang – de huur van de appartementen per 1 november 2019 zal worden beëindigd en de huur van de bar per 1 juli 2020 zal worden beëindigd en dat de huur, zoals gebruikelijk, op tijd zal worden betaald.

2.5. [

gedaagde] heeft de appartementen niet per 1 november 2019 ontruimd.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad, primair de bar en de appartementen binnen één week te ontruimen en subsidiair de appartementen binnen één week en de bar per uiterlijk 1 juli 2020 te ontruimen, leeg en in de originele staat achter te laten, met afgifte van de sleutels aan [eiser], met machtiging aan [eiser] om de ontruimingen zelf te bewerkstelligen, mocht gedaagde in gebreke blijven, desnoods met behulp van de sterke arm, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2. [

eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] de gemaakte afspraak betreffende de beëindiging van de huur, zoals onder 2.4. opgenomen, niet nakomt. Voorts is sprake van achterstallige huurbedragen voor de appartementen sinds november 2019 en tevens voor de bar. Dit is in strijd met artikel 14 van de huurovereenkomst. Op grond hiervan kan de huurovereenkomst met onmiddellijk ingang ontbonden worden.

3.3. [

gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en stelt – samengevat – dat de moeder van [eiser], met wie zij voornamelijk correspondeerde aangaande de huur van de onroerende zaken, haar enkele dagen na 1 november 2019 heeft toegezegd dat zij de huurovereenkomsten niet meer wilde beëindigen en dat [gedaagde] de bar en de appartementen tot haar beschikking kon houden. [gedaagde] heeft dit opgevat als dat de huur van de onroerende zaken in ieder geval zou doorlopen tot 1 november 2020. Voorts heeft [gedaagde] de volledige huur voldaan, enkel in de maand maart kon zij de huur, vanwege de maatregelen rondom het corona virus, niet op tijd betalen en is er een huurachterstand ontstaan, maar niet van drie maanden. De maatregelen zijn inmiddels opgeheven, waardoor [gedaagde] weer inkomsten kan genereren en de huur zoals gewoonlijk conform de overeenkomst kan betalen.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In essentie is aan de orde de vraag of de tussen [eiser] en [gedaagde] in oktober 2019 gesloten overeenkomst aangaande de beëindiging van de huurovereenkomst van de appartementen en de bar haar gelding heeft verloren door de door de moeder van [eiser] gedane toezegging, zoals door [gedaagde] is gesteld, dan wel door de feitelijke gang van zaken.

4.2.

Naar het oordeel van het Gerecht is daarvan in kort geding niet gebleken. De afspraak betreffende de beëindiging van de huurovereenkomst is in onderling overleg en via bemiddeling van de (toenmalige) gemachtigden van partijen tot stand gekomen. De afspraak dat de huurovereenkomst van de appartementen per
1 november 2019 zou eindigen en die van de bar – en daarmee de gehele huurrelatie – per 1 juli 2020 zou eindigen, is daarmee bepalend tussen partijen. [gedaagde] heeft ter zitting aangegeven dat zij de sleutels van de appartementen wilde inleveren bij de moeder van [eiser], maar dat de moeder aangaf dat zij van de appartementen gebruik mocht blijven maken. [gedaagde] heeft daaruit afgeleid dat de moeder van [eiser] de huurrelatie toch niet meer wilde beëindigen en dat de huurovereenkomst daarmee tot 1 november 2020 verlengd zou worden.

4.3.

Vaststaat dat [gedaagde] ook na 1 november 2019 de beschikking heeft gehad over de appartementen. [eiser] heeft geen maatregelen getroffen om [gedaagde] na 1 november 2019 uit de appartementen te ontruimen. [gedaagde] stelt dat zij na 1 november 2019 ook huur voor de appartementen heeft betaald. [eiser] betwist dat, maar een afschrift van een app-bericht van de moeder van [eiser] in combinatie met betalingsafschriften die dateren van februari en maart 2020, doet vermoeden dat er na november 2019 nog wel voor de appartementen is betaald. Dat ondersteunt de stelling van [gedaagde] dat er in ieder geval door de moeder van [eiser], die meestal als contactpersoon binnen de huurrelatie optrad, is aangegeven dat [gedaagde] na 1 november 2019 tegen betaling nog gebruik mocht maken van de appartementen. Anders dan [gedaagde] stelt kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat de afspraak tussen haar en [eiser] betreffende de beëindiging van de huurovereenkomst van de bar per 1 juli 2020 en daarmee de gehele huurrelatie, ook geen gelding meer zou hebben. Uit de door [gedaagde] gestelde mondelinge toezegging kan dat, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet worden afgeleid. [gedaagde] heeft ook niet gemotiveerd toegelicht waar zij het vermoeden aan ontleende dat de toezegging van de moeder van [eiser], die niet bij de afspraken over het beëindigen van de huurovereenkomst betrokken was, de gehele beëindigingsovereenkomst met [eiser] zou doen vervallen. Een dergelijk uitleg van de toezegging lag ook niet voor de hand nu [gedaagde] slechts twee dagen voor de gestelde toezegging middels gemachtigden met [eiser] een regeling betreffende de beëindiging van de gehele huurrelatie was overeengekomen, [gedaagde] geen navraag heeft gedaan bij haar gemachtigde over de reikwijdte van de toezegging van de moeder van [eiser], en zij wist dat [eiser] er altijd al de voorkeur aan had gegeven de huurovereenkomst van de appartementen gelijktijdig met de huurovereenkomst van de bar zou worden beëindigd.

4.4.

Het voorgaande leidt er toe dat naar het oordeel van het gerecht onvoldoende aannemelijk is geworden dat de tussen [eiser] en [gedaagde] in oktober 2019 gesloten overeenkomst aangaande de beëindiging van de huurovereenkomst haar gelding heeft verloren door de door de moeder van [eiser] gedane toezegging, zoals door [gedaagde] is gesteld. [eiser] heeft beoogd met de beëindigingsovereenkomst de gehele huurrelatie per 1 juli 2020 te beëindigen. [gedaagde] heeft daarmee ingestemd. Daar is geen verandering in gekomen en zal, als gezegd, bepalend moeten zijn tussen partijen.

4.5.

Gelet op het voorgaande zal, mede gelet op het spoedeisend belang, de subsidiaire vordering van [eiser] (deels) worden toegewezen. Enkel ten aanzien van de datum zal het Gerecht bepalen dat niet alleen de bar, zoals verzocht, maar tevens de appartementen per 1 juli 2020 dienen te worden ontruimd. Hiertoe overweegt het Gerecht dat het, gelet op de datum van dit vonnis en de verbondenheid van de bar met de appartementen, wenselijk is dat zij op eenzelfde datum worden ontruimd. Het primaire verzoek zal dan ook worden afgewezen.

4.6.

De vordering tot machtiging van [eiser] om de ontruiming zonodig zelf, met behulp van de sterke arm, te doen bewerkstelligen, zal worden afgewezen. Artikel 556 lid 1 Rv schrijft namelijk voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder en een machtiging aan [eiser] om zelf de ontruiming te bewerkstelligen zou met deze regel in strijd zijn.

4.7. [

gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op NAf 263,50 aan oproepingskosten, NAf 450 aan griffierecht en NAf 1.000 aan gemachtigdensalaris.

5 De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] de onroerende zaken aangeduid als [adres] [nummer 1] (de bar) en [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4] en [nummer 5] (de appartementen) per 1 juli 2020, te ontruimen en in lege en originele staat achter te laten, met afgifte van de sleutels en ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen;

5.2.

verstaat dat de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent reeds thans toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo. 444 lid 2 Rv;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op NAf 1.713,50;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 8 juni 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

mm