Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:156

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
CUR202000714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuur snèk Otrobanda. Sluiting op last overheid wegens corona. Onvoorziene omstandigheden. Huurkosten over de twee maanden van de sluiting bij helfte verdeeld tussen verhuurder en huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202000714

Vonnis in kort geding d.d. 8 juni 2020

inzake

[Verhuurster],

wonende in Curacao,

eiseres,

gemachtigde: mr. E. Kleist,

tegen

[HUURSTER],

wonende in Curacao,

gedaagde,

gemachtigde: [naam]

Partijen zullen hierna [Verhuurster] en [Huurster]worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1. [

Verhuurster] heeft op 3 maart 2020 een verzoekschrift ingediend. Bij e-mails van 22 mei 2020 zijn namens [Verhuurster] nadere producties aan het gerecht toegezonden. Vervolgens heeft op 25 mei 2020 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [Verhuurster] zijn haar twee dochters […] verschenen samen met de gemachtigde voornoemd. [Huurster] is verschenen bij diens gemachtigde voornoemd. Beide partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen en hebben nadere stukken in het geding gebracht. […]

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten en het geschil

2.1. [

Huurster] huurt sinds 1 augustus 2019 een Kiosksnack (snackbar Nos Neshi) inclusief apparatuur aan de Sebastopolstraat z/n van [Verhuurster]. De huur is aangegaan voor de duur van 12 maanden, en daarmee eindigend op 31 juli 2020. [Huurster] is maandelijks een bedrag van NAf 4.000 aan huur, winstparticipatie en goodwill aan [Verhuurster] verschuldigd.

2.2. [

Huurster] heeft de in de snackbar aanwezige inventaris voor een bedrag van NAf 7.500 van [Verhuurster] overgenomen.

2.3. [

Verhuurster] heeft [Huurster] bij brief van 22 januari 2020 aangemaand tot betaling van achterstallige huurpenningen.

2.4.

Medio maart 2020 is de snackbar gesloten in verband met de door de overheid opgelegde maatregelen die verband houden met Covid-19.

2.5.

Tot op heden heeft [Huurster] de snackbar niet geopend.

2.6. [

Verhuurster] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    [Huurster] te veroordelen om binnen 2 x 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, snackbar Nos Neshi te ontruimen met al degene en datgene wat bij [Huurster] hoort en met allen die beweren mochten aan snackbar Nos Neshi enig occupatierecht te ontlenen en onder overgave van de sleutels geheel leeg en vrij aan eiseres ter beschikking te stellen, met machtiging aan [Verhuurster] om bij onwil of nalatigheid van [Huurster]onmiddellijk aan deze veroordeling te voldoen, de ontruiming te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

  • -

    [Huurster] te veroordelen om aan [Verhuurster] te betalen bij wijze van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting, het totaal bedrag aan achterstallige huurpenningen, goodwill en winstparticipaties vanaf november 2020 tot de dag waarop [Huurster] het gehuurde zal hebben ontruimd vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag aan achterstallige huurpenningen, goodwill en winstparticipaties vanaf het moment dat [Huurster] gestopt met de afdracht van de huurpenningen tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    [Huurster] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder ook de door [Verhuurster] betaalde griffierechten.

2.7. [

Huurster] voert gemotiveerd verweer.

2.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen volgt uit de aard van de zaak en de stelling van [Verhuurster] dat zij door niet (tijdige) betaling van de huurpenningen inkomsten misloopt.

3.2.

Als niet betwist staat vast dat [Huurster] van [Verhuurster] een snackbar huurt in Otrabanda en dat zij sinds de aanvang van de huurovereenkomst een bedrag van NAf 4.000 aan [Huurster] betaalt.

3.3.

Ter zitting is gebleken dat beide partijen de beëindiging van de huurovereenkomst nastreven, zij het op verschillende gronden. [Verhuurster] stelt dat [Huurster] sedert november 2019 geen huur heeft betaald en dat de huurachterstand de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming rechtvaardigt. [Huurster] voert aan dat zij bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft gedwaald omtrent de huurprijs. Zij stelt dat zij onder dreiging twee verschillende huurovereenkomsten heeft moeten ondertekenen, één met een huurprijs van NAf 2.000 per maand en één met een huurprijs van NAf 4.000 per maand. Om die reden wenst [Huurster] de huurovereenkomst niet langer voort te zetten. Nu partijen beiden het einde van de huurovereenkomst nastreven zal het Gerecht daartoe overgaan.

3.4. [

Verhuurster] vordert tevens betaling van de achterstallige huurpenningen. [Huurster] betwist niet dat er sprake is van een huurachterstand. Zij stelt echter dat zij weliswaar medio december 2019 en januari 2020 geen huur heeft betaald, maar dat de huurachterstand die is ontstaan vanaf februari 2020 niet aan haar valt toe te rekenen en zij die daarom niet verschuldigd is.

3.5.

Het gerecht stelt voorop dat er geen ondersteuning is voor het verweer dat [Huurster] de huur voor november 2019 en de helft van december 2019 wel heeft voldaan, nu iedere onderbouwing daarvoor ontbreekt. De laatst overgelegde kwitantie dateert van 9 oktober 2019. Voorts is [Huurster] bij brief van 22 januari 2020 op de ontstane huurachterstand aangesproken en is gesteld noch gebleken dat zij daartegen is opgekomen met de stelling dat toen enkel de huur vanaf half december 2019 verschuldigd was.

3.6.

De huurachterstand sedert januari 2020 wordt niet betwist. [Huurster] heeft geen onderbouwd waarom zij geen huur heeft betaald over januari 2020. De stelling van [Huurster] dat zij over februari 2020 geen huur kon betalen omdat MEO de snackbar had gesloten, heeft [Huurster] onvoldoende onderbouwd. [Verhuurster] betwist niet dat MEO de snackbar enkele dagen heeft gesloten. [Huurster] heeft echter niet gesteld hoe lang de snackbar op last van MEO gesloten is geweest. Dat had wel op haar weg gelegen nu [Verhuurster] foto’s heeft overgelegd die doen vermoeden dat de snackbar ondanks de sluiting door MEO toch open is geweest. [Huurster] heeft evenmin gemotiveerd toegelicht op welke wijze de sluiting effect heeft gehad op haar omzet. De kosten die [Huurster] heeft opgevoerd als gevolg van de door haar op last van MEO doorgevoerde aanpassingen, zijn niet onderbouwd. Voorts is de opgevoerde post ‘inkomstenderving door toedoen van de verhuurder’ niet concreet berekend maar beperkt tot een PM-post. Dat [Huurster] in februari 2020 buiten haar toedoen geen omzet heeft kunnen genereren om de huur te voldoen is daarmee, gelet op de gemotiveerde betwisting van [Verhuurster], onvoldoende onderbouwd.

3.7.

De covid 19-pandemie en de in verband daarmee door de overheid opgelegde maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus vormen geen voor partijen voorziene gebeurtenis. De vraag voor wiens rekening de gevolgen daarvan dienen te komen (de noodgedwongen sluiting door huurder van haar bedrijf en dientengevolge het wegvallen van haar omzet) laat zich niet eenvoudig beantwoorden. Enerzijds ontslaat de onvoorziene gebeurtenis de huurder niet van haar betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst. Dat geldt in het onderhavige geval temeer nu [Huurster] het voorstel van [Verhuurster] om de huurovereenkomst vanaf april 2020 te beëindigen teneinde een hoger oplopende schuld te voorkomen, heeft afgewezen. Anderzijds is goed denkbaar dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat in de zakelijke verhouding van partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de negatieve gevolgen van de coronasluiting niet enkel op huurder kunnen worden afgewenteld (art. 6:257 BW), nu gedurende de coronamaatregelen aan huurder geen of in beperkte mate huurgenot is verschaft (art. 7:207 juncto 7:204 lid 2 BW). Gelet daarop, alsmede bij een afweging van de wederzijdse belangen, zal voorlopig oordelend tot uitgangspunt worden genomen dat de huurkosten over de periode dat de snackbar op last van de overheid was gesloten (medio maart 2020 tot medio mei 2020; circa twee maanden), evenredig over beide partijen moeten worden verdeeld. Dat uitgangspunt vindt in het onderhavige geval nog steun in het gegeven dat een deel van de huur in de huurovereenkomst expliciet was geduid als winstparticipatie, waarvan in de desbetreffende periode geen sprake kan zijn geweest.

3.8.

Voor zover [Huurster] tenslotte heeft bedoeld te stellen dat voor het begroten van de huurachterstand uit dient te worden gegaan van huurprijs van NAf 2.000, vindt dat geen steun in de feiten. Vaststaat dat beide partijen een huurovereenkomst hebben getekend die uitgaat van een huurprijs van NAf 4.000, welke huurprijs deels bestaat uit winstparticipaties en goodwill. [Huurster] heeft een tweede overeenkomst overgelegd waarin die passage betreffende winstparticipaties en goodwill ontbreekt, zodat enkel de huurprijs van NAf 2.000 resteert. Nog los van het feit dat de handtekeningen onder die tweede huurovereenkomst niet stroken met de handtekeningen op de respectievelijke sedula’s, is de stelling ook niet geloofwaardig. Immers, uit een overgelegde beschikking van de Huurcommissie van de voormalig huurder van de snackbar blijkt dat ook vóór [Huurster] een huurprijs deels bestaande uit winstparticipaties en goodwill werd gevraagd en betaald. Voorts heeft [Huurster] vanaf het begin van de huurovereenkomst een bedrag van NAf 4.000 aan huur voldaan. Het gerecht zal daar van uitgaan.

3.9.

Het (op tijd) betalen van de huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst voor de huurder. Gelet op het hiervoor overwogene, staat de huurachterstand tot 1 juni 2020 ten bedrage van NAf 24.000 (5 maanden ad NAf 4.000 en twee maanden ad NAf 2.000) vast.

3.10.

De verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten is niet betwist. De kosten zullen, conform hetgeen in het Procesreglement 2018 is geregeld, worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom tot een bedrag van NAf 1.500,00, te weten 1½ punt van het toepasselijke liquidatietarief 4, zijnde het gebruikelijke en algemeen als redelijk aanvaarde tarief. Nu het geen omzet betreft is er ook geen OB over verschuldigd.

3.11.

De vordering tot machtiging van [Verhuurster] om de ontruiming zonodig zelf, met behulp van de sterke arm, te doen bewerkstelligen, zal worden afgewezen. Artikel 556 lid 1 Rv schrijft namelijk voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder en een machtiging aan [Verhuurster] om zelf de ontruiming te bewerkstelligen zou met deze regel in strijd zijn.

3.12. [

Huurster] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [Verhuurster] tot op heden begroot op:

explootkosten NAf 354,73

griffierecht NAf 450

salaris gemachtigde NAf 1.000 +

totaal: NAf 1.804,73

4 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

4.1.

veroordeelt [Huurster] om binnen 2 x 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, snackbar Nos Neshi te ontruimen met al degene en datgene wat bij [Huurster] hoort en met allen die beweren mochten aan snackbar Nos Neshi enig occupatierecht te ontlenen en onder overgave van de sleutels geheel leeg en vrij aan eiseres ter beschikking te stellen;

4.2.

veroordeelt [Huurster] om aan [Verhuurster] te betalen de achterstallige huurpenningen, goodwill en winstparticipaties vanaf november 2020 tot de dag waarop [Huurster] het gehuurde zal hebben ontruimd, tot juni 2020 begroot op een bedrag van NAf 24.000, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad NAf 1.500 en vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag aan achterstallige huurpenningen, goodwill en winstparticipaties vanaf het moment dat [Huurster] gestopt met de afdracht van de huurpenningen tot aan de dag der algehele voldoening;

4.3.

veroordeelt [Huurster] in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op NAf 1.804,73;

4.1.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.2.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 8 juni 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.