Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2020:115

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
CUR201900246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaat procedure - grenzen rechtsstrijd - waarheidsplicht - benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201900246

Vonnis d.d. 17 februari 2020

inzake

[EISER],

wonende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. E. Bokkes,

tegen

de naamloze vennootschap

REWA ANTILLEN N.V., h.o.d.n. KONTIKI BEACH CLUB,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. J. Eichhorn,

en de gevoegde partij

de buitenlandse vennootschap

MASSY UNITED INSURANCE LTD.,

kantoorhoudende in Curaçao,

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. M.R. Hammoud

Partijen zullen hierna [eiser], Rewa en Massy, althans gezamenlijk gedaagden worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het voegingsincident d.d. 8 juli 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van Rewa;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en verzoek overlegging stukken ex artikel 141 RV van Massy;

  • -

    de brief van mr. Hammoud van 29 oktober 2019 waarin de eis in reconventie wordt ingetrokken en de grondslag voor het verzoek ex artikel 141 RV wordt aangevuld met een beroep op artikel 843a RV;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitaantekeningen van Massy.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2020 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, Massy mede aan de hand van door haar overgelegde pleitaantekeningen.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Onder zaaknummer CUR201400591 (AR68186/2014) is voor het gerecht een procedure gevoerd door [eiser] tegen Rewa. Rewa heeft op haar beurt Massy (destijds genaamd United Insurance Company ltd.) in vrijwaring opgeroepen (hierna: de hoofdzaak). Op 19 juni 2017 is in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak vonnis gewezen (hierna: het vonnis van 19 juni 2017). Daarbij heeft het gerecht overwogen dat Rewa als werkgever ex artikel 7A:1614x lid 2 BW aansprakelijk is voor het [eiser] op 18 augustus 2010 overkomen ongeval tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het gerecht heeft Rewa onder meer veroordeeld tot het betalen van de door [eiser] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Massy is veroordeeld tot betaling aan Rewa van al hetgeen waartoe Rewa in de hoofdzaak is en in de schadestaat zal worden veroordeeld.

2.2.

Rewa is van het vonnis van 19 juni 2017 in hoger beroep gegaan. De zaak is door het Hof behandeld onder zaaknummer CUR2017H0223 (H 59/18). Het hof heeft bij vonnis 19 juni 2018 het bestreden vonnis van 19 juni 2017 bevestigd (hierna: het vonnis 19 juni 2018).

2.3. [

Eiser] heeft het beloop van de schade waarvan vereffening wordt gevraagd gespecificeerd in de volgende schadeposten:

- verlies arbeidsvermogen NAf 867.153

- huishoudelijke hulp NAf 185.588

- verlies zelfredzaamheid NAf 157.750

- reiskosten NAf 1.500

- kilometervergoeding NAf 117.891

- smartengeld NAf 180.000

- de kosten van deskundige juridische bijstand buiten rechte NAf 15.072

Een en ander verminderd met het reeds betaalde voorschot (nader bepaald op) ad NAf 203.250 en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum ongeval en de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

2.4.

Bij de stukken bevinden zich onder meer de volgende rapportages en adviezen ten aanzien van de gezondheidstoestand van [eiser]:

- De brief van 17 januari 2012 van [eiser] aan Triage Medisch Adviesbureau met aangehecht 14 bijlagen met medische stukken, een MRI scan van de schedel en de bloeddoorstroming van de ogen, met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

“Onlangs heb ik van mr. M.T. Daniels, advocaat van Maassen & Partners, kennis genomen van het medisch advies dat u op zijn verzoek over mijn casus heeft gemaakt.

(…). Ik heb uw advies uitvoerig gelezen en kan mij niet aan de indruk onttrekken dat u uw advies gebaseerd heeft op basis van onvolledge, en soms ook niet gedateerde, informatie. Dit geeft u ook zelf in uw brief aan. Ook denk ik dat het u niet geheel duidelijk is geweest welke bijlagen bij elkaar horen. Met dit in mijn achterhoofd kan ik mij voorstellen dat u concludeert dat hoogstwaarschijnlijk mijn hoornvlies beschadigd is (wellicht ook door een steekvlam). Van een hoornvliesbeschadiging is echter volgens de oogartsen geen sprake, en ook nooit sprake geweest.

(…).

Voor zover ik als leek kan beoordelen. Is mijn slechtziendheid, zowel wat betreft de visus als het gezichtsveld, het gevolg van oogzenuwbeschadigingen. Dit wordt door de doktoren Ferwerda (oogarts), Rico (neuroloog), Guillermo Gomez (neuroloog) en dokter Luis Miguel Camacho Samper bevestigd (zie bijlagen). Ook is gebleken dat alle onderzoeken geen afwijkingen aan het licht hebben gebracht. Uit het medisch artikel, dat ook is bijgevoegd, blijkt ook dat de oogzenuwen beschadigd kunnen raken door een drukgolf en dat er dan weinig andere schades cq afwijkingen te vinden zijn. Hieruit blijkt ook dat die schade niet direct zichtbaar of merkbaar hoeft te zijn. (…).”

- Rapportage arbeids(on)geschiktheidbepaling SVB d.d. 15 november 2012 met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

“(…).

Medisch beloop

Betrokkene werd op 18-08-2010 gebeld voor een storing bij Cabana. Een zware hoofdschakelaar was defect. Hij moest het met 2 personen doen. Tijdens de werkzaamheden kwam er een steekvlam uit de schakelaar, hij zag even niks, toen sterretjes. De volgende ochtend kon hij niet zien. Zag wazig en onscherp. Hij is naar de huisarts gegaan. Door de huisarts is hij verwezen naar oogarts Davelaar die verder verwees naar Ferwerda. Betrokkene is ook uitgezonden naar Bogota voor aanvullend onderzoek. De oogzenuwen bleken beschadigd.

(…)

Beschouwing

Verzekerde is een 43-jarige man die is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als hoofd technische dienst in verband met visusklachten na ene bedrijfsongeval. Verzekerde is voor zijn klachten onderzocht en behandeld door diverse specialisten. Desondanks is betrokkene nu nog slechtziend (rapport Pro Bista).

In het dagelijks leven functioneert hij nog door gebruik te maken van verschillen in licht en donker en kleurverschillen tussen verschillende vlakken en objecten. Uit het dagverhaal blijkt voorts dat betrokkene zichzelf zelfstandig kan verzorgen. Hij heeft hiervoor allerlei mechanismen ontwikkeld, zodat hij maximaal gebruik kan maken van schaduwen en kleurverschillen. (…). Hij is voor vervoer en het vertreden buitenshuis aangewezen op hulp van anderen. Hij kan niet zelf autorijden (…).

(…). Betrokkene is met zijn aandoening en de beperkingen die daaruit voortvloeien niet in staat om de grote/kerntaken van zijn functie uit te voeren. Hij kan geen reparatie-, elektriciteits-, of loodgieterswerkzaamheden uitvoeren, omdat hij de details niet kan waarnemen. Hij is wel in staat kleine deeltaken te doen van de functie, maar er is geen sprake van continuïteit bij de uitvoer van deze taken. (…). Daarnaast is hij in staat om kortdurend op de computer te werken, maar dit kan alleen op een speciaal scherm en voor maximaal een half uur achtereen. (…). Betrokkene wordt hierdoor niet meer in staat geacht om zijn eigen, normale arbeid van hoofd technische dienst uit te oefenen.

Met de methoden AMA en Mc Bride is er respectievelijk een percentage invaliditeit van 71% en een percentage arbeidsongeschiktheid van 85% berekend.

Echter, gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat betrokkene niet meer geschikt is voor zijn eigen werk. Hij dient dan ook voor 100% arbeidsongeschikt beschouwd te worden voor zijn normale arbeid.

(…).”

- Het medisch advies van M.A. Westerouen van Meeteren, arts, van Sedgwick van 13 september 2019 met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

“(…).

Overwegingen / beschouwing

(…). Aannemende dat de onderzoeken op Curacao en in Colombia naar behoren zijn uitgevoerd, is komen vast te staan dat er sprake is van laesie van de oogzenuw, die beiderzijds het gezichtsvermogen heeft aangetast.

Waar het voor mij onbegrijpelijk wordt, is om het beschreven ongeval in causaal verband te koppelen aan de dysfunctie van de oogzenuw. Er is in het geheel geen uitwendig letsel geconstateerd, (…).

Uitwendig was er ook geen letsel aan de ogen, het hoornvlies en de uitwendige omgeving van de ogen vertoonde geen letsels.

(…).

Wat ik hiermee niet kan rijmen is dat een steekvlam of een explosie een dergelijk letsel aan de oogzenuw veroorzaakt heeft en dat er tegelijkertijd in het geheel geen uitwendig letsel is. In de literatuur gaat het bij indirecte kneuzing van de oogzenuw vaak om (auto-)ongevallen met stomp inwerkende kracht op de schedel (hoofd tegen dashboard etc.) en door de krachtige stompe botsing wordt wel de oogzenuw beschadigd, zonder uitwendig letsel. Bij een steekvlam of een explosie is dat niet voorstelbaar.

(…).”

2.5.

Bij de stukken bevinden zich voorts onder meer de volgende rapportages, stukken en documenten:

  • -

    Foto’s en een video uit 2016 waarop zichtbaar is dat [eiser] een computer bedient bij IJssalon Bella Italia in het Santa Barbara Resort.

  • -

    Uitdraaien van de website Homeaway uit 2015 en 2016 waarbij [eiser] als contactpersoon en gastheer wordt genoemd en becommentarieerd.

  • -

    Twee onderzoekrapporten van R&A Private Security betreffende [eiser] over respectievelijk de periode 15 mei tot en met 20 mei 2019 en 22 juli tot en met 26 juli 2019.

  • -

    Een uittreksel uit de Kamer van Koophandel van alarminstallatie en registratiebedrijf, SCS Curacao, waarvan [eiser] de eigenaar is, opgericht op 9 januari 2017.

  • -

    Een kopie van het rijbewijs van [eiser], dat verlengd is op 19 juni 2013.

  • -

    Een bestuurdersverklaring van [eiser] en een aanrijdingsformulier naar aanleiding van een aanrijding op 14 juni 2019.

  • -

    Een getuigenverklaring van [naam] die verklaart [eiser] op 11 juli 2019 te hebben zien rijden in een grijze auto.

2.6.

Ten tijde van het ongeval had [eiser] een arbeidsovereenkomst met Kontiki Dive & Beach Resort voor 40 uur per week in de functie van Electro monteur. De arbeidsovereenkomst is per 31 augustus 2011 wegens arbeidsongeschiktheid van [eiser] beëindigd.

2.7.

Vanaf 1 september 2011 ontvangt [eiser] een ongevallenuitkering van de SVB van 80% van NAf 2.500. [Eiser] heeft de uitkering van SVB per 14 juni 2013 afgekocht voor een bedrag van NAf 67.734.

3 Het geschil

3.1. [

Eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Rewa tot betaling van NAf 1.374.954, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de schadedatum, en te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Rewa in de proceskosten inclusief de nakosten.

3.2.

Ter zitting heeft [eiser] zijn eis in die zin gewijzigd dat hij bij de berekening van de schade niet het gehele betaalde voorschot ad NAf 203.250, maar slechts een gedeelte daarvan, op de totale schade in mindering heeft gebracht. Voorts is er bij de berekening van het verlies arbeidsvermogen ten onrechte geen rekening mee gehouden dat Rewa het volledige loon van [eiser] gedurende het eerste arbeidsongeschiktheidsjaar volledig heeft doorbetaald.

3.3.

Rewa en Massy hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Rewa heeft voorts een eis in reconventie ingediend en gevorderd dat [eiser] de reeds betaalde voorschotten terugbetaalt voor zover dat bedrag in de procedure niet wordt toegewezen, dan wel de reeds betaalde voorschotten het toegewezen bedrag overstijgt.

3.5.

Massy heeft een verzoek ex artikel 141 Rv jo. artikel 843a Rv ingediend en verzocht [eiser] te bevelen de volgende stukken in het geding te brengen:

- de administratie van de eenmanszaak SCS;

- de aangiften inkomstenbelasting vanaf 2010;

- de afdrachten omzetbelasting vanaf 2010;

- een kopie van het medisch advies van 16 december 2011 waar [eiser] naar verwijst in zijn brief van 17 januari 2012;

- een kopie van het rapport van Pro Bista van 15 oktober 2012;

- de resultaten van medische oog- en gehooronderzoeken vanaf 2012.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [

Eiser] vordert een vergoeding voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het bedrijfsongeval van 18 augustus 2010.

4.2.

Gedaagden hebben primair gevorderd dat de vordering van [eiser] geheel wordt afgewezen wegens schending van de waarheidsplicht ex artikel 18c Rv. Daartoe voeren zij aan dat [eiser] zijn geloofwaardigheid heeft verloren omdat hij zijn vordering volledig baseert op het uitgangspunt dat hij 100% arbeidsongeschikt is omdat hij met beide ogen slechts 10% zicht heeft, terwijl inmiddels is gebleken dat [eiser] kan zien en normaal, zonder hulp, kan functioneren in het dagelijks leven.

4.3.

Het gerecht passeert dit verweer. Artikel 18c Rv – evenals het Nederlandse equivalent ex artikel 21 Rv – verplicht partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit betekent niet alleen dat partijen de rechter volledig moeten inlichten over alle voor de beslissing relevant zijnde feiten (volledigheidsplicht), maar ook dat partijen de feiten naar waarheid moeten aanvoeren (waarheidsplicht). In de wetsgeschiedenis is vermeld dat deze bepaling de wettelijke erkenning en vastlegging is van een reeds langer bestaande ontwikkeling, waarin van partijen verlangd wordt dat zij zich bij het aanvoeren van de feiten onthouden van onwaarheid en onvolledigheid, zodat de rechter bij de beslissing zoveel mogelijk recht kan doen aan de materiële werkelijkheid (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 152). Voorts is aangegeven dat de bepaling in elk stadium van de procedure de verplichting meebrengt geen onjuiste feitelijke stellingen aan te voeren en ook niet door onvolledigheid de rechter op het verkeerde been te zetten (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 147).

4.4.

Naar het oordeel van het gerecht kan niet worden vastgesteld dat [eiser] de feiten die betrekking hebben op de aard en ernst van het letsel en de mate van zijn arbeidsongeschiktheid niet naar waarheid heeft aangevoerd. [Eiser] heeft zich ter zake beroepen op het onderzoeksrapport van de SVB, die op basis van de medische stukken concludeert tot 100% arbeidsongeschiktheid als gevolg van een visusdaling door een zenuwbeschadiging in beide ogen die is veroorzaakt door een steekvlam. Voorts heeft [eiser] de voorhanden medische documentatie betreffende de toestand van zijn ogen in een vroeg stadium ter beschikking gesteld, zoals volgt uit zijn brief van 17 januari 2012 aan Triage Medisch Adviesbureau. Eerst in 2019 wordt door gedaagden de aard en ernst van het letsel en de mate van zijn arbeidsongeschiktheid betwist onder verwijzing naar het medisch advies van medisch adviseur M.A. Westerouen van Meeteren. Vooropgesteld zij dat M.A. Westerouen van Meeteren optreedt als medisch adviseur van Massy en daarom niet als onafhankelijk deskundige kan worden aangemerkt. Voorts volgt uit het medisch advies dat niet de aard en ernst van het letsel ter discussie staat, maar dat de medisch adviseur vraagtekens plaatst bij het causaal verband tussen het letsel en het ongeval (de steekvlam) wegens het ontbreken van uitwendig letsel. Daarover is in de hoofdzaak reeds een bindende eindbeslissing genomen, waar de schadestaatrechter niet op terug kan komen. Daartoe geldt het volgende.

4.5.

In de hoofdzaak is overwogen dat Rewa als werkgever van [eiser] ex artikel 7A:1614x lid 2 BW aansprakelijk is voor het [eiser] op 18 augustus 2010 overkomen ongeval tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden en is Rewa veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt en heeft geleden. Het gerecht heeft in dat kader, nadat Rewa daartegen verweer had gevoerd, overwogen dat uit de medische stukken genoegzaam blijkt dat er sprake is van een blijvende visusdaling als gevolg van het ongeval, waardoor [eiser] arbeidsongeschikt is verklaard, Rewa (h.o.d.n. Kontiki) zijn dienstverband niet heeft verlengd, hetgeen tot inkomstenderving en dus schade voor [eiser] heeft geleid. Het Hof heeft dat oordeel in stand gelaten.

4.6.

De heersende leer is dat de rechter in een schadestaatprocedure gebonden is aan beslissingen in de hoofdzaak op gelijke wijze als de rechter in een civiele procedure is gebonden aan eerder genomen bindende eindbeslissingen. Die binding is echter niet absoluut: in het geval van een bindende eindbeslissing die berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, is de rechter bevoegd om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. De schadestaatrechter kan dus in beginsel terugkomen op in de hoofdzaak genomen beslissingen. Dit geldt alleen niet voor beslissingen in de hoofdzaak die de grondslag van de aansprakelijkheid betreffen.

4.7.

Nu gedaagden het causaal verband tussen het ongeval en het letsel en dus het bestaan van schade van [eiser] als gevolg van het ongeval betwisten, tast dat de grondslag van de aansprakelijkheid aan zoals in de hoofdzaak in rechte is aangenomen. Aldus is ter zake sprake van een bindende eindbeslissing waarop de schadestaatrechter niet terug kan komen. Voor zover gedaagden menen dat de beslissing in de hoofdzaak geen stand kan houden dienen zij een vordering ex artikel 382 Rv in te dienen.

4.8.

Uit de stellingen van gedaagden ter comparitie kan voorts worden afgeleid dat de door gedaagden gestelde schending van de waarheidsplicht door [eiser] ook betrekking heeft op de door [eiser] gestelde (huidige) beperkingen als gevolg van het gestelde letsel en daarmee op de omvang van de door [eiser] gevorderde schadevergoeding. Gedaagden voeren daartoe aan dat uit onderzoek is gebleken dat [eiser], anders dan hij zelf stelt, in staat is werkzaamheden te verrichten, een inkomen te verwerven en auto te rijden. [Eiser] heeft desgevraagd aangegeven dat hij met zijn beperkingen heeft leren leven en gaandeweg steeds meer kon. Voorts heeft hij aangegeven dat hij, bij gebreke van een vergoeding, klusjes heeft aangenomen, maar die niet kon volhouden. Inkomsten heeft hij nauwelijks gegenereerd. Hij heeft zichzelf aangeleerd auto te rijden, maar zijn beperkte gezichtsveld staat dat eigenlijk niet toe. Aldus twisten partijen over de ernst van de beperkingen, de omvang en de begroting van de schade. Partijen geven daar ieder een andere toelichting op en / of uitleg aan. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat [eiser] ten aanzien hiervan de feiten in het verzoekschrift niet volledig of geheel naar waarheid heeft aangevoerd, zoals het geval lijkt met betrekking tot het autorijden, rechtvaardigt dat geen afwijzing van de vordering in haar geheel, nu in de onderhavige procedure nog moet worden vastgesteld wat de medische, arbeidskundige en financiële gevolgen zijn van het [eiser] overkomen ongeval.

4.9.

Gedaagden hebben voorts tot hun verweer gevoerd dat de veroordeling van Rewa tot vergoeding van schade in de hoofdzaak berust op een feitelijke misslag omdat niet Rewa maar Toucan Beach Resort N.V. de werkgever van [eiser] was. Ook om die reden is het gerecht in de onderhavige procedure niet gebonden aan de beslissing in de hoofdzaak en ligt de vordering voor afwijzing gereed.

4.10.

Dit verweer slaagt niet. In de hoofdzaak is noch door Rewa zelf, noch door Massy in de vrijwaringsprocedure, aangevoerd dat Rewa niet als werkgever van [eiser] kan worden aangemerkt. Massy stelt nu in de conclusie van antwoord dat kan worden aangenomen dat Rewa daar in de hoofdzaak geen opmerkingen over heeft gemaakt omdat het zusterbedrijf van Rewa, Toucan Beach Resort N.V., niet als verzekerde op de polis van Massy werd genoemd. In dat geval is er echter geen sprake van een feitelijke misslag aan de zijde van Rewa, maar vermoedelijk van een bewuste keuze om zo dekking onder de polis te krijgen. Voor zover Massy daaraan gevolgen wenst te verbinden dient zij zich tot Rewa zelf te wenden. Van een bindende eindbeslissing op basis van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is ter zake geen sprake.

4.11.

Thans ligt de vraag voor naar de omvang van de schade van [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval. Bij de bepaling van de hoogte van schade is ter zake het uitgangspunt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien de onrechtmatige daad niet zou hebben plaatsgevonden. Dit beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539, RvdW 2010/468). Voor de vaststelling van de door [eiser] als gevolg van de het ongeval geleden schade dient derhalve een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na het ongeval en de hypothetische situatie bij het wegdenken daarvan.

4.12.

Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade gelden in beginsel de gewone bewijsregels, maar daarbij is de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262). Deze bepaling geeft de rechter de vrijheid om bij de begroting van de schade van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijken, maar belet hem geenszins bij een geschil over feiten die in het debat over de schadeomvang worden gesteld en die hij relevant acht voor de schadebegroting, de gewone regels van stelplicht en bewijslast toe te passen (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5410, NJ 2009/257).

4.13.

De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel op de benadeelde. Aan [eiser] mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers Rewa die aan hem de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 en HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437). In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (vergelijk HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115).

4.14. [

Eiser] verwijst voor wat betreft de klachten en beperkingen als gevolg van het hem overkomen ongeval naar de bevindingen van de SVB zoals volgt uit de arbeids(on)geschiktheidsrapportage (r.o. 2.4.). Op dit moment is er volgens Van [eiser] een lichte verbetering van de visus naar ongeveer 20%. Zijn klachten en beperkingen zoals vastgesteld door de SVB zouden echter nauwelijks zijn veranderd. [Eiser] vordert een vergoeding van de schade waarvan hij stelt dat die uit die klachten en beperkingen voortvloeit, waaronder schade door verlies aan arbeidsvermogen, huishoudelijke hulp, zelfredzaamheid, kilometervergoeding en smartengeld. Gedaagden hebben de door [eiser] gestelde klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval en (de hoogte van) de daaruit voortvloeiende schade gemotiveerd betwist. Zij hebben daartoe aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken dat [eiser] – voor zover bekend vanaf 2015 – verschillende werkzaamheden (heeft) verricht, naar het buitenland reist en een auto bestuurt. Ter comparitie heeft [eiser] aangegeven dat hij door de jaren heen met zijn beperkingen heeft leren leven en omgaan, waardoor hij nu meer kan dan een aantal jaren geleden.

4.15.

In het kader van de vaststelling en begroting van de omvang van de schade verschillen partijen over de medische gevolgen van het ongeval, over de vraag of er een medische eindtoestand is, dan wel of verbetering mogelijk is en wat de (huidige) beperkingen zijn die uit het letsel voortvloeien. Alvorens een oordeel te kunnen geven over de gestelde thans nog aanwezige klachten en beperkingen en de gestelde daaruit voortvloeiende (geleden en toekomstige) schade, acht het gerecht het nodig dat zij nader inzicht krijgt in de (huidige) medische situatie van [eiser]. De thans in het geding gebrachte stukken zien alleen op de situatie tot ongeveer twee jaar na het ongeval, terwijl uit de door gedaagden overgelegde stukken blijkt dat er toen mogelijk nog geen eindsituatie was bereikt, dan wel zoals [eiser] stelt, hij nadien zodanig met zijn beperkingen heeft leren omgaan dat hij de mate waarin hij in het dagelijks leven kan functioneren heeft vergroot. [Eiser] zal daarom worden opgedragen om, zoals hij ter comparitie ook heeft aangeboden, alle beschikbare medische stukken sinds het ongeval in het geding te brengen, waaronder de medische stukken uit Colombia, alsmede een kopie van het door Massy gevorderde medisch advies van 16 december 2011 waar [eiser] naar verwijst in zijn brief van 17 januari 2012, alsmede van het rapport van Pro Bista van 15 oktober 2012 en de resultaten van medische oog- en gehooronderzoeken vanaf 2012. De vordering van Massy ex artikel 141 Rv jo. artikel 843a Rv behoeft voor zover betrekking hebbende op de medische stukken, geen verdere bespreking. Tenslotte dient [eiser] een medische machtiging af te geven in het licht van het hierna overwogene.

4.16.

Voorts acht het gerecht het nodig om over de medische situatie van [eiser] en de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen deskundigenberichten in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal het gerecht partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. Partijen zullen hiertoe in de gelegenheid worden gesteld bij akte. Voorts kunnen partijen zich uitlaten over de aan de deskundigen voor te leggen vragen.

4.17.

Het gerecht is voorlopig van oordeel dat thans de benoeming van een oogarts en een arbeidsdeskundige geboden is en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese (Aanbeveling 2.2.4. RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (Aanbeveling 2.2.6 RMSR)

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (Aanbevelingen 2.2.5 en 2.2.7 RMSR)

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (Aanbeveling 2.2.8 RMSR)

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

e1. Kunt u vaststellen of de (subjectieve) klachten van onderzochte, aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn?

Diagnose (Aanbeveling 2.2.15 RMSR)

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (Aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR)

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie (Aanbeveling 2.2.14 RMSR)

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden. (Aanbeveling 2.2.14 en 2.2.16 RMSR)

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (Aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder het ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen (Aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongeval-gerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3 OVERIG (Aanbeveling 2.2.11 RMSR)

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

4. EXTRA VRAGEN BETREFFENDE HET VERBAND TUSSEN WERKHERVATTING EN GENEZINGSPROCES:

a. Kunt u bij betrokkene informeren op welk moment hij weer loonvormende

werkzaamheden is gaan verrichten, of dit voltijds was of deeltijds en welke activiteiten hij daarbij heeft verricht?

Kunt u aangeven of deze werkhervatting van invloed is geweest op het

genezingsproces en de lange termijn gevolgen van het letsel aan de schouder?

5 EXTRA VRAAG: FUNCTIONELE MOGELIJKHEDEN LIJST

Wilt u ten behoeve van het te verrichten arbeidsdeskundige onderzoek een FML opstellen?

4.18.

Het gerecht ziet in de omstandigheden dat de aansprakelijkheid van Rewa voor de door het ongeval veroorzaakte schade vast staat en dat Massy gehouden is Rewa daar voor te vrijwaren, aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door Massy moeten worden gedeponeerd.

4.19.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 maart 2020 voor het nemen van een akte door [eiser] waarin hij de in rov. 4.15. genoemde stukken in het geding brengt. Vervolgens zal de zaak vier weken later op de rol komen voor uitlating door [eiser] en Rewa en Massy over de deskundigerapportages;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 17 februari 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.