Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:84

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
CUR201500240 t/m CUR201500242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil welk deel van de investering in de onroerende zaak van NAf 2.500.000 aan de ondergrond kan worden toegerekend. Geen van beide partijen is erin geslaagd de door hem voorgestane waarde van de ondergrond aannemelijk te maken. Gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, stelt het Gerecht de waarde van de ondergrond in goede justitie vast op NAf 900.000.

Het standpunt van belanghebbende over de waardering van de ondergrond is gebaseerd op een rapport van een taxateur. Het Gerecht acht deze door een deskundige verrichte taxatie zodanig verdedigbaar dat niet gezegd kan worden dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig winstbelasting is betaald. De vergrijpboetes worden derhalve vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 26 februari 2019

BBZ nrs. CUR201500240 t/m CUR201500242

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X N.V., gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 5 april 2011 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2006 opgelegd van NAf 15.583. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 3.895 (25%).

1.2

Aan belanghebbende is op 20 april 2011 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2007 opgelegd van NAf 55.376. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 13.844 (25%).

1.3

Aan belanghebbende is op 20 april 2011 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2008 opgelegd van NAf 55.731. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 13.932 (25%).

1.4

Belanghebbende heeft bij brief van 3 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2006 en de vergrijpboete 2006.

1.5

Belanghebbende heeft op 9 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen winstbelasting 2007 en 2008 en de vergrijpboetes 2007 en 2008.

1.6

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 28 juli 2015 de bezwaren tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2006 en de vergrijpboete 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.7

De Inspecteur heeft bij uitspraken van 28 juli 2015 de naheffingsaanslagen winstbelasting 2007 en 2008 en de vergrijpboetes 2007 en 2008 gehandhaafd.

1.8

Belanghebbende heeft op 17 september 2015 beroepen ingesteld.

1.9

Belanghebbende heeft op 27 november 2015 de beroepen gemotiveerd.

1.10

De Inspecteur heeft op 17 april 2017 verweerschriften ingediend.

1.11

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) op 24 april 2017 uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. Namens belanghebbende zijn verschenen A en B. Namens de Inspecteur is verschenen C LLM. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

1.12

Beide partijen hebben toestemming verleend een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten.

1.13

Het Gerecht heeft daarop op de voet van artikel 8b LBB bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende heeft in 2005 de economische eigendom van de onroerende zaak Y 1, 2 en 3 in de wijk Z te Willemstad (hierna: de onroerende zaak) verkregen voor een koopsom van NAf 2.500.000.

2.2

De onroerende zaak betreft een rond 2004 geheel gerestaureerd monumentaal pand gelegen in een winkelstraat op een perceel van 268 m2.

2.3

Belanghebbende verhuurt de onroerende zaak voor NAf 14.000 per maand.

2.4

Belanghebbende is in zijn aangiften winstbelasting ervan uitgegaan dat van de koopsom van NAf 2.500.000 een bedrag van NAf 348.400 aan de ondergrond kan worden toegerekend. Ter zake daarvan is geen (vervroegde) afschrijving en investeringsaftrek mogelijk.

2.5

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen aan de ondergrond een waarde toegekend van NAf 1.608.000. Verder heeft de Inspecteur vergrijpboetes opgelegd vanwege het grofschuldig niet (tijdig) betalen van de verschuldigde belasting.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil welke deel van de investering in de onroerende zaak van NAf 2.500.000 aan de ondergrond kan worden toegerekend. Op de ondergrond kan niet (vervroegd) worden afgeschreven en ter zake daarvan kan geen investeringsaftrek worden genoten.

3.2

Belanghebbende staat een waarde van de ondergrond voor van NAf 348.400.

3.3

De Inspecteur heeft bij de verweerschriften een waardebepaling ingebracht van taxateur M, verbonden aan de belastinginspectie, waarin de waarde van de ondergrond is getaxeerd op NAf 1.380.000. Gelet op deze waardebepaling gaat het Gerecht ervan uit dat de Inspecteur een waarde van de ondergrond verdedigt van NAf 1.380.000.

3.4

Het eerst ter zitting ingenomen standpunt van belanghebbende omtrent het verrekenbare verlies 2005, wordt door het Gerecht tardief verklaard en dus buiten beschouwing gelaten.

3.5

Verder betoogt belanghebbende dat de vergrijpboetes dienen te vervallen nu zij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen omtrent de waardering van de ondergrond.

3.6

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslagen winstbelasting 2006, 2007 en 2008 tot naheffingsaanslagen waarbij voor de afschrijving en de investeringsaftrek rekening wordt gehouden met een waarde van de ondergrond van NAf 348.400. Verder concludeert belanghebbende tot vernietiging van de vergrijpboetes.

3.7

De Inspecteur concludeert kennelijk tot vermindering van de naheffingsaanslagen winstbelasting 2006, 2007 en 2008 tot naheffingsaanslagen waarbij voor de afschrijving en investeringsaftrek rekening wordt gehouden met een waarde van de ondergrond van NAf 1.380.000. De Inspecteur concludeert verder tot handhaving van de vergrijpboetes.

4 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid bezwaar 2066

4.1

In artikel 29, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

4.2

Het onderhavige aanslagbiljet voor het jaar 2006 is gedagtekend op 5 april 2011. Uit het door belanghebbende overgelegde verzendrapport blijkt dat het bezwaarschrift op 3 juni 2011 per fax aan de Inspecteur is toegestuurd. Gelet daarop is het bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn van twee maanden ingediend. De Inspecteur heeft dit bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Waardering grond

4.3

Op grond van het bepaalde in artikel 5 en 5A van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (LWB) kan op ondergrond van gebouwen niet worden afgeschreven en kan ter zake van de investering in ondergrond geen investeringsaftrek worden genoten.

4.4

Tussen partijen is in geschil welke deel van de investering van NAf 2.500.000 aan de ondergrond kan worden toegerekend.

4.5

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op aftrekposten – afschrijving op bedrijfsmiddel en investeringsaftrek – daarvan de bewijslast draagt. Belanghebbende dient derhalve feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door haar bepleite waarde van de ondergrond van NAf 348.400 niet te laag is.

4.6

Ter onderbouwing van de door haar bepleite waarde wijst belanghebbende op het ‘beknopte taxatierapport van de grondwaarde’ van taxateur ing. H van 28 oktober 2010. In dit taxatierapport is de grondwaarde per 2004 getaxeerd op NAf 348.400, ofwel NAf 1.300 per m2. Deze waardebepaling is onder meer gebaseerd op i) de beperkte ontwikkelingsmogelijkheden van het pand gelet op het monumentale karakter, ii) de zeer hoge restauratie- en onderhoudskosten van het pand, iii) de beperkte efficiëntie van het pand gelet op de zeer smalle façade en de diepte ervan, en iv) de leegstand van de winkelpanden in de nabije omgeving. Verder is in het rapport gewezen op een verkooptransactie van 12 december 2007 waarbij een onbebouwd perceel in de wijk Z ter grootte van 1.440 m2 is verkocht voor een koopsom van NAf 1.600.000 (NAf 1.111 per m2).

4.7

Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende met de verwijzing naar het taxatierapport van H niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de waarde van de ondergrond van NAf 348.400 niet te laag is. Redengevend daarvoor is dat de in het rapport vermelde factoren waarop de taxatie is gebaseerd (zie 4.6 hiervoor, sub i t/m iv), geen liggingsfactoren betreffen die invloed hebben op de waardebepaling van de ondergrond, maar veeleer een drukkend effect hebben op de waarde van het pand. Verder acht het Gerecht het in het taxatierapport genoemde vergelijkingsobject (1.440 m2) wat betreft perceelsomvang onvoldoende vergelijkbaar met de onroerende zaak (268 m2). Bovendien is in het rapport niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de verkoopprijs van dit vergelijkingsobject met een perceeloppervlakte van 1.440 m2 is te herleiden tot de getaxeerde waarde van de ondergrond van de onroerende zaak met een oppervlakte van 268 m2.

4.8

Verder heeft belanghebbende nog gewezen op een ‘beknopt taxatierapport’ van taxateur G van 2 februari 2011. Daarin is de waarde per 1 februari 2011 getaxeerd op NAf 1.425 per m2. Deze getaxeerde waarde is echter op geen enkele wijze onderbouwd, bijvoorbeeld met verkoopcijfers van vergelijkbare objecten. Bovendien is de waarde van de ondergrond getaxeerd per 1 februari 2011, terwijl de vraag aan de orde is welke deel van de in 2005 betaalde koopsom aan de ondergrond kan worden toegerekend. Ook aan deze taxatie kent het Gerecht derhalve een geringe bewijskracht toe.

4.9

Dit betekent overigens niet dat de door de Inspecteur bepleite waarde zonder meer als juist kan worden aanvaard. Naar het oordeel van het Gerecht heeft ook Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de door hem verdedigde waarde van NAf 1.380.000 juist is. Ter onderbouwing van deze waarde heeft de Inspecteur gewezen op een waardebepaling van M, taxateur bij de belastinginspectie, van 7 november 2016 waarin de waarde van de ondergrond is getaxeerd op NAf 1.380.000. Daarbij is eerst de waarde van de onroerende zaak bepaald aan de hand van de huurprijs van NAf 14.000 per maand en een kapitalisatiefactor van 12,5, waarna deze waarde is verminderd met de waarde van de opstal die is berekend aan de hand van een prijs van NAf 1.500 per m2. De taxateur heeft echter op generlei wijze de kapitalisatiefactor van 12,5 en de prijs van NAf 1.500 per m2 met marktgegevens onderbouwd, zodat het Gerecht niet aannemelijk acht dat de door de Inspecteur verdedigde waarde juist is. Bovendien is niet duidelijk naar welke datum de waarde is getaxeerd.

4.10

Nu geen van beide partijen erin is geslaagd de door hem voorgestane waarde van de ondergrond aannemelijk te maken, stelt het Gerecht, gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, de waarde van de ondergrond in goede justitie vast op NAf 900.000. Bij gebreke van concrete gegevens zal het Gerecht, zoals ter zitting met partijen is afgesproken, aan de Inspecteur opdragen de naheffingsaanslagen te verminderen met inachtneming van een waarde van de ondergrond van NAf 900.000.

Vergrijpboete

4.11

Aan belanghebbende zijn vergrijpboetes van 25% opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan grove schuld van belanghebbende zou zijn te wijten dat de winstbelasting gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald.

4.12

Belanghebbende betoogt dat de vergrijpboetes dienen te vervallen nu zij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen.

4.13

Indien door een onjuiste belastingaangifte te weinig belasting is betaald, kan ter zake daarvan geen vergrijpboete worden opgelegd indien aan die aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht. Een standpunt is pleitbaar als belanghebbende ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het fiscale recht en daarmee de door hem gedane aangifte, juist was (HR 21 april 2017, nrs. 15/05278, ECLI:NL:HR:2017:638).

4.14

Het standpunt van belanghebbende over de waardering van de ondergrond is gebaseerd op een rapport van taxateur H. Het Gerecht acht deze door een deskundige verrichte taxatie zodanig verdedigbaar dat niet gezegd kan worden dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig winstbelasting is betaald. Daaraan doet niet af dat de door belanghebbende verdedigde waarde in onderhavige procedure niet aannemelijk is geacht. De vergrijpboetes dienen derhalve te worden vernietigd.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Ingevolge artikel 15, lid 1, LBB worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2

In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

5.3

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter (comparitie)zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.4

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een dergelijke kostenvergoeding. De Inspecteur heeft namelijk niet tegen beter weten in de onderhavige belastingaanslagen en vergrijpboetes opgelegd, zodat geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten ernstige onzorgvuldigheid.

5.5

In onderhavige zaken is geen griffierecht betaald, zodat dit niet vergoed hoeft te worden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

 verklaart de beroepen gegrond,

 vernietigt de uitspraken op bezwaar;

 vermindert de naheffingsaanslagen winstbelasting 2006, 2007 en 2008 tot naheffingsaanslagen waarbij voor de afschrijving en de investeringsaftrek rekening wordt gehouden met een waarde van de ondergrond van NAf 900.000;

 vernietigt de vergrijpboetes 2006, 2007 en 2008; en

 veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.050.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. S. Verheijen en mr. D.J. Jansen, en uitgesproken op 26 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500