Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:81

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
CUR201600438 t/m CUR201600440
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende betoogt dat op grond van artikel 39 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk bij de berekening van zijn belastbaar inkomen rekening moet worden gehouden met de aftrekken wegens de door hem gedane uitgaven ter zake van premies levensverzekering en uitgaven ter zake van het overlijden van zijn kind. Verder betoogt belanghebbende dat bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting de ouderentoeslag in aanmerking genomen moet worden.

Het Gerecht is van oordeel dat de door belanghebbende gedane uitgaven ter zake van premies levensverzekering en ter zake van het overlijden van zijn dochter, geen uitgaven betreffen die voortvloeien uit een uit het familierecht voortvloeiende wettelijke verplichting. De Inspecteur heeft daarom terecht geen rekening gehouden met deze uitgaven. Ook de ouderentoeslag betref geen tegemoetkoming die verband houdt met een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Belanghebbende heeft daarom ook geen recht op ouderentoeslag. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 februari 2019

BBZ nrs. CUR201600438 t/m CUR201600440

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn op 21 augustus 2015 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ voor het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar en premie-inkomen van NAf 113.388.

1.2

Aan belanghebbende is op 19 juni 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2013 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 110.556.

1.3

Belanghebbende heeft op 11 september 2015 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ voor het jaar 2012.

1.4

Belanghebbende heeft op 9 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2013.

1.5

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 20 mei 2016 de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ voor het jaar 2012 verminderd tot aanslagen naar een belastbaar en premie-inkomen van NAf 93.132. Voor de aanslag AVBZ betekent dit dat het bedrag van de premie is verminderd tot nihil.

1.6

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 mei 2016 de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2013 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 90.299.

1.7

Belanghebbende heeft op 13 juli 2016 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Daarbij is NAf 50 aan griffierecht betaald.

1.8

Belanghebbende heeft op 16 maart 2017 een nader stuk ingediend.

1.9

De Inspecteur heeft op 11 april 2017 verweerschriften ingediend.

1.10

De zitting heeft op 25 april 2017 plaatsgevonden. Namens belanghebbende is verschenen A. Namens de Inspecteur is verschenen mr. B. Belanghebbende heeft pleitnota’s voorgedragen en ingebracht.

1.11

De Inspecteur heeft op 24 mei 2017 met instemming van het Gerecht een aanvulling op het verweerschrift ingediend.

1.12

Belanghebbende heeft op 29 augustus 2017 daarop gereageerd. Belanghebbende heeft het beroep inzake de aanslag premie AVBZ 2012 ingetrokken.

1.13

Beide partijen hebben toestemming verleend een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. Het Gerecht heeft daarop op de voet van artikel 8b van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is geboren in 1942 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende is woonachtig in Aruba en geniet inkomen uit Curaçao. Belanghebbende wordt in Curaçao aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 1, lid 3 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB).

2.2

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2012 als buitengewone last een bedrag van NAf 16.567 in aftrek gebracht. Dit betreft kosten ter zake van het overlijden van de dochter van belanghebbende.

2.3

Verder heeft belanghebbende in zijn aangiften inkomstenbelasting 2012 en 2013 als persoonlijke last een bedrag van NAf 1.000 aan premies levensverzekering in aftrek gebracht.

2.4

Bij het vaststellen van de aanslagen heeft de Inspecteur de aftrek van voornoemde kosten geweigerd, omdat belanghebbende als buitenlands belastingplichtige daarvoor niet in aanmerking komt.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de aanslagen juist zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op grond van de nationale wetgeving van Curaçao niet in aanmerking komt voor de aftrekken wegens de door belanghebbende gedane uitgaven ter zake van premies levensverzekering en uitgaven ter zake van het overlijden van zijn kind.

3.3

Belanghebbende betoogt dat op grond van de artikelen 1 en 39 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) bij de berekening van zijn belastbaar inkomen rekening met worden gehouden met voornoemde aftrekken. Verder betoogt belanghebbende dat op grond van 39 BRK bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting de ouderentoeslag in aanmerking genomen moet worden. De Inspecteur verdedigt de tegenovergestelde standpunten.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting 2012 en 2013 tot aanslagen naar een belastbaar inkomen van respectievelijk NAf 75.565 en NAf 89.299, waarbij de verschuldigde belasting wordt berekend met toepassing van de ouderentoeslag van respectievelijk NAf 952 en NAf 964. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de aanslagen.

4 OVERWEGINGEN

4.1

Artikel 1, lid 1, BRK luidt als volgt: “In Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden vreemdelingen niet onderworpen aan enige belasting of daarmee verband houdende verplichting welke drukkender is dan die, waaraan Nederlanders onderscheidenlijk onder overigens gelijke omstandigheden worden onderworpen.”

4.2

Voornoemde bepaling bevat een opdracht aan de landen van het Koninkrijk om vreemdelingen voor de belastingheffing op dezelfde wijze te behandelen als Nederlanders die in gelijke omstandigheden verkeren. Artikel 1 BRK ziet dus op discriminatie op basis van nationaliteit. Deze bepaling keert zich niet tegen de door belanghebbende aan de orde gestelde discriminatie tussen inwoners en niet-inwoners van Curaçao. Deze bepaling kan hem daarom niet baten.

4.3

Artikel 39 BRK luidt als volgt: “Een natuurlijk persoon die inwoner is van een van de landen, zal in elk van de andere landen aanspraak hebben op dezelfde tegemoetkomingen als die welke aan natuurlijke personen die inwoners zijn van laatstbedoeld land toekomen ter zake van burgerlijke staat en kinderaftrek.”

4.4

In het arrest HR 6 november 1996, nr. 30.245, ECLI:NL:HR:1996:AA1740, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bewoordingen “persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin” zoals gebruikt in artikel 25, paragraaf 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en België 1970, aldus moet worden opgevat dat het daarbij gaat om alle aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen die verband houden met de omstandigheid dat de belastingplichtige rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen en lasten heeft. Daartoe kunnen volgens de Hoge Raad worden gerekend de aftrekken wegens de uitkeringen tot voorziening in het levensonderhoud - daaronder begrepen ziektekosten - van de duurzaam van belanghebbende gescheiden levende echtgenote en de bij die echtgenote verblijvende kinderen, alsmede de aftrek wegens voorziening in het levensonderhoud van belanghebbendes moeder, maar niet een aftrek voor eigen ziektekosten.

4.5

De bewoording van artikel 39 BRK vertoont grote gelijkenis met de tekst van artikel 25, lid 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en België 1970, zodat het Gerecht voor de uitleg van artikel 39 BRK betekenis hecht aan de benadering door de Hoge Raad in voornoemd arrest. Dit brengt mee dat onder “tegemoetkomingen ter zake van burgerlijke staat”, zoals verwoord in artikel 39 BRK, worden verstaan alle tegemoetkomingen die verband houden met de omstandigheid dat de belastingplichtige rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen en lasten heeft. Dit houdt in dat deze hun ontstaansgrond moeten vinden in het in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde familierecht.

4.6

Wat betreft de door belanghebbende gedane uitgaven ter zake van premies levensverzekering kan niet worden gezegd dat deze uitgaven uit het familierecht voortvloeien. Hetzelfde heeft te gelden voor de door belanghebbende gedane uitgaven ter zake van het overlijden van zijn dochter. Ook die uitgaven spruiten immers niet voort uit een wettelijke verplichting die voortvloeit uit het familierecht.

4.7

De ouderentoeslag komt in mindering op de verschuldigde inkomstenbelasting. Ingevolge artikel 24A, lid 6, LIB (tekst 2012 en 2013) komt voor de ouderentoeslag in aanmerking de in Curaçao wonende belastingplichtige die bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Ook de ouderentoeslag betref geen tegemoetkoming die verband houdt met een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting (vgl. HR 19 februari 2010, nr. 08/02184, ECLI:NL:HR:2010:BL4317). Belanghebbende heeft daarom ook geen recht op ouderentoeslag.

4.8

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht verklaart het beroep ongegond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en uitgesproken op 18 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf. 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500