Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:80

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
29-04-2019
Zaaknummer
CUR201801445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen broers en zussen. Ontruiming en verkoop woning uit nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer:

Vonnis d.d. 18 februari 2019

inzake

[Eisers]

allen domicilie kiezende ten kantore van Henriquez Law te Curaçao,

eisers,

gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez,

tegen

[Gedaagde],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

voorheen gemachtigde: mr. J.H. Scheidelaar, thans procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 15 mei 2018 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord;

- de mondelinge behandeling op 8 januari 2019 waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.2.

Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van alleen de gemachtigde van [eisers]. [Gedaagde] is ruim na het sluiten van de zitting alsnog verschenen. Hem is medegedeeld dat de zitting is gesloten en dat vonnis gewezen zal worden op 18 februari 2019. Verder is hem toegezegd dat proces-verbaal van de zitting zal worden opgemaakt.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

Partijen zijn broers en zussen van elkaar. Beide ouders zijn overleden, de vader als laatste op 5 juli 2016. Er is geen testament opgemaakt. Partijen zijn ieder voor een/vierde gedeelte erfgenaam.

2.3.

Tot de nalatenschap en dus de onverdeelde boedel behoort de woning aan de [straat en huisnummer] (verder: de woning). [Gedaagde] verblijft ook thans nog en in ieder geval sinds het overlijden van zijn vader alleen in de woning, zonder toestemming van [eisers], zijn broer en zussen.

2.3. [

Eisers] wensen tot verdeling van de boedel over te gaan en willen de woning verkopen. Op 28 juli 2017 is aan [gedaagde] in dat kader een brief van de gemachtigde van [eisers] betekend waarin hij wordt gesommeerd om de woning te ontruimen en om een gebruiksvergoeding te betalen en de kosten van de woning te voldoen. Per brief van 1 augustus 2017 heeft [gedaagde] laten weten dat hij het niet eens is met de inhoud van de brief van 28 juli 2017.

3 Het geschil

3.1. [

Eisers] vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. [Gedaagde] te bevelen tot ontruiming van de woning binnen een door het Gerecht te stellen termijn, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, met de bepaling dat indien [gedaagde] weigert mee te werken aan de ontruiming, hij met behulp van de sterke arm zal worden ontruimd;

B. [Gedaagde] te bevelen om mee te werken aan de verkoop van de woning, met dien verstande dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats zal treden van die medewerking (vervangende toestemming), indien [gedaagde] binnen een door het Gerecht te stellen termijn niet op verzoek van de alsdan handelende notaris meewerkt aan de verkoop van de woning, met de bepaling dat de prijs waartegen de woning zal mogen worden verkocht gelijk zal moeten zijn of hoger zal dienen te liggen dan de executiewaarde van de woning (NAf 100.000,-);

C. [Gedaagde] te veroordelen tot het betalen aan de boedel voor het gebruik van de woning, een gebruiksvergoeding gelijk aan NAf 600,- per maand of deel van de maand, althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag, berekend vanaf 5 juli 2016 tot en met de dag dat [gedaagde] de woning zal hebben verlaten;

D. [Gedaagde] te veroordelen tot het betalen van alle openstaande rekeningen van nutsbedrijven, zoals (niet limitatief) Aqualectra, Selikor, Flow. Uts, Curgas etc. die betrekking hebben op het adres [straat en huisnummer] berekend tot en met de dag dat [gedaagde] de woning zal hebben verlaten, alsook NAf 7.616,- aan erfpachtcanon en overige belastingen en rechten van overheidswege geheven berekend tot en met 5 juli 2016;

E. De boedel te verdelen tussen eisers en [gedaagde], met dien verstande dat de woning eerst zal worden verkocht, waarna de opbrengst conform het in deze te wijzen vonnis zal worden verdeeld, al dan niet na verrekening van overige bedragen die [gedaagde] conform het in deze te wijzen vonnis zal dienen te betalen;

F. [Gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, met de bepaling dat de wettelijke rente verschuldigd zal zijn daarover, indien [gedaagde] niet binnen een door het Gerecht te stellen termijn vrijwillig de kosten voldoet.

3.2. [

Eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [Gedaagde] verblijft zonder recht of titel in de woning. [Gedaagde] heeft geen gebruiksvergoeding betaald voor zijn verblijf aldaar. Ook heeft hij rekeningen van een aantal nutsvoorzieningen niet betaald. Zolang hij niet meewerkt aan de verkoop van de woning, kan de boedel niet verdeeld worden.

3.3. [

Gedaagde] heeft het volgende tot verweer gevoerd. Hij woont met toestemming van zijn vader in de woning en heeft ook recht op bewoning. Ontruiming is in niemands voordeel omdat de woning dan leeg zal komen te staan met alle mogelijke nadelige gevolgen van dien. Het berekenen van een gebruiksvergoeding vanaf de dag van het overlijden van de vader strookt niet met de redelijkheid en billijkheid. Ook speelt mee dat [gedaagde] geld heeft gestoken in het onderhoud van de woning en dat compenseert zijn verblijf aldaar.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [

Eisers] hebben recht op verdeling nu niemand is gehouden om in een onverdeelde boedel te blijven.

4.2. [

Gedaagde] verblijft als enige van de erfgenamen in de woning. Dat betekent in beginsel dat hij de andere erfgenamen zal moeten uitkopen als hij dat verblijf wil voortzetten. Een andere mogelijkheid om tot verdeling te komen is dat de woning wordt verkocht, waarna de opbrengst verdeeld kan worden.

4.3.

Volgens [eisers] beweert [gedaagde] al langer dat hij de woning wil kopen, maar krijgt hij de financiering niet rond. Dit is niet weersproken zodat het Gerecht er van uitgaat dat uitkopen geen realistische optie is. Hierbij speelt een rol dat de woning sinds 5 juli 2016, al meer dan twee jaar, door [gedaagde] wordt gebruikt zonder dat hij kennelijk met een concreet voorstel tot uitkoop is gekomen. Zelfs na betekening van de brief van 28 juli 2017 waarin hij werd gesommeerd de woning te ontruimen, is dat niet gebeurd. Uit die gang van zaken kan worden afgeleid dat het uitkopen van [eisers] door [gedaagde] nu een gepasseerd station is.

4.4.

Dat betekent dat [eisers] op grond van artikel 3:185 lid 1 en 2 sub c BW terecht vorderen dat de woning wordt verkocht, waarna de netto opbrengst tussen de erfgenamen wordt verdeeld.

4.5.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de woning, nu deze verkocht zal worden, ook dient te worden ontruimd. [Gedaagde] verzet zich daartegen. Onder meer brengt hij naar voren dat hij in het verleden samen met zijn vader in de woning heeft gewoond. Dat geeft hem evenwel niet het recht om daarmee door te gaan na het overlijden van de vader, zonder dat daarover met de andere erfgenamen afspraken zijn gemaakt. [Gedaagde] heeft geen recht op exclusief gebruik van de woning ingevolge de artikelen 3:190 lid 1 en 169 BW. Omdat de woning moet worden verkocht zal [gedaagde] deze ook dienen te ontruimen. Zijn betoog dat [eisers] geen belang hebben bij ontruiming faalt gezien het vorenstaande dan ook.

4.6. [

Eisers] vorderen verder betaling van alle openstaande rekeningen van nutsbedrijven gerelateerd aan bewoning van het huis. [Eisers] hebben geen overzicht van de openstaand rekeningen, maar in ieder geval is duidelijk dat er een schuld is bij Aqualectra, omdat Aqualectra [een van de eisers] hierop heeft getracht aan te spreken. [Gedaagde] betwist dat er een schuld is bij Aqualectra. Hoe dit ook zij, [gedaagde] dient de gebruikslasten van de woning te betalen vanaf het moment dat de vader is overleden tot aan het moment van ontruiming. Onder gebruikslasten wordt tevens verstaan erfpachtscanon en overige belasting van overheidswege.

4.7.

Voorts dient de vordering van [eisers] betreffende de gebruiksvergoeding te worden beoordeeld. [eisers] stellen dat [gedaagde] aan hen een gebruiksvergoeding is verschuldigd vanaf 5 juli 2016 tot aan het moment van ontruiming. Volgens [eisers] moet dit bedrag worden bepaald op NAf 600,- per maand of gedeelte van de maand. [Gedaagde] verzet zich tegen verschuldigdheid van dit bedrag. Hij betoogt dat hij onderhoud heeft gepleegd aan de woning hetgeen betaling van de gebruikskosten compenseert. Ook brengt hij naar voren dat hij altijd in de woning heeft gewoond met zijn vader en dat hij niet had verwacht dat de andere erfgenamen, die het financieel breder hebben dan hij, hem zouden dwingen tot betaling.

4.8.

Voor de beantwoording van de vraag of [eisers] aanspraak hebben op een gebruiksvergoeding is van belang dat artikel 3:169 BW bepaalt dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere deelgenoten gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen (Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156). De redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten beheersen dienen bij de beoordeling met betrekking tot de gebruiksvergoeding tot maatstaf op grond van artikel 3:166 lid 3 BW. In onderhavig geval bepaalt het Gerecht op grond van voornoemde omstandigheden een redelijke gebruiksvergoeding op het bedrag dat [gedaagde] zal dienen te betalen aan gebruikslasten (zie 4.6.).

4.9.

Met betrekking tot de vorderingen leidt het voorgaande tot de volgende beslissingen. Het gevorderde onder A., B. en E. is toewijsbaar. [Gedaagde] wordt bevolen om mee te werken aan verkoop van de woning met dien verstande dat als hij na één (betekende) aanmaning niet voldoet aan die medewerking, dit vonnis in de plaats zal treden van zijn medewerking (artikelen 3:300 en 301 BW). De minimale verkoopprijs van de woning dient NAf 100.000,- te bedragen. [Gedaagde] dient de woning te ontruimen binnen de hierna genoemde termijn. De netto-opbrengst wordt dan verdeeld tussen de erfgenamen, waarbij heeft te gelden dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor de openstaande gebruikslasten over de periode tussen 5 juli 2016 en de datum dat hij de woning ontruimt. Het gevorderde onder C. wordt afgewezen. Het gevorderde onder D. betreffende erfpachtcanon en overige belastingen tot en met 5 juli 2016 wordt ook afgewezen. Een grondslag ontbreekt om alleen [gedaagde] deze kosten te laten betalen.

4.10. [

Gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op:

explootkosten: NAf 414,96

griffierecht: NAf 450,-

salaris gemachtigde: NAf 2.500,- (zijnde 2 punten ad tarief 5) +

totaal: NAf 3.364,96

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

beveelt [gedaagde] de woning aan de [straat en huisnummer] te ontruimen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, met de bepaling dat indien [gedaagde] weigert mee te werken aan de ontruiming, hij met behulp van de sterke arm zal worden ontruimd;

5.2.

beveelt [gedaagde] om mee te werken aan de verkoop van de woning aan de [straat en huisnummer], met dien verstande dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats zal treden van die medewerking (vervangende toestemming), indien [gedaagde] niet na één aanmaning door [eisers] op verzoek van de alsdan handelende notaris meewerkt aan de verkoop van de woning, met de bepaling dat de prijs waartegen de woning zal mogen worden verkocht gelijk zal moeten zijn of hoger zal dienen te liggen dan de executiewaarde van de woning (NAf 100.000,-);

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van de gebruikslasten (r.o. 4.5.), waaronder alle openstaande rekeningen van nutsbedrijven, zoals (niet limitatief) Aqualectra, Selikor, Flow, Uts, Curgas etc. die betrekking hebben op het adres [straat en huisnummer] over de periode vanaf 5 juli 2016 tot en met de dag dat [gedaagde] de woning zal hebben ontruimd;

5.5.

verdeelt de boedel tussen [eisers] en [gedaagde], met dien verstande dat de woning aan de [straat en huisnummer] eerst zal worden verkocht, waarna de opbrengst conform het in dit vonnis zal worden verdeeld, na verrekening van overige bedragen die [gedaagde] conform het in dit vonnis zal dienen te betalen;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op NAf 3.364,96, vermeerderd met de wettelijke rente hierover tot aan de dag van algehele voldoening;

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, rechter, en op 18 februari 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.