Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:8

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
CUR201702378
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring ondanks verlening van een tewerkstellingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

eiseres,

gemachtigden: mrs. G.C.A. Scheperboer-Parris en B.W. Scheperboer, advocaten,

en

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigden: mr. P.M. Isenia, werkzaam bij het betrokken ministerie.

Procesverloop

Bij beschikking van 12 mei 2017 heeft verweerder de verwijdering en inbewaringstelling van eiseres gelast en haar voorts voor drie jaar de binnenkomst in Curaçao ontzegd (het verwijderingsbesluit).

Bij beschikking van 14 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarvan de gronden aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 22 november 2018 plaatsgevonden. Eiseres werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigden en verweerder door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening toelating en uitzetting (de Ltu) kan verweerder personen verwijderen, die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zijn in het land worden aangetroffen nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.

Op grond van artikel 2, vierde lid, van het Toelatingsbesluit kan door of namens verweerder aan toeristen, die als ongewenst worden beschouwd, de binnenkomst worden geweigerd of een langer verblijf worden ontzegd.

Volgens hoofdstuk 9, paragraaf 9.10, van de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake toepassing van de Lvtu en het Toelatingsbesluit (de HIG), waarin het beleid is neergelegd over de uitvoering van de regelingen, geeft artikel 2, vierde lid, van het Toelatingsbesluit de mogelijkheid aan de vreemdeling die als toerist is toegelaten en die het toeristisch verblijf heeft overschreden ongewenst te verklaren. Dit is een administratieve maatregel die ten doel heeft bepaalde vreemdelingen, aan wie het niet langer is toegestaan in Curaçao te verblijven uit het land te weren. In de verwijderingsbeschikking dient te worden opgenomen dat de vreemdeling gedurende een bepaalde periode niet in Curaçao mag terugkeren.

De periode van ongewenstverklaring is gesteld op drie jaar.

2. Eiseres is op [geboortedatum] geboren en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Zij is in 2015 Curaçao als toerist ingereisd en is na afloop van de duur van het toeristisch verblijf niet vertrokken. Op 12 mei 2017 werd zij op vliegveld Hato aangehouden en is, voor haar vertrek later die dag naar de Dominicaanse Republiek, het verwijderingsbesluit genomen.

3. Het beroep richt zich alleen nog tegen ontzegging van de binnenkomst in Curaçao voor drie jaar (de ongewenstverklaring).

4. Een ongewenstverklaring betreft een maatregel ter bescherming van de openbare orde en heeft tot gevolg dat eiseres geen rechtmatig verblijf kan hebben in Curaçao en het haar daarmee op voorhand ook verboden is als toerist voor kortdurend verblijf naar Curaçao te komen (vergelijk de uitspraak van het GHvJ van 14 december 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7697).

5. Niet in geschil is dat eisers langdurig in strijd met de vreemdelingenregelgeving in Curaçao heeft verbleven. Dat vormt volgens het weergegeven beleid grond om haar, na verwijdering/vertrek, voor drie jaar ongewenst te verklaren. Verweerder heeft het bestreden besluit dan ook genomen in overeenstemming met zijn beleid.

De omstandigheid dat voor eiseres een tewerkstellingsvergunning (twv) was aangevraagd als inwonend huishoudster en dat zij met het oog daarop 12 mei 2017 naar haar geboorteland wilde terugkeren om van daaruit een vergunning voor verblijf met als doel arbeid hier te lande aan te vragen, is geen bijzondere omstandigheid die verweerder in redelijkheid had moeten doen besluiten om ten gunste van eiseres van zijn beleid af te wijken. Die omstandigheid doet niets af aan de grond voor de ongewenstverklaring, namelijk dat eiseres langdurig de vreemdelingenwetgeving heeft overtreden. De bewering dat verweerder in gelijke gevallen niet zou handelen in overeenstemming met zijn beleid, heeft eiseres niet beargumenteerd en nu verweerder dat ter zitting heeft ontkend, gaat het Gerecht bij gebreke van feitelijke grondslag daaraan voorbij.

Dat de betrokken Minister ten behoeve van eiseres op 14 augustus 2017 alsnog een twv heeft verstrekt maakt het voorgaande ook niet anders. De toetsing in het kader van de Landsverordening arbeid vreemdelingen is een andere dan die in het kader van de Ltu. Verweerder heeft een eigen verantwoordelijkheid en moet een eigen afweging kunnen maken. Overigens heeft de ongewenstverklaring strikt genomen alleen betrekking op de toelating als toerist voor kort verblijf. Een ongewenstverklaring betekent niet dat verweerder verplicht is een aanvraag om verblijfsvergunning daarom af te wijzen. Vanuit haar geboorteland zou/had eiseres dus alsnog om een verblijfsvergunning voor arbeid kunnen vragen, bij de beoordeling waarvan verweerder rekening zou kunnen (hebben) houden met de verlening van de twv door zijn collega.

6. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kan blijven. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op

18 januari 2019 te Curaçao, in aanwezigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.