Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:64

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
Cur201900879
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslag op olietanker ‘Icaro’ opgeheven. De vraag of plaats is voor vereenzelviging van rechtspersonen wordt niet beheerst door Venezolaans recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. REFINERIA ISLA CURAÇAO B.V.,

gevestigd te Curaçao,

en

2. VENFLEET LIMITED,

gevestigd te Bermuda,

eiseressen,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

tegen:

MARITIMA VENEZOLANA CORPORATION,

te Panama,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.A.M. Burgers.

Partijen worden hierna ook aangeduid als ‘Isla’, ‘Venfleet’, en ‘Maveco’.

1 Het verloop van de procedure

Isla heeft op 12 maart 2019 een verzoekschrift in kort geding ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 14 maart 2019. De gemachtigden hebben de zaak bepleit onder verwijzing naar de door hen overgelegde stukken en met overlegging van hun pleitnota’s. Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2 De feiten

In dit kort geding wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. a) Isla is de exploitant van de olieraffinaderij in Emmastad te Curaçao. Venfleet is de eigenares van de olietanker de ‘Icaro’. De ‘Icaro’ is een van de schepen die worden ingezet om de raffinaderij en de opslagtanks te Bullenbaai vanuit Venezuela te voorzien van olie.

b) In december 2018 is de ‘Icaro’ weer beladen met olie te Curaçao gearriveerd. Vervolgens zijn door derden conservatoire beslagen gelegd op de lading.

c) Op 19 februari 2019 is aan Maveco verlof verleend voor beslaglegging ten laste van Venfleet op de ‘Icaro’ en ten laste van Isla op haar aan boord van het schip aanwezige olie, zulks tot verhaal van een op USD 11.900.000 begrote vordering.

d) Diezelfde dag heeft Maveco beslag doen leggen op de ‘Icaro’. De ‘Icaro’ ligt sindsdien aangemeerd te Bullenbaai. Haar lading is inmiddels gelost.

3 De vorderingen en het verweer

3.1

Isla en Venfleet vorderen, samengevat:

- de opheffing van het beslag op de ‘Icaro’;

- een verbod aan Maveco op (hernieuwde) beslaglegging te hunnen laste.

3.2

Maveco heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

Op de stellingen van partijen zal bij de beoordeling waar nodig worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv kunnen beslagen onder meer worden opgeheven bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, of indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt.

4.2

Isla en Venfleet hebben onder meer aangevoerd dat het door Maveco gelegde beslag op de ‘Icaro’ niet toelaatbaar is, omdat de vordering waarvoor beslag is gelegd geen zeerechtelijke vordering betreft als bedoeld in artikel 2 van het Brussels Beslagverdrag. Panama, onder de vlag van welk land de ‘Icaro’ vaart, is echter niet aangesloten bij het Brussels Beslagverdrag. De beperking in dat verdrag tot beslaglegging voor zeerechtelijke vorderingen speelt in deze zaak dan ook geen rol.

4.3

Evenmin kan de stelling van Isla en Venfleet worden gevolgd dat niet is voldaan aan de beslagformaliteiten, nu daarvan niet is gebleken.

4.4

Maveco heeft beslag gelegd voor een vordering die zij heeft op de Venezolaanse vennootschap PdV Marina S.A. terzake door Maveco aan die vennootschap verhuurde sleepboten (de ’23 de Enero I, de ’23 de Enero II’, de ‘Capitan Rene’, de ‘Don Tete’ en de ‘Mero’). Partijen zijn het erover eens dat Isla noch Venfleet partij waren bij de betreffende charterovereenkomsten en dat zij zich ook niet anderszins contractueel jegens Maveco hebben verbonden tot betaling.

4.5

Volgens Maveco zijn Isla en Venfleet echter op grond van het recht van Venezuela hoofdelijk aansprakelijk jegens Maveco voor de nakoming van de verplichtingen van PdV Marina S.A., en wel omdat Isla en Venfleet behoren tot dezelfde groep van vennootschappen, de PdVSA-groep, met als moeder het Venezolaanse staatsbedrijf Petróleos de Venezuela SA. Volgens Maveco is in Venezuela inmiddels vaste rechtspraak van het Venezolaanse hooggerechtshof - volgens het Saet Precedent - dat groepsvennootschappen door derden aangesproken kunnen worden voor schulden van een andere groepsvennootschap. Maveco verwijst in dit verband naar overgelegde rechtskundige adviezen van die strekking van Carlos Eduardo Acedo Sucre, advocaat te Caracas. Volgens Isla en Venfleet is dit niet juist en geldt naar Venezolaans recht ten aanzien van ‘la doctrina del levantamiento del velo corporativo’ een regeling die vergelijkbaar is met de leerstukken van vereenzelviging en misbruik van identiteitsverschil onder Curaçaos recht, waardoor men alleen onder bijzondere omstandigheden aansprakelijk kan worden gehouden voor de schuld van een ander. Isla en Venfleet verwijzen hiervoor naar rechtskundige adviezen van Juan Luis Nuñez García, advocaat te Caracas.

4.6

Aan de vraag naar de inhoud van het recht van Venezuela gaat vooraf de vraag of dat recht in het onderhavige geval toepasselijk is. Het Gerecht ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat naar Curaçaos internationaal privaatrecht Venezolaans recht de rechtsverhouding tussen Maveco enerzijds en Isla en Venfleet anderzijds beheerst en/of dat in deze zaak naar Venezolaans recht moet worden beoordeeld of Isla en Venfleet naast PdV Marina S.A. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vordering van Maveco. Maveco is een Panamese rechtspersoon, Isla is gevestigd te Curaçao, en Venfleet is gevestigd te Bermuda. Het schip waarop beslag is gelegd, is Panamees. Zoals hiervoor al gezegd, waren Isla noch Venfleet betrokken bij de charterovereenkomsten waaruit de vordering van Maveco voortvloeit. Dat op die charterovereenkomsten Venezolaans recht van toepassing is, maakt naar Curaçaos internationaal privaatrecht niet dat aan de hand van dat recht moet worden beantwoord of Isla en Venfleet met PdV Marina SA vereenzelvigd kunnen worden of hoofdelijk aansprakelijk zijn voor haar schulden.

4.7

In dit geding kan dus niet tot uitgangspunt worden genomen dat het vorderingsrecht van Maveco jegens Isla en Venfleet dient te worden beoordeeld naar het recht van Venezuela. Nader onderzoek naar dat recht en naar de conflicterende legal opinions die door partijen zijn overgelegd kan dan ook achterwege blijven.

4.8

Volgens de wél betrokken rechtsstelsels van Curacao, Bermuda en Panama, is het enkele deel uitmaken van een groep van vennootschappen onvoldoende voor het aannemen van hoofdelijke aansprakelijkheid, ook in samenhang met de in dit geding door Maveco gestelde (en door Isla en Venfleet deels bestreden) personele en overige banden binnen die groep.

4.9

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het vorderingsrecht waarop Maveco zich bij haar beslaglegging beroept. Het op de ‘Icaro’ gelegde beslag zal dan ook worden opgeheven. Het door Isla en Venfleet gevraagde verbod voor toekomstige beslaglegging is in beperktere vorm toewijsbaar als hierna omschreven. Voor het daaraan verbinden van dwangsommen bestaat onvoldoende aanleiding.

4.10

Maveco zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.

5 De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding,

5.1

heft op het op 19 februari 2019 op verzoek van Maveco gelegd conservatoir beslag ten laste van Venfleet op de ‘Icaro’;

5.2

verbiedt Maveco over te gaan tot nadere beslaglegging op basis van het haar op 19 februari 2019 verleende beslagverlof en beveelt Maveco om bij een eventueel nieuw verzoek om verlof tot beslag ten laste van Isla en/of Venfleet voor haar vorderingen op PdVSA Marina S.A. in haar beslagrekest melding te maken van dit vonnis en dit vonnis daaraan als bijlage toe te voegen;

5.3

veroordeelt Maveco in de kosten van het geding aan de zijde van Isla en Venfleet gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 620,96 aan oproepingskosten en NAf 1.500 voor salaris gemachtigde, alle bedragen bij niet-voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de uitspraak van dit vonnis;

5.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.