Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:6

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
14-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
CUR201700321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korting op pensioenuitkering. Geen recht meer op kerstuitkering. Geen sprake van ongerechtvaardigd onderscheid tussen ingezetene en niet-ingezetene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

1. [eiser],

wonend op Bonaire,

eiser,

2. [de stichting],

gevestigd op Bonaire,

eiseres,

en

de Sociale Verzekeringsbank,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Bonafasia, werkzaam bij verweerster.

Procesverloop

Bij beschikking van 7 april 2017 (de bestreden beschikking) heeft verweerster op de aan eiser toegekende pensioenuitkering met ingang van 1 januari 2017 een korting van 10% toegepast en dat nader vastgesteld op NAf [bedrag]. Voorts is bepaald dat eiser – wegens de koppeling van het ingezetenschap en het recht op kerstgratificatie – per 29 juli 2016 niet in aanmerking komt voor een kerstgratificatie.

Eiser en eiseres hebben tegen het bestreden besluit gezamenlijk beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling ter zitting van het Gerecht heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Eiser is daar in persoon verschenen en als gemachtigde voor eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

1.1

Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (het EP) heeft iedere natuurlijke persoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

1.2

Op grond van artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van de Landsverordening Algemene Ouderdomspensioen (LvAOV) (zoals gewijzigd bij P.B. 2016, no. 39 met ingang van 1 januari 2017 (de Wijzigingswet)) bedraagt het ouderdomspensioen voor een niet-ingezetene NAf 775,80 per maand.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, (zoals gewijzigd met ingang van 30 juli 2016) heeft degene, die in enig jaar in de maand september recht heeft op ouderdomspensioen en ingezetene is, in dat jaar recht op kerstuitkering.

1.3

Op grond van artikel 7, eerste lid, eerste en derde volzin, van de Lar kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht. Ten aanzien van rechtspersonen worden mede als hun belangen beschouwd de belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden behartigen.

2. Eiser is op [geboortedatum] geboren in Aruba. Met inachtneming van de door hem in de Nederlandse Antillen/Curaçao gewoonde jaren, heeft verweerster aan eiser een ouderdomspensioen toegekend ten bedrage van NAf [bedrag] per maand.

Deze pensioenuitkering is bij het bestreden besluit met 10% verlaagd. Daarbij is aangegeven dat op grond van de wijziging van onder meer de LvAOV niet ingezetenen van Curaçao het recht verkrijgen op een ouderdomspensioen dat 10% lager is dan dat van ingezetenen. Voorts is bepaald dat eiser vanaf 2016 niet meer in aanmerking komt voor een kerstuitkering.

3. Het Gerecht stelt voorop dat de verlaging alleen eiser rechtstreeks in zijn belangen treft. Daartoe overweegt het Gerecht het volgende. Voor de vraag of een rechtspersoon als eiseres belanghebbende is als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Lar, is bepalend of de rechtspersoon krachtens haar doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang behartigt.

3.1

Blijkens artikel 3, eerste en vierde lid, van de statuten van eiseres heeft zij als doel: 1. De studie en bevordering van democratie, natuurrecht en mensenrechten in civiele, politieke, sociale, economische en culturele context; 4. Het voeren van rechtszaken (waaronder begrepen het doen van aangiften of het indienen van verzoekschriften bij het Gerecht) voor en ten behoeve van derden of voor eiseres zelf ter bevordering van het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 casu quo ter behartiging van de belangen daaruit voortvloeiend of daarmee verband houdend.

Blijkens artikel 4 tracht eiseres haar doel te verwezenlijken door middel van vreedzame wettige middelen, zoals: 1. Het bevorderen van het voren omschreven doel middels het juridisch bijstaan van gedupeerde justitiabelen, het voeren van rechtszaken, het organiseren van conferenties, congressen, vergaderingen, lezingen, cursussen, gebruikmaking van alle media en andere middelen; 2. Het opzetten en exploiteren van aan de Stichting gelieerde al of niet zelfstandig opererende organisaties, al of niet met winstoogmerk, die een bijdrage kunnen leveren ter bevordering van het voren omschreven doel.

3.2

Het belang dat eiseres blijkens haar statuten stelt te behartigen, is de bescherming en bevordering van mensenrechten in civiele, politieke, sociale, economische en culturele context door het voeren van rechtszaken. Deze doelstelling is gericht op het behartigen van algemene belangen, welke te ruim en onbepaald zijn geformuleerd, zodat aan de hand daarvan niet kan worden bepaald welke belangen rechtstreeks door de verlaging worden geraakt. Voorts zijn de door eiseres gestelde verrichtte feitelijke werkzaamheden niet met stukken onderbouwd zodat de aard en omvang van bedoelde werkzaamheden niet aannemelijk zijn gemaakt. Eiseres is derhalve geen belanghebbende in dit beroep. Haar beroep tegen de bestreden beschikking zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de informele vereniging ‘Vereniging AOV-belangen Curaçao’ zich niet als partij in deze procedure heeft gesteld en ook geen machtiging heeft overgelegd opdat zij door eiseres kan worden vertegenwoordigd, kan zij niet als belanghebbende worden aangemerkt en ook niet als procespartij deelnemen aan het geding.

4. Het betoog van eiser dat voor wat betreft het recht op het AOV-pensioen en de kerstuitkering in strijd met artikel 14 van het EVRM een onrechtvaardig onderscheid wordt gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, faalt.

Blijkens de Memorie van Toelichting (zitting 2015-2016-074) heeft de wetswijziging tot doel de continuïteit in de betalingen van AOV-pensioen, zijnde een algemene oudedagsvoorziening, te waarborgen. Het middel hiertoe is om voor niet-ingezetenen: a) het bedrag van het recht op ouderdoms-, weduwen-, weduwnaars- en wezenpensioen naar beneden bij te stellen; b) het recht op kerstuitkering te laten vervallen; c) het recht op partnertoeslag te laten vervallen.

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 december 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:154) is de rechtens aanvaardbare basisgedachte van een volksverzekering dat de overheid van een land alleen sociale bescherming door middel van een verplichte verzekering biedt aan personen die door ingezetenschap een voldoende band hebben met dat land en aan personen die, hoewel geen ingezetene, met betrekking tot door hen uitgeoefende beroepswerkzaamheden onderworpen zijn aan belastingheffing door dat land. Dit betekent dat de bij de vormgeving van de oplossing voor het betaalbaar houden van het AOV-pensioen door de wetgever gezochte aansluiting bij het naar woonplaats gemaakte onderscheid, gerechtvaardigd is.

5. Tussen partijen is niet in geding dat het AOV-pensioen als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP is en dat deze eigendom door de werking van de wetswijziging – verlaging van de pensioenuitkering van eiser – voor een gedeelte is ontnomen. Het Gerecht zal dan ook toetsen of aan de voorwaarden voor een inbreuk op het eigendomsrecht is voldaan.

5.1

Op grond van artikel III, onderdeel A, eerste lid, van de Wijzigingswet is een korting toegepast op het ouderdomspensioen. Dit vormt een inmenging in het recht van eiser op een ongestoord genot van zijn eigendom als bedoeld in artikel 1, eerste volzin, van het EP.

Deze inmenging volgt direct uit voormeld artikel van de Wijzigingswet en is derhalve bij wet voorzien. Voorts is ingevolge vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM), onder meer de arresten van 8 oktober 2013 (Mateus tegen Portugal, ECLI:CE:ECHR:2013:1008DEC006223512) en 1 september 2015 (Da Silva Carvalho Rico tegen Portugal, ECLI:CE:ECHR:2015:0901DEC001334114), beperking van de overheidsuitgaven een gerechtvaardigde doelstelling in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie, waarbij de staat een ruime beoordelingsvrijheid heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is. Het Gerecht concludeert dan ook dat aan artikel III, onderdeel A, eerste lid, van de Wijzigingswet een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt.

5.2

Ook bij de afweging of er een “fair balance” is tussen het met de inmenging in het eigendomsrecht gediende algemeen belang en de bescherming van de individuele rechten hebben volgens vaste rechtspraak van het EHRM de lidstaten een ruime beoordelingsvrijheid. De verwachting dat een sociaal systeem waarin wordt geparticipeerd nooit gewijzigd zou kunnen worden, is niet gerechtvaardigd. In de hier aan de orde zijnde constellatie is voorts van belang dat de aanpassingen in de LvAOV deel uitmaken van bredere hervormingen, waaronder een wijziging van de Algemene Weduwen- en wezenverzekering en Algemene landsverordening Landsbelastingen, en de lasten dus niet uitsluitend zijn gelegd bij de gerechtigden tot een ouderdomspensioen.

5.3

Gelet op 5.1 en 5.2 is de op de voet van artikel III, onderdeel A, eerste lid, van de Wijzigingswet toegepaste korting op het ouderdomspensioen ingeval de verzekerde geen ingezetene is proportioneel te achten en leidt deze in het algemeen niet tot een schending van artikel 1 van het EP.

5.4

Dit laat echter onverlet dat het mogelijk is dat artikel III, onderdeel A, eerste lid, van de Wijzigingswet in concrete gevallen onevenredig zware last (“excessive burden”) als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM en daarmee een schending van artikel 1 van het EP met zich brengt. Daarbij is het aan de betrokkene om dit aannemelijk te maken. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de toegepaste korting een onevenredige zware – financiële – last op hem legt.

6. Voorts treft het door eiser gedane beroep op artikel 9 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten geen doel, nu deze artikelen geen rechtstreekse werking hebben.

Ook het beroep van eiser op artikel 4 van het op 22 mei 2001 tussen Nederland en de Nederlandse Antillen gesloten convenant met afspraken over de export en handhaving sociale verzekeringsuitkeringen faalt, nu dat convenant in zijn geheel door het convenant van 29 juli 2016 is vervangen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht:

  • -

    verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar beroep;

  • -

    verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan, voorzitter, en A. Ramirez en mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2019, in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.