Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:56

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
CUR201804245
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uitleg cao; prorogatie en ontvankelijkheid; vernietiging van cao afwijkende afspraak wegens bedrog of dwaling?; wijziging van omstandigheden die aan nakoming van cao-verplichtingen in de weg staat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

de vereniging

ALGEMENE BOND VAN OVERHEIDS- EN OVERIG PERSONEEL,

gevestigd in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes,

tegen

de naamloze vennootschap

ANALYTISCH DIAGNOSTISCH CENTRUM N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.E. Thomson.

Partijen zullen hierna ABVO en ADC genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedures is als volgt:

  • -

    het verzoekschrift van 13 december 2018, met producties;

  • -

    het verweerschrift met producties;

  • -

    de akte wijziging en vermeerdering van eis;

  • -

    de aanvullende producties van ABVO;

  • -

    de aanvullende producties van ADC;

  • -

    de behandeling ter zitting van 27 februari 2019;

  • -

    de pleitaantekeningen zijdens beide partijen.

1.2.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

ABVO is een vakbond. Tot haar leden behoren werknemers van ADC.

2.2.

Tussen ADC en ABVO is een cao tot stand gekomen die heeft gegolden van 2014 tot en met 2017. De cao bevat, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

4.3

LOONVASTSTELLINGEN NA BEOORDELING

4.3.1

Op basis van prestaties vindt na beoordeling de functieloonsverhoging plaats.

[…]

4.3.4

Bij een gunstig beoordelingsresultaat wordt het loon van de werknemer verhoogd per 1 januari, volgend op de datum van de eerste beoordeling.

[…]

6 BEPALINGEN EN VOORZIENINGEN M.B.T. ZIEKTE EN BEDRIJFSONGEVAL

6.1

GENEESKUNDIGE BEHANDELING VAN DE WERKNEMER

6.1.1

De bepalingen krachtens de Regeling Vergoeding behandeling- en verplegingskosten overheidsdienaren (P.B. 1986, nr. 165 zoals gewijzigd) blijven bij het afsluiten van de CAO tussen partijen van kracht.

6.1.2

De werknemers, die werkzaam waren bij de rechtsvoorganger van het ADC, hebben recht op geneeskundige behandeling conform de bestaande regeling van het Bureau Ziektekosten Voorzieningen (BZV).

6.1.3

De werknemers die na 1 januari 2001 in dienst van werkgever zijn getreden en een salaris hebben beneden de SVB loongrens hebben recht op geneeskundige behandeling conform de bestaande regeling van de SVB nu BVZ.

6.1.4

De werknemers die na 1 januari 2001 in dienst van werkgever zijn getreden en een salaris hebben boven de SVB loongrens hebben recht op geneeskundige behandeling conform de bestaande regeling van de BZV.

[…]

6.4

AANVULLENDE VOORZIENINGEN ZIEKTEKOSTEN (WERKNEMERS, VALLENDE ONDER BZV EN BVZ)

[…]

b. Om de twee jaar bij de aanschaf van brillen op medische indicatie of voorgeschreven vervanging daarvan voor zover nodig bij normaal gebruik met dien verstande dat voor de aanschaf van een montuur en glazen maximaal ANG. 500,00 zal worden vergoed.

c. Aanschaf of vervanging van lenzen op advies van de specialist geschiedt conform BZV-richtlijnen.

d. Voor de eigen bijdrage kan aan de werknemer een voorschot verleend worden.

[…]

11.6

GESCHILLEN

11.6.1

In geval tussen de werkgever en de bond een geschil mocht rijzen over de naleving, uitleg of het toepasselijk zijn van de bepalingen van deze cao, zal hiertoe de volgende procedure worden gevolgd:

[…]

11.6.3

Indien het geschil binnen drie weken na kennisgeving niet in der minne is opgelost, zal het geschil binnen een maand […] bij prorogatie met toepassing van de artikelen 257, 258 en 259 [Rv] aan het Hof van Justitie worden voorgelegd […].

2.3.

Tussen partijen is discussie ontstaan over de juiste interpretatie van artikel 6.4 onder b.

2.4.

In 2016 zijn partijen overeengekomen dat de “beoordelingsconsequentie” bedoeld in artikel 4.3.4 voor 2016 wordt uitbetaald in de vorm van een eenmalige lumpsum in plaats van in de vorm van een verhoging van de salaristrede.

2.5.

De aandelen in ADC worden gehouden door het Land Curaçao.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek van ABVO luidt, na wijziging van eis, als volgt:

WESHALVE het UEA moge behagen om bij beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

A. ADC te bevelen om jegens ABVO en haar leden, werknemers van ADC, waarop artikel 6.4 sub b van de CAO 2014-2017 van toepassing is, na te komen en ADC te bevelen om bij de aanschaf van een bril additioneel op het bedrag dat de BVZ/SVB voor de aanschaf van een bril (montuur en glazen) vergoedt, een vergoeding van maximaal ANG 500,= aan de werknemer en/of de optica te betalen, zulks op verbeurte van een dwangsom van ANG 1.000,= voor ieder uur of gedeelte van een uur dat ADC het ten deze door Uw Gerecht te geven bevel c.q. bevelen niet, of niet stipt, nakomt;

B. De afspraak c.q. overeenkomst d.d. 23 november 2016 tussen ADC en ABVO op grond van bedrog c.q. dwaling te vernietigen en om ADC te veroordelen om aan de werknemers die over het jaar 2016 een gunstig resultaat ingevolge artikel 4.3 c.q. 4.3.4 CAO hebben behaald een functieloonsverhoging toe te kennen en met terugwerkende kracht per 1 januari 2016, zulks verhoogd met de wettelijke vertragingsrente van 50% en de wettelijke rente, uit te betalen, zulks op verbeurte van een dwangsom van ANG 1.000,= voor ieder uur of gedeelte van een uur dat ADC het ten deze door Uw Gerecht te geven bevel c.q. bevelen/veroordelingen niet, of niet stipt, nakomt.

C. ADC te bevelen om artike14.3.1 juncto artikel 4.3.4 CAO jegens haar werknemers, leden van ABVO, na te komen en om ADC te veroordelen om per 1 januari 2018, zulks verhoogd met de wettelijke vertragingsrente van 50% en de wettelijke rente, over te gaan tot de uitbetaling van de functieloonsverhoging over het jaar 2017 aan de leden van ABVO werkzaam te ADC die een gunstig beoordelingsresultaat over het jaar 2017 hebben ontvangen, zulks op verbeurte van een dwangsom van ANG 1.000,= voor ieder uur of gedeelte van een uur dat ADC het ten deze door Uw Gerecht te geven bevel c.q. bevelen/veroordelingen niet, of niet stipt, nakomt.

D. ADC te bevelen om artikel 4.3.1 juncto artikel 4.3.4 CAO jegens haar werknemers, leden van ABVO, na te komen en om ADC te veroordelen om per 1 januari 2019, zulks verhoogd met de wettelijke vertragingsrente van 50% en de wettelijke rente, over te gaan tot de uitbetaling van de functieloonsverhoging over het jaar 2018 aan de leden van ABVO werkzaam te ADC die een gunstig beoordelingsresultaat over het jaar 2018 hebben ontvangen, zulks op verbeurte van een dwangsom van ANG 1.000,= voor ieder uur of gedeelte van een uur dat ADC het ten deze door Uw Gerecht te geven bevel c.q. bevelen/veroordelingen niet, of niet stipt, nakomt.

E. ADC te bevelen c.q. te veroordelen om aan ABVO een bedrag ad ANG 10.000,= als schade voor de door haar gemaakte advocaatkosten te betalen, althans een door uw Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag; en

F. ADC te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

ADC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van ABVO in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Het inhoudelijke geschil valt uiteen in drie onderdelen. In de eerste plaats strijden partijen over de juiste interpretatie van artikel 6.4 onder b (de ‘brillenvergoeding’). In de tweede plaats meent ABVO dat de in 2.4 bedoelde afspraak vernietigd moet worden wegens bedrog of dwaling, zodat over 2016 alsnog artikel 4.3.4 onverkort moet worden toegepast. In de derde plaats maakt ABVO aanspraak op nakoming van die bepaling over de jaren 2017 en 2018. In het navolgende zal het gerecht deze drie onderdelen bespreken. Allereerst gaat het gerecht echter in op het beroep van ADC op niet-ontvankelijkheid van ABVO. Daarbij staat tussen partijen, terecht, niet ter discussie dat ABVO gerechtigd is om uit eigen hoofde nakoming van de cao te vorderen, ook als die vordering gebaseerd is op nawerking van een inmiddels geëindigde cao (vergelijk artikel 15 Landsverordening cao en HR 16 juni 1987, NJ 1988/70).

ontvankelijkheid

4.2.

ADC heeft met een beroep op artikel 11.6.3 betoogd dat ABVO zich met haar verzoeken moet wenden tot het Hof en dat zij niet kan worden ontvangen in een procedure bij het gerecht in eerste aanleg. ABVO heeft als reactie hierop aangevoerd dat het hier een zogenoemde obligatoire bepaling uit de cao betreft en dat die niet langer van toepassing is, omdat de cao per 1 januari 2018 tot een einde is gekomen.

4.3.

Het gerecht verwerpt het standpunt van ADC. Zou haar standpunt worden gehonoreerd, dan ligt in de rede dat ABVO zich wendt tot het Hof, ofwel bij wijze van appel tegen de niet-ontvankelijkheidsbeslissing in eerste aanleg, ofwel bij wijze van prorogatie. Wordt het standpunt verworpen en kan ADC zich niet vinden in die beslissing, dan kan zij daarvan in appel bij het Hof, die de beslissing in eerste aanleg kan vernietigen, maar vervolgens het geschil – bij prorogatie – ook inhoudelijk zal beoordelen. Ook als een van partijen zich niet kan vinden in de inhoudelijke beoordeling door het gerecht, zal de zaak aan het Hof worden voorgelegd. In al deze gevallen zal de zaak dus bij het Hof terecht komen. In die omstandigheden valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang ADC heeft bij niet-ontvankelijkheid.

de ‘brillenvergoeding’

4.4.

Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een cao de zogenoemde cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Niet bepalend zijn daarom de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn. Het gaat om de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:678).

4.5.

De bepaling over de ‘brillenvergoeding’ spreekt over een maximale vergoeding van NAf 500 voor een bril. Dit woordgebruik wijst erop dat het hier gaat om een algeheel maximum, ongeacht door wie (SVB, BVZ en/of ADC) die vergoeding in eerste instantie wordt voldaan: alle werknemers krijgen in totaal maximaal NAf 500 vergoed. Dit zou anders (kunnen) zijn als de bepaling zou inhouden dat ADC deze vergoeding betaalt, maar dat staat er niet.

4.6.

ABVO heeft gewezen op de kop van artikel 6.4, waarin gesproken wordt van “aanvullende voorzieningen.” Het gebruik van het woord “aanvullende” duidt erop dat het gaat om voorzieningen bovenop de aanspraken die de werknemers al hebben op grond van de verschillende ziektekostenregelingen, aldus ABVO. Het gerecht verwerpt deze redenering. Uit artikel 6.4 zelf blijkt al dat het woord “aanvullende” niet deze betekenis kan hebben: in onderdeel c is immers bepaald dat de aanschaf of vervanging van lenzen geschiedt “conform de BZV-richtlijnen,” zodat deze bepaling in elk geval voor de BZV-verzekerden geen aanvulling op hun aanspraken inhoudt. Bovendien leidt een vergoeding van NAf 500 in veruit de meeste gevallen wel degelijk tot een aanvulling op de wettelijke aanspraken die BZV-verzekerden al hebben, zodat ook om die reden de redenering van ABVO niet opgaat. Dit leidt het gerecht af uit het door ADC overgelegde overzicht van uitgekeerde ‘brillenvergoedingen’ vanaf 2008.

4.7.

Niet gezegd kan worden dat de in 4.5 bedoelde uitleg leidt tot onaannemelijke uitkomsten. In dat verband is van belang dat, zoals ADC onbetwist heeft gesteld, BZV de door haar aan de desbetreffende werknemer betaalde vergoeding uiteindelijk bij ADC in rekening brengt. De in 4.5 bedoelde uitleg van artikel 6.4 onder b komt er dus per saldo op neer dat ADC voor zowel BZV-verzekerden als voor SVB-verzekerden (die anders dan BZV-verzekerden geen wettelijke aanspraak hebben op een vergoeding) eenzelfde maximale vergoeding betaalt. Dit gevolg is aannemelijker dan wanneer de door ABVO bepleite uitleg zou worden gevolgd. Die komt erop neer dat ADC aan BZV-verzekerden veel meer ‘brillenvergoeding’ kwijt is dan aan SVB-verzekerden (namelijk voor de een de vergoeding die BZV voorschiet plus de cao-vergoeding van maximaal NAf 500 en voor de ander slechts die cao-vergoeding). De partijen bij de cao kunnen dit verschil in behandeling vanzelfsprekend hebben beoogd, maar zonder meer aannemelijk is dit niet.

4.8.

De slotsom moet zijn dat artikel 6.4 onder b moet worden uitgelegd op de door ADC bepleite wijze. De vordering onder A is dus niet toewijsbaar.

de lumpsum-afspraak over 2016

4.9.

De reden om te komen tot de in 2.4 bedoelde afspraak was gelegen in bezuinigingen. Vast staat dat het uitbetalen van een vergoeding ineens aan de desbetreffende werknemers (door middel van een ‘lumpsum’) leidt tot besparingen voor ADC in vergelijking met het toekennen van een salarisverhoging. De lumpsum-afspraak is tot stand gekomen op verzoek van ADC, met als reden “een dalende tendens van de productie cijfers” (aldus de namens partijen ondertekende “afsprakenbrief” van 23 november 2016). ABVO stelt zich op het standpunt dat haar pas achteraf is gebleken dat ADC over 2016 toch winst heeft behaald. De afspraak is daarom onder invloed van bedrog of dwaling tot stand gekomen en dus vernietigbaar, aldus ABVO.

4.10.

Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk verzwijgen van enig feit of door een andere kunstgreep (artikel 3:44 lid 3 BW).

4.11.

Van dergelijk handelen van de kant van ADC is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken. Het enkele feit dat over 2016 winst is gemaakt, betekent niet dat ADC onjuiste mededelingen heeft gedaan over de “dalende tendens” van de productiecijfers of zou hebben verzwegen dat ondanks die tendens toch winst gehaald zou worden, laat staan dat een en ander opzettelijk is gedaan om ABVO zover te krijgen dat zij met een afwijking van artikel 4.3.4 akkoord zou gaan. Dat geldt te meer, nu kennelijk aan de afspraak kwartaalcijfers ten grondslag hebben gelegen (brief van ADC van 20 september 2016) en gesteld noch gebleken is dat toen al voor ADC duidelijk was dat 2016 met winst zou worden afgesloten. Verder acht het gerecht van belang dat, zoals ADC onbetwist heeft gesteld, de accountant over 2016 en 2017 geen oordeel heeft willen geven over de continuïteit van de onderneming en dat de winst over 2016 louter boekhoudkundig van aard is en verband houdt met een eenmalige opschoning van het debiteurenbestand. Gelet op al deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat ADC bedrog heeft gepleegd bij het tot stand komen van de lumpsum-afspraak over 2016.

4.12.

Evenmin is de afspraak vernietigbaar op grond van dwaling. Gelet op het hiervoor overwogene, kan niet worden aangenomen dat reeds ten tijde van de totstandkoming van de afspraak duidelijk was dat de opschoning van het debiteurenbestand zou leiden tot een (boekhoudkundige) winst over 2016. Zo bezien betreft de dwaling, voor zover al aanwezig, uitsluitend een toekomstige omstandigheid als bedoeld in artikel 6:228 lid 2 BW en daarop kan een vernietiging niet worden gebaseerd. Overigens heeft ABVO ook onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat daadwerkelijk sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken onder invloed waarvan de afspraak is gemaakt. Uit de in 4.9 bedoelde “afsprakenbrief” en de in 4.11 bedoelde brief van 20 september 2016 kan immers worden afgeleid dat de afspraak is gemaakt in verband met de “dalende tendens” van de productiecijfers. Dat is niet hetzelfde als de te behalen winst. Gelet hierop heeft ABVO onvoldoende onderbouwd dat zij de afspraak heeft gemaakt onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken omtrent de winst.

4.13.

Het voorgaande betekent dat de vordering onder B niet toewijsbaar is.

de beoordelingsconsequentie over 2017 en 2018

4.14.

De vorderingen onder C en D zijn gebaseerd op nakoming door ADC van haar verplichtingen op grond van artikel 4.3.4 van de cao. Niet ter discussie staat dat die bepaling ook na het aflopen van de cao per einde 2017 van kracht is gebleven. De lumpsum-afspraak gold alleen voor 2016, zodat ABVO in beginsel aanspraak kan maken op nakoming. ADC beroept zich echter op artikel 6:258 BW en artikel 6:248 lid 2 BW. Een dergelijk beroep kan ook worden gedaan bij wijze van verweer. Het instellen van een eigen vordering is daarvoor niet nodig. Het gerecht overweegt het volgende.

4.15.

Een beroep op wijziging van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW) kan slechts worden gehonoreerd als die omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Voor een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW geldt dezelfde strenge toets. Het is aan ADC om voldoende feiten te stellen die tot toepassing van deze bepalingen kan leiden.

4.16.

ADC heeft de volgende feiten gesteld. Onverkorte toepassing van artikel 4.3.4 leidt tot een toename van de salariskosten van ongeveer NAf 1,6 miljoen. Gevoegd bij het verlies dat is geleden over 2017 (NAf 1,3 miljoen) en over 2018 (NAf 2,8 miljoen), is duidelijk dat ADC die extra last niet zal kunnen dragen. Dit klemt te meer, nu ADC door de ministerraad van Curaçao op 11 oktober 2017 is aangewezen om de laboratoriumtaken ten behoeve van het nieuwe ziekenhuis uit te voeren. Daarvoor is nieuwe huisvesting nodig waarin op dit moment wordt geïnvesteerd. Voor de in dat verband verkregen externe financiering geldt als voorwaarde dat de personeelskosten niet mogen stijgen. De taak ten behoeve van het nieuwe ziekenhuis is in het belang van ADC, maar ook van het gehele gezondheidszorg op Curaçao. Onverkorte toepassing van artikel 4.3.4 zal leiden tot het faillissement van ADC.

4.17.

Dit betoog is naar het oordeel van het gerecht onvoldoende om te kunnen leiden tot toepassing van artikel 6:258 BW of artikel 6:248 lid 2 BW. Daartoe overweegt het gerecht als volgt.

4.18.

Uitgangspunt is dat het in verband met artikel 4.3.4 gaat over aanspraken die al lange tijd in de cao staan en als zodanig dus jaarlijks kunnen worden begroot. Hiermee kon dus rekening worden gehouden ten tijde van het besluit van de ministerraad om ADC te belasten met de laboratoriumtaken van het nieuwe ziekenhuis, van welk besluit de verplichting om nieuwe huisvesting te realiseren kennelijk een gevolg is. Om dezelfde redenen kan niet worden aangenomen dat de onderhavige financiële verplichting van ADC jegens haar werknemers niet is betrokken in het kader van de verkregen externe financiering. Mocht dat wel het geval zijn, dan komt dat in de hier geschetste omstandigheden voor risico van ADC. Verder is van belang dat, zoals ter zitting is komen vast te staan, ADC in de afgelopen twee jaar aanzienlijk heeft geïnvesteerd in de komst van specialisten, als gevolg waarvan de daarmee samenhangende kosten fors zijn gestegen. Hiervoor bestonden mogelijk goede redenen, maar niet zonder meer valt in te zien dat de – bestaande – aanspraken van werknemers moeten wijken voor nieuw aangegane verplichtingen jegens derden.

4.19.

Een en ander komt er in feite op neer dat de rekening van de verschillende investeringen in specialisten en nieuwbouw door ADC eenzijdig bij de werknemers wordt gelegd, hoewel laatstgenoemden een harde aanspraak op grond van de cao hebben. Nu niet gebleken is van inspanningen van ADC om op andere punten te bezuinigen dan wel hogere inkomsten te genereren, kan in deze omstandigheden niet worden gezegd dat het beroep van ABVO op nakoming van artikel 4.3.4 onaanvaardbaar is. Dit betekent dat het verweer van ADC wordt verworpen en dat de vorderingen onder C en D in beginsel toewijsbaar zijn.

4.20.

De gevorderde wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW zal echter worden gematigd tot nihil. Uit het betoog van ADC wordt voldoende duidelijk dat zij financieel in zwaar weer verkeert. Zij heeft er dus een reëel belang dat haar verplichtingen uit hoofde van artikel 4.3.4 niet groter worden dan noodzakelijk. Anderzijds moet worden aangenomen dat het per werknemer gaat om slechts een klein deel van zijn maandinkomen. In die omstandigheden moet het belang van ADC zwaarder wegen. Dit laat onverlet dat de wettelijke rente wel toewijsbaar is, waarmee het nadeel voor de werknemer als gevolg van de vertraging in de betaling afdoende wordt gedekt.

4.21.

ABVO vordert oplegging van een dwangsom. Daartoe zal het gerecht niet overgaan, nu de in het dictum op te nemen veroordeling in wezen strekt tot betaling van een geldsom (artikel 611a lid 1 Rv). De in deze bepaling opgenomen uitzondering op de mogelijkheid om aan een veroordeling een dwangsom te verbinden is bedoeld voor die gevallen waarin voldoening aan de hoofdveroordeling door middel van rechtstreekse executie kan worden verkregen (HR 23 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:113). Dat is hier het geval. Niet van belang is dat het hier gaat om betalingen die aan derden, namelijk de werknemers, moeten worden verricht.

4.22.

ABVO vordert veroordeling van ADC tot betaling van NAf 10.000 bij wijze van schadevergoeding. ABVO stelt dat zij schade heeft ondervonden als gevolg van de “halsstarrige” weigering van ADC om de cao correct na te komen. ABVO was daardoor genoodzaakt een advocaat in te schakelen teneinde de aanspraken van de werknemers in rechte af te dwingen, aldus ABVO. Uit deze omschrijving leidt het gerecht af dat de schade kennelijk bestaat uit de kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. Dergelijke schade komt naast een proceskostenveroordeling niet voor vergoeding in aanmerking.

4.23.

Nu beide partijen over en weer gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

beveelt ADC om artikel 4.3.1 jo. 4.3.4 van de cao jegens haar werknemers, leden van ABVO, na te komen en veroordeelt ADC om per 1 januari 2018, zulks verhoogd met de wettelijke rente, over te gaan tot uitbetaling van de functieloonsverhoging over het jaar 2017 aan de leden van ABVO werkzaam bij ADC die een gunstig beoordelingsresultaat over het jaar 2017 hebben ontvangen;

5.2.

beveelt ADC om artikel 4.3.1 jo. 4.3.4 van de cao jegens haar werknemers, leden van ABVO, na te komen en veroordeelt ADC om per 1 januari 2019, zulks verhoogd met de wettelijke rente, over te gaan tot uitbetaling van de functieloonsverhoging over het jaar 2018 aan de leden van ABVO werkzaam bij ADC die een gunstig beoordelingsresultaat over het jaar 2018 hebben ontvangen;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.