Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:52

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
Lar CUR201703293
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht verwijst naar eerdere uitspraak waarin is overwogen dat de ongewenstverklaring strikt genomen alleen betrekking heeft op de toelating als toerist voor kort verblijf. De ongewenstverklaring betekent dan ook niet dat verweerder zonder meer verplicht is een aanvraag om een verblijfsvergunning daarom af te wijzen en aanvrager geen belang zou hebben bij het in rechte opkomen tegen een afwijzing op die grond.

Formele relatie :ECLI:NL:OGEAC:2019:8

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

verblijvend buiten Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: [de gemachtigde] (de echtgenoot van eiseres),

en

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigden: mrs. G.B. Steward en S.X.T. Hato, advocaten.

Procesverloop

Bij beschikking van 10 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinsvorming/gezinshereniging (de aanvraag).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 13 februari 2019 plaatsgevonden. Voor eiseres is daar haar gemachtigde verschenen. Verweerder is bij zijn gemachtigden verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) wordt niemand, behalve in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, in Curaçao toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of verblijf.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens verweerder worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

1.1

Op grond van artikel 2, vierde lid, van het Toelatingsbesluit (Tb) kan door of namens verweerder aan toeristen, die als ongewenst worden beschouwd, de binnenkomst worden geweigerd of een langer verblijf worden ontzegd.

2. Eiseres is op 20 februari 1984 geboren en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Zij is Curaçao voor het eerst op 8 oktober 2013 als toerist binnengereisd. Op 23 februari 2016 werd zij aangehouden ter zake overtreding van de bepalingen van de Ltu. Zij werd in bewaring gesteld en op 29 november 2016 uit Curaçao verwijderd. Daarbij is haar de toegang tot Curaçao voor een periode van drie jaren ontzegd (de ongewenstverklaring). De door haar op 29 november 2016 aangevraagde vergunning tot tijdelijk verblijf werd bij beschikking van 10 februari 2017 geweigerd (de weigeringsbeschikking). Deze weigering werd bij beschikking op het tegen de weigeringsbeschikking gemaakte bezwaar gehandhaafd.

Op 28 juli 2017 is eiseres met [haar gemachtigde], met de Nederlandse nationaliteit, in de Dominicaanse Republiek getrouwd.

Op 21 september 2017 heeft eiseres de aanvraag gedaan. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres een ongewenst verklaarde vreemdeling is, die nog niet aan de haar opgedragen termijn buiten Curaçao heeft verbleven. Dit levert een grond op voor de weigering van de aanvraag met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen. Voorts zijn de in de motiveringsbrief van eiseres aangevoerde argumenten ook niet zwaarwegend genoeg om de aanvraag in te willigen. Tot slot voldoet eiseres niet aan de toelatingsvoorwaarden.

3. Zoals het Gerecht reeds eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 18 januari 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:8) heeft de ongewenstverklaring strikt genomen alleen betrekking op de toelating als toerist voor kort verblijf. De ongewenstverklaring betekent dan ook niet dat verweerder zonder meer verplicht is een aanvraag om een verblijfsvergunning daarom af te wijzen en een aanvrager geen belang zou hebben bij het in rechte opkomen tegen een afwijzing op die grond.

3.1

Eiseres betoogt tevergeefs dat bij het bestreden besluit ten onrechte haar recht op ‘family life’ zoals is vastgelegd in artikel 8 van het EVRM niet is gerespecteerd. Ten aanzien daarvan overweegt het Gerecht als volgt.

Niet in geschil is dat aan eiseres niet eerder een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van het Hof (vergelijk onder meer de uitspraken van 30 mei 2005 in zaak nr. 56 HLAR 25/04, 19 juli 2010 in de zaak nr. HLAR 079/09 en 25 januari 2011 in de zaak nr. HLAR 038/10) is het Gerecht van oordeel dat nu eiseres geen verblijfstitel wordt ontnomen die haar tot het gezinsleven hier te lande in staat stelde, de weigering van haar aanvraag geen inmenging in de zin van artikel 8 EVRM oplevert.

Verweerder mocht – zoals uit het verweerschrift en het ter terechtzitting verhandelde is gebleken – uit het oogpunt van de openbare orde zwaar gewicht toekennen aan de geconstateerde overtreding van de Ltu en de in rechte vast staande ongewenstverklaring.

3.2

Voorts is niet gebleken dat in dit geval van zodanige bijzondere feiten en omstandigheden sprake is, dat uit het recht op respect voor familie- of gezinsleven een positieve verplichting zou voortvloeien om ten behoeve van eiseres, in weerwil van de afwijzingsgrond, niettemin een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

4. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019 te Curaçao, in aanwezigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. zie hoofdstuk 5 van de Lar.