Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2019:45

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
CUR201803944
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek van werkneemster na beweerdelijke ongeregeldheden met het in rekening brengen van

producten door verkoopster/werkneemster, gematigde ontbindingsvergoeding na 25 jaar dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO


Zaaknummer: CUR201803944

Beschikking d.d. 14 februari 2019

inzake

[Verzoekster],
wonende in Curaçao,
verzoekster,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,


tegen

de naamloze vennootschap

[Vennootschap],

gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigde: mr. D.M. Wildeman.


Partijen zullen hierna [Verzoekster] en [Vennootschap] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1. [

Verzoekster] heeft op 22 november 2018 een verzoekschrift met producties ingediend. [Vennootschap] heeft op voorhand producties ingezonden. Het verzoek is behandeld op 24 januari 2019. [Verzoekster] is in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [Vennootschap] is verschenen de directeur [Directeur], alsmede de gemachtigde. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben beide gemachtigden gepleit mede aan de hand van pleitnota’s. Ook [Verzoekster] en [Directeur] hebben het woord gevoerd.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2. [

Vennootschap] is een klein (familie)bedrijf dat al 47 jaar versnaperingen verkoopt op de airport Hato met drie verkopers in dienst, die in shifts werken.

2.3. [

Verzoekster], thans 58 jaar oud, is sinds 2 augustus 1993 in dienst van [Vennootschap], laatstelijk als verkoopster bij de [Vennootschap], tegen een bruto maandsalaris van NAf 1.910,00.

2.4.

In juli 2018 wordt de directrice van [Vennootschap] op de hoogte gesteld van een bericht op facebook over slechte service verlening bij de [Vennootschap] van [Vennootschap] op 15 april 2018. In het betreffende stuk doet een klant verslag van de aankoop van versnaperingen op Hato op 15 april 2018, waarbij hem door de verkoopster teveel geld in rekening is gebracht. Bij dit bericht is een kassabon weergegeven van genoemde datum en met vermelding van het tijdstip 15:51:16 uur.

2.5.

Na te hebben achterhaald dat [Verzoekster] op die dag en op dat tijdstip werkzaam was bij de [Vennootschap], heeft de directeur van [Vennootschap] [Verzoekster] bij brief van 13 juli 2018 per direct en voor onbepaalde tijd op non actief gesteld met ontzegging van toegang tot de werkplek, doch met behoud van haar maandsalaris.

2.6.

In die brief van 13 juli 2018 is onder meer het volgende opgenomen:

“Aanleiding voor de non actiefstelling is dat bij mij wederom een bericht is binnengekomen waardoor het vermoeden bestaat dat u weer een klant meer geld in rekening heeft gebracht dan de daadwerkelijke prijs van onze winkelproducten, zonder dat u deze producten heeft aangeslagen in het kassasysteem. In januari 2017 bent u eerder geschorst geweest voor hetzelfde voorval. Het voorval is vast komen te staan, waarna u slechts een mondelinge waarschuwing heeft gekregen.

Nu het vermoeden opnieuw is gerezen dat u winkelproducten voor duurdere prijzen verkoopt, dan de winkelprijs zonder deze producten aan te slaan, zal nader onderzoek worden verricht.

De pas, bestemd voor de toegang tot de Airport, de parkeerpas en de sleutels van de winkel dient u per ommegaande

U wordt hierbij verzocht bereikbaar te zijn om gevolg te geven aan de oproep voor een gesprek.”

2.7.

Bij brief van 23 juli 2018 verklaart de gemachtigde van [Verzoekster] dat zij bereid is het werk bij [Vennootschap] te hervatten en vordert zij dat [Verzoekster] binnen zeven dagen na dagtekening van de brief nader wordt bericht over de voortgang van het onderzoek dan wel dat [Verzoekster] weder tewerk wordt gesteld.

2.8.

Per e-mailbericht van 9 augustus 2018 heeft de gemachtigde van [Vennootschap] inhoudelijk het volgende geantwoord:

“Bij brief van 13 juli 2018 is uw cliënte geschorst met behoud van salaris. De reden hiervoor is ook in de brief kenbaar gemaakt. Cliënte is daartoe als werkgever vanzelfsprekend gerechtigd en er is geen verplichting om nu op voorhand nadere informatie ten aanzien van het onderzoek aan [Verzoekster] te verschaffen. Dit klemt te meer nu uw cliënte onder doorbetaling van salaris is geschorst.

Voor wat betreft het onderzoek, bericht ik u dat cliënte in dat kader afhankelijk is van derden en dat het onderzoek tegen verwachting in langer duurt. Uw cliënte blijft voor de maand augustus 2018 dan ook geschorst onder doorbetaling van salaris. Voor de goede orde bericht ik u dat het uw cliënte niet is toegestaan de werkvloer te betreden.

Ik ga ervan uit u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd. Zodra het onderzoek is afgerond, zal ik u nader berichten.”

2.9.

Bij twee e-mailberichten van 20 augustus 2018 persisteert [Verzoekster] wat betreft de onrechtmatigheid van de schorsing. Zij ontkent dat er een incident heeft plaatsgevonden dat een onderzoek of schorsing rechtvaardigt en stelt voorts dat de schorsing onredelijk lang heeft geduurd terwijl zij niet in de gelegenheid is gesteld om zich te verdedigen. [Verzoekster] verzoekt om binnen zeven werkdagen in kennis te worden gesteld van de voortgang van het onderzoek.

2.10.

Tot nu toe is [Verzoekster] niet meer aan het werk gegaan, maar heeft wel salaris ontvangen. Er is niet meer met [Verzoekster] gecommuniceerd over het aangekondigde onderzoek.

3 Het geschil

3.1. [

Verzoekster] vordert dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. haar toestemming verleent om kosteloos te procederen;

  2. [Vennootschap] zal veroordelen om binnen vijf (5) dagen na betekening van dit vonnis, het achterstallig (restant)salaris c.q. betaling van [Verzoekster] over de maand juli 2018 te voldoen, vermeerderd met de vertragingsrente ex artikel 7A: 1614q BW en de wettelijke rente over het verschuldigde restantsalaris;

  3. de arbeidsovereenkomst tussen [Verzoekster] en [Vennootschap] wegens gewichtige reden, in de zin van primair een dringende reden, subsidiair wegens gewijzigde omstandigheden met onmiddellijk ingang c.q. op zo kort mogelijke termijn te ontbinden, met toekenning van een billijke vergoeding aan [Verzoekster] gelijk aan NAf 45.000,00;

  4. [Vennootschap] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, tot op heden begroot op NAf 350,00 alsmede in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan haar verzoek legt [Verzoekster] ten grondslag dat [Vennootschap] tegen de beginselen van goed werkgeverschap heeft gehandeld door haar op basis van ongegronde vermoedens per direct op non-actief te stellen. Volgens [Verzoekster] heeft het handelen van [Vennootschap] haar in haar eer en goede naam aangetast en heeft zij het vertrouwen in [Vennootschap] verloren, waardoor sprake is van een dringende reden dan wel van gewijzigde omstandigheden die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

3.3. [

Vennootschap] stemt in met de door [Verzoekster] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar concludeert dat de vordering ten aanzien van de beëindigingsvergoeding van [Verzoekster] dient te worden afgewezen dan wel toegewezen met toekenning van een vergoeding beperkt tot een maximaal bedrag gelijk aan de cessantia, met veroordeling van [Verzoekster] in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Zij voert aan dat de redenen voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan [Verzoekster] te wijten zijn. [Verzoekster] is op 19 januari 2017 al een keer geschorst en heeft een formele waarschuwing gekregen voor een soortgelijke incident op 17 januari 2017 waar vast is komen te staan dat zij teveel geld in rekening heeft gebracht aan een klant. Omdat het incident van 15 april 2018 weer een geval was waar teveel geld in rekening is gebracht aan een klant, was het noodzakelijk om [Verzoekster] op non- actief te stellen en nader onderzoek te laten verrichten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [

Verzoekster] heeft het gerecht verzocht kosteloos te mogen procederen. Gelet op het door haar ingebrachte bewijs van onvermogen, zal het gerecht haar daartoe toelaten.

4.2. [

Verzoekster] heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht en [Vennootschap] heeft aangegeven daarmee akkoord te gaan. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden op grond van gewichtige redenen bestaande uit veranderingen in de omstandigheden (artikel 7A:1615w lid 1 BW) per 7 maart 2019.

4.3.

Aan de orde is vervolgens de vraag of er gronden zijn om aan [Verzoekster] ten laste van [Vennootschap] een vergoeding toe te kennen en, zo ja, tot welk bedrag. Ingevolge artikel 7A:1615w lid 5 BW kan de rechter, zo hem/haar dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt een ontbindingsvergoeding toekennen. Bij die afweging is in dit geval van belang of de reden voor ontbinding geheel of gedeeltelijk aan [Verzoekster] dan wel aan [Vennootschap] is te wijten.

4.4. [

Verzoekster] voert aan dat zij 25 jaar trouwe dienst aan [Vennootschap] heeft bewezen. [Vennootschap] heeft een incident als voorwendsel gebruikt om makkelijk van haar af te komen, zonder haar de redenen voor de schorsing mee te delen en zonder haar te horen. Daarbij heeft [Vennootschap] de schorsing voor een onredelijke termijn gehandhaafd om onderzoek te verrichten, zonder haar enige uitleg te geven over de voortgang van het onderzoek. [Vennootschap] is niet ingegaan op haar uitdrukkelijke verzoeken om op de hoogte te worden gesteld over welk incident dan de aanleiding van haar schorsing is geweest. Zij heeft zich om deze reden niet kunnen verweren. Haar vertrouwen in [Vennootschap] is hierdoor verloren gegaan.

4.5. [

Vennootschap] voert aan dat partijen de laatste drie jaar geen goede verstandhouding hebben gehad wegens het gedrag van [Verzoekster]. [Verzoekster] heeft een nonchalante houding, ontkent elke verantwoordelijkheid voor de door haar gemaakte fouten op het werk en zaait door haar roddelgedrag onrust onder de werknemers, terwijl zij op de hoogte is dat [Vennootschap] het financieel moeilijk heeft. Aan de schorsing van [Verzoekster] is een reeks van incidenten voorafgegaan. Hoewel de andersoortige klachten tegen [Verzoekster] in het verleden met een mondelinge waarschuwing werden afgedaan, is [Verzoekster] in 2017 al een keer geschorst voor een incident waarbij zij teveel geld in rekening heeft gebracht aan een klant. Het incident van 15 april 2018 heeft de emmer doen overlopen. Omdat dit het tweede incident was waarbij teveel geld door [Verzoekster] in rekening is gebracht bij een klant, was het noodzakelijk om een hardere maatregel toe te passen. Dergelijke gebeurtenissen hebben gevolgen voor de goede naam van [Vennootschap]. Op dat moment was er ook het reële risico dat Curaçao Airport Partners door de klachten die bij deze organisatie binnenkwamen het contract met [Vennootschap] niet meer zou willen verlengen.

4.6.

Het Gerecht is van oordeel op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd dat [Vennootschap] voldoende heeft aangetoond dat er een zwaarwegend belang was om [Verzoekster] op non-actief te stellen. [Vennootschap] was echter wel gehouden om aan [Verzoekster] te melden op grond van welk specifiek incident zij per direct op non- actief werd gesteld. In de brief van

13 juli 2018 ontbreekt een duidelijke mededeling van de reden voor de non-actiefstelling, terwijl de directeur van [Vennootschap] ter zitting ook niet heeft kunnen aantonen dat zij aan [Verzoekster] uitdrukkelijk heeft meegedeeld vanwege welk incident, op welke dag precies, zij op non-actief werd gesteld. Voorts brengen de redelijkheid en billijkheid onder meer met zich dat een werknemer in beginsel gehoord dient te worden alvorens beslist wordt op een voornemen tot zijn/haar non-actiefstelling dan wel schorsing. Het getuigt dus niet van goed werkgeverschap dat [Vennootschap] [Verzoekster] niet in de gelegenheid heeft gesteld om zich eerst te verweren, vóór zij tot haar non-actiefstelling is overgegaan. Het lag voorts op de weg van [Vennootschap] om, in ieder geval na de berichten van 20 augustus 2018 van de gemachtigde van [Verzoekster], waarin deze omissie uitdrukkelijk aan de orde werd gesteld, [Verzoekster] alsnog te horen nu het onderzoek op dat moment nog gaande was. [Vennootschap] heeft dat nagelaten. Zij heeft dan ook niet met de geboden zorgvuldigheid gehandeld.

4.7.

Dat de beslissing van [Vennootschap] om [Verzoekster] op non-actief te stellen niet met de geboden zorgvuldigheid is genomen, doet niet af aan het feit dat er gegronde redenen waren om een onderzoek in te stellen met betrekking tot het incident van 15 april 2018. [Verzoekster] was op 17 januari 2017 al een keer betrokken bij een vergelijkbaar incident als dat van 15 april 2018. In beide gevallen zijn er discrepanties geconstateerd tussen de bedragen op de verkoopbonnen en de daadwerkelijke prijzen van de verkochte producten. Gezien de al wankelende werkverhouding tussen [Verzoekster] en [Vennootschap] door andere voorvallen, een aantal welke ter zitting zijn genoemd en niet door [Verzoekster] in voldoende mate zijn betwist, mocht van een ervaren verkoopster als [Verzoekster] worden verwacht dat zij, zeker na het incident van 17 januari 2017, zo zorgvuldig mogelijk zou omgaan met het in rekening brengen van geld aan klanten. Het is begrijpelijk dat het vertrouwen van [Vennootschap] in [Verzoekster] bij het tweede incident zodanig geschaad is dat zij hardere maatregelen heeft getroffen. De ter zitting door [Verzoekster] gegeven uitleg over de gang van zaken op 17 januari 2017 is niet aannemelijk. Ter zitting bleek immers dat zij zich het incident van begin 2017 tot in detail kan herinneren, maar dat zij het voorval van 15 april 2018 niet herkent, terwijl zij wel heeft erkend op die dag en op dat tijdstip te hebben gewerkt. Tegenover de stelling van [Verzoekster] dat het incident van 15 april 2018 niet honderd procent achterhaald kan worden staan de in het geding gebrachte facebookbericht alsmede de kassabon met de onderbouwing door [Vennootschap]. Niet kan aldus worden geconcludeerd dat de reden van ontbinding in de werkrelatie tussen partijen alleen aan [Vennootschap] te wijten is. Het ligt deels ook aan de gedragingen van [Verzoekster], die vervolgens niet adequaat zijn behandeld door [Vennootschap].

4.8.

Het gerecht ziet in al het voorgaande aanleiding om wel een vergoeding aan [Verzoekster] toe te kennen, maar (naar beneden) af te wijken van het door haar gevorderde bedrag. Gelet op enerzijds het onzorgvuldig handelen van [Vennootschap] met betrekking tot de non-actiefstelling van [Verzoekster] en anderzijds de incidenten die zich door toedoen van [Verzoekster] hebben voorgedaan, komt het het gerecht billijk voor dat aan [Verzoekster] een vergoeding wordt toegekend ter hoogte van bedrag van NAf 21.000,00 bruto. In dit bedrag wordt de cessantia geacht te zijn inbegrepen.

4.9

Nu het gerecht een vergoeding toekent, wordt [Verzoekster] op de voet van artikel 7A:1615w lid 6 BW, in de gelegenheid gesteld het verzoek in te trekken, zoals hierna verwoord.

4.10.

Voorts zal de vordering met betrekking tot het achterstallige salaris wat betreft de vakantiedagen, verhoogd met de gematigde vertragingsrente van 10% en de wettelijke rente, worden toegekend. Daarnaast zal ook het deel van de vordering van NAf 350,- ter zake van de buitenrechtelijke incassokosten worden toegewezen, welk onderdeel van de vordering het gerecht gegrond voorkomt omdat uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde producties van de redelijkheid van die ook in omvang redelijke kosten blijkt.

4.11.

Gezien de positie van partijen, het debat tussen hen en de uitkomst daarvan worden de proceskosten gecompenseerd.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

verleent toestemming aan [Verzoekster] om kosteloos te procederen;

5.2.

stelt partijen ervan in kennis voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst tegen 7 maart 2019 te ontbinden, onder toekenning van een vergoeding als hierna is vermeld;

5.2.

bepaalt dat [Verzoekster] de gelegenheid heeft het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 28 februari 2019 te 15:00 uur ter griffie ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

voor het geval [Verzoekster] het verzoek niet intrekt wordt alvast als volgt beslist:

5.3.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [Vennootschap] en [Verzoekster] met ingang van 7 maart 2019;

5.4.

kent aan [Verzoekster] ten laste van [Vennootschap] een vergoeding toe van

NAf 21.000,00 bruto;

5.5.

veroordeelt [Vennootschap] tot betaling aan [Verzoekster] van het salaris over de vakantiedagen in het jaar 2018 verhoogd met de vertragingsrente van 10% en de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6.

veroordeelt [Vennootschap] tot betaling aan [Verzoekster] van NAf 350,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat

iedere partij de eigen kosten draagt;

5.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.

NM